Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:9524
2026-04-21
Bestuursrecht
SGR 24/10034
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet open overheid (Woo) - verzoek om openbaarmaking van erfpachttaxatierapporten - belangenafweging artikel 5.1, tweede lid en onder b Woo - financiële en economische belangen van de gemeente - ECLI:NL:RVS:2022:1223 - benadeling van de (toekomstige) onderhandelingspositie van de gemeente en prijsdrukkend effect na openbaarmaking van de rapporten is navolgbaar - beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2020:1079 Raad van State 15-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:1223 Raad van State 26-04-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:1702 Rechtbank Limburg 04-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.169 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/10034
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. N.F. Giorgi).
Inleiding
1. Eiser heeft een verzoek tot openbaarmaking van overheidsinformatie gedaan bij verweerder op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1
Bij besluit van 3 april 2024 (primaire besluit) is verweerder tot gedeeltelijke openbaarmaking van de door eiser gevraagde documenten overgegaan.
1.2
Met het bestreden besluit van 14 november 2024 heeft verweerder – met inachtneming van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb) – het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mrs. F.I.M. Tevette en L. Zonnebeld.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een Woo-verzoek ingediend, omdat hij openbaarmaking wenst van onder meer de taxatierapporten die betrekking hebben op de erfpacht voor het appartementencomplex waar eiser woont, gelegen op de adressen [straatnaam] [huisnummers] te [plaats], over de periode 2013 tot en met 2023.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft in reactie op het verzoek van eiser een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Omdat eiser vindt dat er meer documenten openbaar hadden moeten worden gemaakt, heeft hij bezwaar ingesteld. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en verwijst voor de motivering daarvan naar het advies van de Acb.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte niet alle gevraagde documenten openbaar heeft gemaakt en heeft daarom beroep ingesteld. Hij vindt dat er geen sprake is van ‘fair play’ en dat verweerder een te zwaar gewicht heeft toegekend aan de gestelde economische en financiële belangen. Verweerder behoort hem inzicht te geven in de wijze waarop de erfpacht voor zijn woning is bepaald. Artikel 5:1, lid 2, sub b van de Woo is ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd tegengeworpen, aldus eiser.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7. Op de zitting is vastgesteld dat het eiser in de kern alleen nog gaat om de openbaarmaking van de in het kader van de erfpacht opgestelde taxatierapporten van de appartementen in het complex waar hij woont, met uitzondering van het taxatierapport van zijn eigen appartement, want dat heeft hij al. Daarbij heeft eiser verduidelijkt dat het hem niet gaat om de persoonsgegevens in deze documenten, zoals namen, geboortedata, mailadressen en dergelijke. Het gaat hem om de bedragen in de taxatierapporten en de wijze waarop deze bedragen zijn berekend.
8. In artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van de overheid. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat onder omstandigheden ook de toekomstige onderhandelingspositie reden kan zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder - met inachtneming van het voorgaande - op goede gronden geconcludeerd dat openbaarmaking van de gevraagde taxatierapporten geweigerd mocht worden.
9.1
De rechtbank vindt het – na kennisneming van de geheime stukken onder toepassing van artikel 8:29 Awb - navolgbaar dat de gevraagde informatie na openbaarmaking de economische en financiële belangen van de gemeente kan schaden en een prijsdrukkend effect tot gevolg kan hebben. Verweerder heeft daarbij benadrukt dat de vrees voor deze gevolgen niet zozeer bestaat ten aanzien van eiser of de andere bewoners van het complex, maar met name ten aanzien van onderhandelingen met professionele vastgoedpartijen. Nu openbaarheid van informatie echter ten aanzien van iedereen geldt en openbaarmaking van informatie niet meer kan worden teruggedraaid, mocht verweerder - gelet op artikel 5.1, tweede lid en onder b van de Woo – het verzoek van eiser tot openbaarheid van de taxatierapporten weigeren.
10. De rechtbank begrijpt dat eiser graag meer inzicht wil hebben in de manier waarop de erfpachtcanon voor het complex waarin hij woont tot stand komt. Met het bestreden besluit en de aanvullende toelichting in het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder echter voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom in dit geval aan de economische en financiële belangen van de gemeente een groter gewicht mag toekomen dan aan het belang van eiser bij openbaarmaking van de rapporten.
11. De door eiser ingeroepen uitspraak leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraak, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, niet op een vergelijkbare situatie ziet.
12. In het licht van het voorgaande hoeft wat eiser overigens heeft aangevoerd in beroep geen nadere bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld met een stempel.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1079 en die van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
Zie de uitspraak van Rechtbank Limburg, 4 december 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1702.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/10034
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. N.F. Giorgi).
Inleiding
1. Eiser heeft een verzoek tot openbaarmaking van overheidsinformatie gedaan bij verweerder op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1
Bij besluit van 3 april 2024 (primaire besluit) is verweerder tot gedeeltelijke openbaarmaking van de door eiser gevraagde documenten overgegaan.
1.2
Met het bestreden besluit van 14 november 2024 heeft verweerder – met inachtneming van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb) – het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mrs. F.I.M. Tevette en L. Zonnebeld.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een Woo-verzoek ingediend, omdat hij openbaarmaking wenst van onder meer de taxatierapporten die betrekking hebben op de erfpacht voor het appartementencomplex waar eiser woont, gelegen op de adressen [straatnaam] [huisnummers] te [plaats], over de periode 2013 tot en met 2023.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft in reactie op het verzoek van eiser een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Omdat eiser vindt dat er meer documenten openbaar hadden moeten worden gemaakt, heeft hij bezwaar ingesteld. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en verwijst voor de motivering daarvan naar het advies van de Acb.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte niet alle gevraagde documenten openbaar heeft gemaakt en heeft daarom beroep ingesteld. Hij vindt dat er geen sprake is van ‘fair play’ en dat verweerder een te zwaar gewicht heeft toegekend aan de gestelde economische en financiële belangen. Verweerder behoort hem inzicht te geven in de wijze waarop de erfpacht voor zijn woning is bepaald. Artikel 5:1, lid 2, sub b van de Woo is ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd tegengeworpen, aldus eiser.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7. Op de zitting is vastgesteld dat het eiser in de kern alleen nog gaat om de openbaarmaking van de in het kader van de erfpacht opgestelde taxatierapporten van de appartementen in het complex waar hij woont, met uitzondering van het taxatierapport van zijn eigen appartement, want dat heeft hij al. Daarbij heeft eiser verduidelijkt dat het hem niet gaat om de persoonsgegevens in deze documenten, zoals namen, geboortedata, mailadressen en dergelijke. Het gaat hem om de bedragen in de taxatierapporten en de wijze waarop deze bedragen zijn berekend.
8. In artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van de overheid. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat onder omstandigheden ook de toekomstige onderhandelingspositie reden kan zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder - met inachtneming van het voorgaande - op goede gronden geconcludeerd dat openbaarmaking van de gevraagde taxatierapporten geweigerd mocht worden.
9.1
De rechtbank vindt het – na kennisneming van de geheime stukken onder toepassing van artikel 8:29 Awb - navolgbaar dat de gevraagde informatie na openbaarmaking de economische en financiële belangen van de gemeente kan schaden en een prijsdrukkend effect tot gevolg kan hebben. Verweerder heeft daarbij benadrukt dat de vrees voor deze gevolgen niet zozeer bestaat ten aanzien van eiser of de andere bewoners van het complex, maar met name ten aanzien van onderhandelingen met professionele vastgoedpartijen. Nu openbaarheid van informatie echter ten aanzien van iedereen geldt en openbaarmaking van informatie niet meer kan worden teruggedraaid, mocht verweerder - gelet op artikel 5.1, tweede lid en onder b van de Woo – het verzoek van eiser tot openbaarheid van de taxatierapporten weigeren.
10. De rechtbank begrijpt dat eiser graag meer inzicht wil hebben in de manier waarop de erfpachtcanon voor het complex waarin hij woont tot stand komt. Met het bestreden besluit en de aanvullende toelichting in het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder echter voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom in dit geval aan de economische en financiële belangen van de gemeente een groter gewicht mag toekomen dan aan het belang van eiser bij openbaarmaking van de rapporten.
11. De door eiser ingeroepen uitspraak leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraak, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, niet op een vergelijkbare situatie ziet.
12. In het licht van het voorgaande hoeft wat eiser overigens heeft aangevoerd in beroep geen nadere bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld met een stempel.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1079 en die van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
Zie de uitspraak van Rechtbank Limburg, 4 december 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1702.