Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:9377

2026-02-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/8346
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-20
Publicatiedatum
2026-04-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/8346
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo. Art. 8:83, derde lid, van de Awb. Verlaging bijstand op grond van de Pw, toepassing KDN. Spoedeisend belang ontbreekt. Niet gebleken dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Afwijzing verzoek.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.625 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/8346


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 in de zaak tussen



[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
([gemachtigde 1]),


en




het college van Burgemeester en wethouders van Delft, verweerder
([gemachtigde 2]).




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 17 november 2025. Met dit besluit heeft verweerder het primaire besluit van 19 maart 2025 in stand gelaten waarmee de bijstand van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw) is verlaagt met 50% vanwege haar inwonende zoon ([gemachtigde 1]). Verweerder heeft hem aangemerkt als kostendelende medebewoner.


1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



1.3.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.


2.1.
Verzoekster voert hierover aan dat het niet aan haar zoon ligt dat hij langer bij haar heeft moeten verblijven, omdat zijn woning onterecht ontruimd zou zijn door de woningcorporatie. Volgens verzoekster is er sprake van een noodsituatie. De kosten van verzoekster zijn hoger dan haar inkomsten en de zoon heeft schulden, waardoor hij niet kan bijdragen aan de kosten. Uit het schrijven van verzoekster, ontvangen door de rechtbank op 16 december 2026, blijkt dat ondanks de kosten er maandelijks geld overblijft.


2.2.
Vaststaat dat de zoon bij verzoekster inwoont en dat beiden een bijstandsuitkering ontvangen. De stellingen van verzoekster over de door haar gestelde financiële noodsituatie zijn niet onderbouwd met aanvullende stukken, zoals bijvoorbeeld bankafschriften. Bovendien kunnen de schulden van de zoon van verzoekster niet worden toegerekend aan verzoekster. De voorzieningenrechter is daarom niet gebleken dat er sprake is van acute financiële nood.


3. Bij het ontbreken van spoedeisend belang als hiervoor bedoeld, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.



3.1.

De voorzieningenrechter is niet gebleken dat van een evident onrechtmatig besluit sprake is. Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten relevant. In de wetsgeschiedenis is nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt.
4. Ook is de voorzieningenrechter niet anderszins gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb niet voor inwilliging in aanmerking komt. Het verzoek wordt daarom afgewezen.





Conclusie en gevolgen


5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3879.