Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2023:7159

2023-12-22 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht 10682278
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2023-12-22
Publicatiedatum
2024-01-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
10682278
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Partijen willen het geschil splitsen. Verwijzing deel van de zaak naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.406 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Nijmegen



Zaaknummer: 10682278 \ CV EXPL 23-2487




Vonnis van 22 december 2023




in de zaak van



1. DE KERKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON DE NEDERLANDSE PROVINCIE VAN DE CONGREGATIE VAN DE HEILIGE GEEST,
te Gennep,
hierna te noemen: CHG2. DE STICHTING STICHTING AFRIKA COLLECTIES,
te Berg en Dal,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: SAC,
gemachtigde: mr. R.L. Fabritius,



tegen




DE STICHTING STICHTING NATIONAAL MUSEUM VAN WERELDCULTUREN,
te Leiden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: NMVW,
gemachtigde: mr. L. Bakers.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 10 november 2023
- de brief van CHG en SAC van 20 november 2023
- de e-mailberichten van NMVW van 28 november 2023 en 5 en 12 december 2023 - de conclusie van antwoord.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De vordering in de hoofdzaak


2.1.
CHG en SAC vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. een verklaring voor recht dat


primair CHG eigenaar is van de collectieonderdelen van de ‘AM-collectie’ waarbij de collectie Valk, het beeld van Cornelius Rogge en de met SVCN-gelden verworven objecten zijn uitgezonderd en CHG eigenaar is van de verschillende foto’s, boeken, etnografica etc. (aangeduid als ‘overige roerende zaken’) zoals door eisers in onderhavige dagvaarding nader is gespecificeerd;

subsidiair SAC eigenaar is van de collectieonderdelen van de ‘AM-collectie’ waarbij de collectie Valk, het beeld van Cornelius Rogge en de met SVCN-gelden verworven objecten zijn uitgezonderd en SAC eigenaar is van de verschillende foto’s, boeken, etnografica etc. (aangeduid als ‘overige roerende zaken’) zoals door eisers in onderhavige dagvaarding nader is gespecificeerd;

b. NMVW te veroordelen tot afgifte van de onder a. bedoelde objecten, uiterlijk 1 januari 2025, primair aan CHG, subsidiair aan SAC, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom;
c. NMVW te veroordelen tot afgifte van alle roerende zaken die haar ter beschikking zijn gesteld door CHG, dan wel SAC, in het kader van de fusieovereenkomst omstreeks 1 april 2014, uiterlijk 1 januari 2025, primair aan CHG, subsidiair aan SAC, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in uw goede justitie te bepalen dwangsom;
d. een verklaring voor recht primair dat CHG eigenaar is van de objecten behorende tot het legaat van de heer [naam 1] en subsidiair dat SAC eigenaar is van de objecten behorende tot het legaat van de heer [naam 1] ;
e. NMVW te veroordelen tot afgifte van de onder d. bedoelde objecten, zo spoedig mogelijk na datum vonnis, primair aan CHG, subsidiair aan SAC, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen termijn en dwangsom;
f. NMVW te veroordelen tot het verstrekken aan CHG en SAC van een volledige verklaring van de door NMVW na 1 april 2014 ontvangen legaten, zo spoedig mogelijk na datum vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen termijn en dwangsom;
met veroordeling van NMVW in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en in de nakosten, betekeningskosten en eventuele verdere executiekosten.



2.2.
CHG vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, NMVW te veroordelen om:
a. uiterlijk 1 januari 2025 het gehuurde aan CHG op te leveren in oorspronkelijke staat, te weten de staat waarin het gehuurde per 1 april 2014 aan NMVW ter beschikking is gesteld, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen termijn en dwangsom;
b. zo spoedig mogelijk na het wijzen van vonnis het achterstallig onderhoud aan het gehuurde (zoals gespecificeerd door CHG) voor eigen rekening en risico uit te voeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen termijn en dwangsom;
c. aan CHG een bedrag van € 30.277,73 (inclusief btw) te voldoen ter zake de door CHG gemaakte kosten voor de brandmeldinstallatie;
d. aan CHG alle schade te vergoeden die is ontstaan of nog zal ontstaan als gevolg van het feit dat NMVW zonder toestemming van CHG wijzigingen aan het gehuurde heeft uitgevoerd en als gevolg van het feit dat NMVW tekort is geschoten in de nakoming van haar onderhoudsverplichting, een en ander nader op te maken bij staat;
e. binnen één maand na het te wijzen vonnis medewerkers van CHG (vergezeld van door CHG aan te wijzen personen) volledige toegang tot het gehuurde te verschaffen ten behoeve van het opmaken van de staat van het gehuurde, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat NMVW niet voldoet aan voornoemd gebod, met een maximum van € 10.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen termijn en dwangsom;
met veroordeling van NMVW in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en in de nakosten, betekeningskosten en eventuele verdere executiekosten.



2.3.
Aan hun vorderingen, hierboven weergegeven onder 2.1 a-f, leggen CHG en SAC ten grondslag dat ze de collectieonderdelen die in bruikleen zijn gegeven aan NMVW terug willen, omdat óf CHG óf SAC eigenaar van die collectieonderdelen is en de bruikleenovereenkomst eindigt. NMVW wil die collectieonderdelen niet teruggeven (art. 7A:1777 BW).



2.4.
CHG legt aan haar vorderingen, hierboven weergegeven onder 2.2 a-e, het volgende ten grondslag. Aan de huurovereenkomst die CHG met NMVW heeft komt op 31 december 2024 een einde en NMVW moet het gehuurde dan aan haar opleveren (art. 7:224 BW). Daarnaast is NMVW op basis van de huurovereenkomst verplicht het gehuurde te onderhouden en voldoet ze daar niet aan. Daarom vordert NMVW nakoming van die afspraak. Verder heeft NMVW zonder toestemming van CHG wijzigingen aan het gehuurde aangebracht. Die wijzigingen maakt NMVW niet ongedaan. Daardoor heeft CHG kosten moeten maken met betrekking tot de brandmeldinstallatie. De vergoeding daarvan vordert zij eveneens (art. 7:215/216 BW).



2.5.
NMVW heeft in de hoofdzaak nog geen verweer gevoerd.





3De beoordeling


3.1.
Bij brief van CHG en SAC van 20 november 2023 is aan de kantonrechter bericht dat beide partijen het geschil met betrekking tot de collectie voor willen leggen aan de handelskamer van de rechtbank Gelderland. Concreet betekent dat dat partijen verzoeken om de vorderingen, hierboven weergegeven onder 2.1 a-f (en de daarbij behorende proceskostenveroordeling) te verwijzen naar de handelskamer en de vorderingen, hierboven weergegeven onder 2.2 a-e (met de bijbehorende proceskostenveroordeling), die de huurovereenkomst betreffen, aanhangig blijven bij de kantonrechter. Dat betekent dat SAC na verwijzing geen partij meer zal zijn, omdat zij geen vorderingen met betrekking tot de huurovereenkomst heeft ingesteld, aldus CHG en SAC. NMVW heeft hieraan toegevoegd de conclusie van antwoord in de hoofdzaak daarom te willen beperken tot de aardvorderingen (huurkwesties).



3.2.
De kantonrechter zal de zaak, voor zoveel deze de vorderingen betreft met betrekking tot de collectie, gelet op de waarde die deze vorderingen vertegenwoordigen en omdat de samenhang tussen deze vorderingen en de andere vorderingen zich niet tegen afzonderlijke behandeling verzet, mede gelet op het eenstemmig verzoek daartoe van partijen, verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Deze verwijzing vindt plaats in de stand waarin de zaak zich bevindt.



3.3.
CHG en SAC hebben hiernaast verzocht dat de betreffende verwijzing zal plaatsvinden naar een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland. De kantonrechter kan daarover echter niet beslissen. Zo’n verwijzing kan plaatsvinden in het kader van art. 98 Rv, maar dat is niet wat in deze zaak aan de orde is. De kantonrechter is in deze zaak niet bevoegd de vorderingen omtrent de collectie te behandelen en dat is de reden voor verwijzing (art. 94 Rv). In zo’n geval wordt na verwijzing bepaald welke kamer de zaak gaat behandelen.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
verwijst de zaak wat betreft de vorderingen in de dagvaarding benoemd als a-f en l (deze laatste gedeeltelijk, namelijk voor zover toe- of afwijzing van de vorderingen onder a-f gevolgen zou hebben voor toe- of afwijzing van de vordering onder l), in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem,



4.2.
verwijst de zaak daartoe naar de civiele rol, niet zijnde de civiele rol voor kantonzaken, van woensdag 31 januari 2024 om 10:00 uur,



4.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat,



4.4.
wijst CHG en SAC erop dat na verwijzing een (verhoogd) griffierecht is verschuldigd, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor CHG en SAC van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies zullen ontvangen,



4.5.
wijst NMVW erop dat na verwijzing griffierecht is verschuldigd, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor NMVW een nota met betaalinstructies zal ontvangen van het LDCR,



4.6.
wijst NMVW erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging).









Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2023.















































398 \ 40141