Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2017:1509

2017-03-03 Civiel recht 5775826
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2017-03-03
Publicatiedatum
2017-03-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
5775826
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | WR 2017/101

Inhoudsindicatie

herstelwerkzaamheden huurwoning in de zin van 7:220 BW, gedeeltelijke ontruiming op grond van artikel 558 aanhef onder b Rv.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.085 tekens)
vonnis




RECHTBANK GELDERLAND




Team kanton en handelsrecht



Zittingsplaats Arnhem



zaakgegevens 5775826 \ VV EXPL 17-33 \ 16643 \ 564
uitspraak van




vonnis in kort geding




in de zaak van




de Stichting Kleurrijkwonen

gevestigd te Geldermalsen

eisende partij

gemachtigde mr. T.A. Vermeulen




tegen




1.



[gedaagde sub 1]


wonende te [woonplaats]

2.



[gedaagde sub 2]

wonende te [woonplaats]
niet verschenen

gedaagde partijen





Partijen worden hierna de verhuurder en de huurders genoemd.





1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding d.d. 3 maart 2017 met
producties. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2017, waar namens
de verhuurder mevrouw [rechtspersoon A] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr.
Vermeulen. De huurders zijn niet verschenen. Nadat de kantonrechter heeft geconstateerd dat
zij behoorlijk zijn opgeroepen, is tegen hen verstek verleend.




1.2.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak heeft de kantonrechter bepaald dat
op 3 maart 2017 een zogenaamd ‘kop-staart vonnis’ zal worden gewezen en dat de
motivering van de beslissing binnen 14 dagen daarna op schrift zal worden gesteld. Die
motivering volgt hierna en de datum daarvan is door de kantonrechter bepaald op 10
maart 2017.










2De beoordeling


2.1.
Verhuurder heeft de veroordeling gevorderd van de huurders, overeenkomstig de – aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende – dagvaarding, op de gronden als in de dagvaarding vermeld.



2.2.

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit genoegzaam voort uit de stellingen
van verhuurder.




2.3.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de

[straat, nummer en plaats] . Deze woning maakt deel uit van een appartementencomplex en is
gelegen op de verdieping. Verhuurder stelt dat in de woning die onder de woning van
huurders is gelegen, een lekkage is geconstateerd die hoogstwaarschijnlijk wordt
veroorzaakt door een lek in een waterleiding die zich bevindt in de vloer van de badkamer
van de door huurders gehuurde woning. Verhuurder geeft aan dat zij deze lekkage wenst te
verhelpen, maar dat de huurders weigeren medewerking hieraan te verlenen.




2.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:220 lid 1 BW zijn de huurders gehouden de
verhuurder gelegenheid te geven om gedurende de huurtijd dringende werkzaamheden aan
het gehuurde uit te voeren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Een lekkage van
leidingen waar water door stroomt in een gebouw, moet naar haar aard op zo kort mogelijke
termijn worden verholpen, omdat daardoor de instandhouding van het gebouw in gevaar kan
komen. Niet alleen de verhuurder, maar ook alle huurders hebben daarbij belang.




2.5.

De verhuurder heeft ter zitting verklaard dat de huurders alleen bereid zijn
medewerking te verlenen als verhuurder hen financieel tegemoet komt en/of als
de huurders gedurende de uitvoering van die werkzaamheden op kosten van verhuurder in
een hotel mogen verblijven. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dienen de
huurders deze te verrichten reparatiewerkzaamheden te dulden zonder dat de verhuurder de
huurders in financiële zin tegemoet dient te komen. Hoewel aannemelijk is dat de huurders
hinder van de te verrichten werkzaamheden zullen ondervinden, gaat het hier om
reparatiewerkzaamheden die het niet onmogelijk maken de woning te blijven bewonen. De
huurders hebben die werkzaamheden te dulden nu het tot de normale maatschappelijke
verplichtingen behoort een eigenaar van het pand tot een noodzakelijke reparatie in staat te
stellen. Daar staat in zijn algemeenheid geen vergoedingsplicht tegenover.




2.6.

Waar de verhuurder gerechtigd is de noodzakelijke reparatiewerkzaamheden aan het
pand uit te voeren, is op de voet van artikel 558 aanhef onder b Rv de primaire vordering van
de verhuurder tot ontruiming toewijsbaar, in die zin dat de huurders de woning gedeeltelijk
dienen te ontruimen en ontruimd te houden zodat de verhuurder de gelegenheid heeft al
datgene te doen dan wel te laten doen om de in de daaronder gelegen woning geconstateerde
lekkage te verhelpen. Dit houdt in dat de huurders verhuurder toegang tot het gehuurde
dienen te verlenen en dat de huurders de ruimte(s) waar de reparatiewerkzaamheden
uitgevoerd worden dienen te ontruimen en ontruimd te houden. De huurders behoeven het
gehuurde niet metterwoon te verlaten.




2.7.

De huurders worden in het ongelijk gesteld en dienen daarom de proceskosten te
betalen.






3De beslissing


De kantonrechter




rechtdoende als voorzieningenrechter




3.1.
veroordeelt de huurders om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [straat, nummer en plaats] gedeeltelijk te ontruimen en ontruimd te houden als bedoeld in artikel 558 aanhef en onder b Rv, aldus dat de verhuurder op de voet van artikel 7:220 BW in de gelegenheid wordt gesteld al datgene te (laten) doen om de in de daaronder gelegen woning ( [adres onderwoning] ) geconstateerde lekkage te verhelpen;



3.2.
veroordeelt de huurders in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van de verhuurder begroot op € 101,11 aan dagvaardingskosten, € 117,00 aan griffierecht en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;



3.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017, terwijl de feiten en motivering van voormelde beslissing afzonderlijk op schrift is gesteld op 10 maart 2017.