Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2023:6100

2023-11-01 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/05/424155 / HZ ZA 23-260
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2023-11-01
Publicatiedatum
2023-11-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/424155 / HZ ZA 23-260
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot splitsing van het geding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.469 tekens)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND


Team kanton en handelsrecht



Zittingsplaats Zutphen



zaaknummer / rolnummer: C/05/424155 / HZ ZA 23-260




Vonnis in incident van 1 november 2023




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[eis.hfdz./verw.inc.]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R.J. Versteeg te 's-Hertogenbosch,



tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[ged.hfdz./eis.inc. 1]
,
gevestigd te [plaats 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[ged.hfdz./eis.inc. 2] .,
gevestigd te [plaats 1] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[ged.hfdz./eis.inc. 3]
,
gevestigd te [plaats 1] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[ged.hfdz./eis.inc. 4]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. K. Horstman te Epe.




Partijen zullen hierna [eis.hfdz./verw.inc.] en [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] genoemd worden.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding


de incidentele conclusie houdende tot splitsing


de conclusie van antwoord in het incident houdende tot splitsing.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2Het geschil en de beoordeling in het incident

2.1.

[gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] vordert in het incident:


de hoofdzaak aan te houden gedurende de behandeling van het incident,


de zaak tegen [ged.hfdz./eis.inc. 1] en de zaken tegen [ged.hfdz./eis.inc. 2] ., [ged.hfdz./eis.inc. 3] en [ged.hfdz./eis.inc. 4] te splitsen, waarbij de zaken ieder een eigen zaak-/rolnummer krijgen en voor het vervolg als afzonderlijke zaken zullen worden behandeld, te beginnen met een conclusie van antwoord namens de gedaagde partijen,


een gewoon uitstel van zes (6) weken te verlenen voor het dienen van antwoord in de (gesplitste) hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident,



[eis.hfdz./verw.inc.] te veroordelen in de proceskosten van het incident.





2.2.

[gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] legt aan haar incidentele vordering tot splitsing het volgende ten grondslag. Hoewel gedaagde partijen aan elkaar zijn gelieerd, is van belang dat de grondslag van de gestelde vorderingen (tegen gedaagde sub 1 enerzijds en gedaagde sub 2, 3 en 4 anderzijds) wezenlijk verschillen. Ook het feitencomplex is verschillend. Daarom kan niet worden gezegd dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Een goede procesorde – met name bezien vanuit overzichtelijkheid – eist een afzonderlijke berechting.



2.3.

[eis.hfdz./verw.inc.] betwist dat een gezamenlijke behandeling niet gerechtvaardigd is. Zij voert ter onderbouwing hiervan aan dat aan alle tegen gedaagden ingestelde vorderingen hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd. Ook worden alle gedaagden voor dezelfde schade aangesproken. Verder hebben alle gedaagde partijen een onderlinge relatie met elkaar, omdat zij groepsvennootschappen van dezelfde groep zijn.



2.4.
De rechtbank kan een aanhangig gemaakt geding splitsen indien tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen (HR 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384).



2.5.
Uit de dagvaarding volgt dat [eis.hfdz./verw.inc.] aan haar vorderingen in de hoofdzaak – samengevat en voor zover in dit incident relevant – de volgende feiten ten grondslag legt. [ged.hfdz./eis.inc. 1] (de heer [betrokkene 1] ) en [betrokken bedrijf 1] (de heer [betrokkene 2] ) hebben samen [eis.hfdz./verw.inc.] opgericht. [eis.hfdz./verw.inc.] is een opleidingsorganisatie voor (voornamelijk) Servische tandartsen die willen werken op de Nederlandse zorgmarkt. Als onderdeel van deze opleiding moesten de op te leiden tandartsen als tandheelkundig medewerker in dienst treden bij een tandartsenpraktijk, waarvoor de betreffende tandartspraktijk commissie diende te betalen aan [eis.hfdz./verw.inc.] . Vijf van de eerste zeven kandidaten zijn als tandheelkundig medewerker in dienst getreden bij [ged.hfdz./eis.inc. 2] ., [ged.hfdz./eis.inc. 3] en [ged.hfdz./eis.inc. 4] [ged.hfdz./eis.inc. 1] is bestuurder van deze drie tandartspraktijken. [ged.hfdz./eis.inc. 2] ., [ged.hfdz./eis.inc. 3] en [ged.hfdz./eis.inc. 4] hebben geen commissie betaald, aldus [eis.hfdz./verw.inc.] . [eis.hfdz./verw.inc.] stelt dat [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] moedwillig de situatie heeft gecreëerd waarin de door [eis.hfdz./verw.inc.] geworven en opgeleide tandartsen door de door [ged.hfdz./eis.inc. 1] gedreven tandartspraktijken worden gebruikt, zonder hiervoor commissie te betalen. [eis.hfdz./verw.inc.] stelt dat [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg hiervan heeft geleden.



2.6.
De rechtbank is van oordeel dat [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld voor het oordeel dat tussen de vorderingen jegens gedaagde sub 1 enerzijds en gedaagden sub 2, 3 en 4 anderzijds geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Hoewel bij de beoordeling van de vorderingen jegens gedaagde sub 1 enerzijds en gedaagden sub 2, 3 en 4 anderzijds (ook) verschillende grondslagen worden betrokken, vloeien zij voort uit hetzelfde feitencomplex en hangen de vorderingen met elkaar samen. De vorderingen hebben immers betrekking op dezelfde schade. Verder heeft [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] erkend dat gedaagde partijen aan elkaar gelieerd zijn. Zonder nadere onderbouwing kan, gelet op het voorgaande, niet worden ingezien waarom afzonderlijke behandeling proceseconomisch gunstig is voor een voortvarende en doelmatige afhandeling van de zaak en dat daarom moet worden afgeweken van de door [eis.hfdz./verw.inc.] als eiseres gekozen wijze van procesvoering. De incidentele vorderingen zullen daarom worden afgewezen.



2.7.
Aangezien de behandeling van de hoofdzaak is aangehouden gedurende de behandeling van dit incident, heeft [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] geen belang meer bij de vordering tot aanhouding van de hoofdzaak, zodat ook die vordering zal worden afgewezen.



2.8.

[gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, aan de zijde van [eis.hfdz./verw.inc.] tot op heden vastgesteld op € 598,00 (1,00 punt x € 598,00).





3De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4]



3.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.





4De beslissing
De rechtbank



in het incident



4.1.
wijst het gevorderde af,



4.2.
veroordeelt [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eis.hfdz./verw.inc.] tot op heden vastgesteld op € 598,00,



in de hoofdzaak




4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 december 2023 voor conclusie van antwoord door [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] ,



4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2023.