Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:9397
2026-04-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.54732
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser MOB, geen procesbelang, beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2019:579 Raad van State 22-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.461 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.54732
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren [geboortedag] 2000, van Dominicaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. A. Hol)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C. van Es).
Inleiding
1. Bij besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser was niet aanwezig. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.3.
Na de zitting ontving de rechtbank van verweerder op 8 april 2026 een aanvullend stuk van verweerder dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en heeft eiser op diezelfde dag het beroep schriftelijk ingetrokken. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend om kennis te kunnen nemen van deze aanvullende stukken. De gemachtigde van eiser heeft in reactie op het voornemen van de rechtbank om uitspraak te doen met in achtneming van de nieuwe informatie en te komen tot een niet-ontvankelijk verklaring van het beroep, de rechtbank schriftelijk laten weten zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft daarna het heropende onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. Verweerder heeft op 8 april 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat eiser volgens meldingen van het COa op 3 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met eiser.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4. De gemachtigde van eiser heeft op 8 april 2026 de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar hij verblijft. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
Conclusie
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Zie de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en 1 juli 2024,
ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.54732
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren [geboortedag] 2000, van Dominicaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. A. Hol)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C. van Es).
Inleiding
1. Bij besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser was niet aanwezig. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.3.
Na de zitting ontving de rechtbank van verweerder op 8 april 2026 een aanvullend stuk van verweerder dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en heeft eiser op diezelfde dag het beroep schriftelijk ingetrokken. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend om kennis te kunnen nemen van deze aanvullende stukken. De gemachtigde van eiser heeft in reactie op het voornemen van de rechtbank om uitspraak te doen met in achtneming van de nieuwe informatie en te komen tot een niet-ontvankelijk verklaring van het beroep, de rechtbank schriftelijk laten weten zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft daarna het heropende onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. Verweerder heeft op 8 april 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat eiser volgens meldingen van het COa op 3 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met eiser.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4. De gemachtigde van eiser heeft op 8 april 2026 de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar hij verblijft. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
Conclusie
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Zie de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en 1 juli 2024,
ECLI:NL:RVS:2024:2662.