Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:9368

2026-04-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/1436
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-02
Publicatiedatum
2026-04-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
26/1436
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo. Wmo 2015, opvang. Vader met twee kinderen. Hoewel de voorzieningenrechter inziet dat het in de praktijk moeilijk is voor verzoeker om een betaalbare woning te vinden, is de Wmo 2015 niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. Afwijzing verzoek.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.505 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 26/1436


uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Tahiri el Osruti),


en


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mos).


Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Bij besluit van 18 december 2025 heeft verweerder verzoeker tijdelijk toegelaten tot de gezinsopvang hangende het onderzoek dat zes weken zou duren. Verzoeker dient hiervoor een eigen bijdrage te betalen van minimaal € 466,- per maand.


2.1.
Bij besluit van 13 januari 2026 heeft verweerder de termijn van het Wmo-onderzoek opgeschort.


2.2.
Bij besluit van 6 februari 2026 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen.


2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Totstandkoming van het besluit


3. Verzoeker heeft zich op 28 november 2025 gemeld bij het Daklozenloket met zijn kinderen van 13 en 16 jaar oud en een aanvraag ingediend voor toekenning van de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoeker zelfredzaam is en er geen beperkingen zijn waarvoor Wmo-ondersteuning noodzakelijk is. Evenmin is verweerder van mening dat dit in het belang is van de kinderen, daarnaast is er voor hun een alternatief beschikbaar. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.Wat stelt verzoeker?
4. Verzoeker woont sinds 1991 in [plaats] in een kamer bij zijn moeder. Nadat zijn moeder in juli 2025 is overleden is het huurcontract op naam van de zus van verzoeker gezet en kon verzoeker niet langer op dit adres verblijven met zijn kinderen. Het is hem niet gelukt andere woonruimte te vinden en verzoeker werd dakloos. Verzoeker is hartpatiënt, heeft diabetes en kampt met nierfalen. Verzoeker heeft een brief overlegd van het [ziekenhuis] waaruit blijkt dat verzoeker van 5 tot 6 februari 2025 opgenomen is geweest op de afdeling Nierziekten. Hij kan niet verblijven bij kennissen, maar als dat wel zo zou zijn dan is dat geen structurele oplossing. Verzoeker heeft te weinig inkomsten om een particuliere woning te huren en zal naar verwachting de komende vijf jaar geen sociale huurwoning krijgen toegewezen. Het lukt hem niet om woonruimte te vinden en volgens verzoeker is hij daarom niet zelfredzaam. Verzoeker meent dat er dient te worden gekeken naar de belangen van de kinderen op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van de Kinderen (IVRK). De opvang geeft de kinderen stabiliteit volgens verzoeker. Aanvullend heeft verzoeker op 5 maart 2026 een brief overlegd van de internist van 3 maart 2026, drs. [naam] , waaruit blijkt dat verzoeker progressief verlies van de nierfunctie heeft. Hiervoor dient hij zichzelf tweemaal per week medicatie toe. De internist heeft verklaard dat het belangrijk is voor de behandeling en de gezondheid van verzoeker om te verkeren in een passende woonomgeving. Een eventueel verblijf op straat, of in een anderszins niet-vaste en veilige woonomgeving vergroot de kans op het ontstaan van infecties, dan wel het mislukken van de behandeling, met dialyse- en of overlijden tot gevolg, aldus de internist.
Is er spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Als geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van spoedeisend belang.



Wordt de voorziening toegewezen?


7. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat zij meent dat er sprake is van twee beoordelingselementen. Enerzijds speelt de vraag over opvang van de kinderen in de gezinsopvang en anderzijds de opvang van verzoeker op basis van zijn medische situatie. Zodat, ook al zou verzoeker toegang tot de opvang krijgen op basis van zijn medische achtergrond, dit niet automatisch betekent dat de kinderen ook recht op opvang hebben. De voorzieningenrechter zal deze elementen beoordelen.
Verzoeker
8. Voor een recht op opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit de artikelen 1.2.1, aanhef en onder c, en artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoeker houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of hij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor hem en zijn kinderen te voorzien. Met andere woorden: verzoeker kan pas aanspraak maken op opvang als hij geen onderdak heeft door problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.

9. Naar voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op juiste gronden besloten dat verzoeker zelfredzaam is. Uit zowel hetgeen in het Wmo-advies is opgesteld, als uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd in deze procedure, blijkt dat verzoeker slechts beperkingen ervaart bij het vinden van een woning voor hem en zijn gezin. Dat sprake is van een medische beperking is onvoldoende voor de conclusie dat eiser niet (langer) zelfredzaam zou zijn en hij daarom toegang tot de opvang zou moeten verkrijgen.

10. Het feit dat verzoeker geen stabiel onderdak kan vinden is niet het gevolg van problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Die omstandigheid wijst er eerder op dat sprake is van schaarste op de woningmarkt. Hoewel de voorzieningenrechter inziet dat het hierdoor in de praktijk moeilijk is voor verzoeker om een betaalbare woning te vinden, is de Wmo 2015 niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.



De kinderen van verzoeker


11. Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat twee van zijn kinderen respectievelijk in juli 2024 en december 2024 naar Nederland zijn gekomen. Tot die tijd hebben zij in Marokko gewoond bij hun moeder, die daar nog altijd woont met het 6-jarige kind. De kinderen hebben in Marokko onderwijs gevolgd. Zij spreken beperkt Nederlands. Verzoeker heeft verder aangegeven dat het de bedoeling was om in Nederland een woning te vinden, zodat zijn vrouw en drie kinderen uit Marokko zouden overkomen en zich hier zouden vestigen. Het is verzoeker niet gelukt een eigen woning te vinden. Toen zijn zoon (16) in juni 2024 en dochter (13) in december 2024 naar Nederland kwamen, woonde hij al geruime tijd in bij familie. Omdat na het overlijden van zijn moeder teveel bewoners waren in die huurwoning, moest verzoeker vertrekken met zijn kinderen.

11.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het in dit geval de keuze is geweest van de ouders om de kinderen naar Nederland te laten komen, zonder dat er sprake was van een eigen woning.


12. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.



12.1.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.

13. Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, volgt uit het Wmo-advies dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als hiervoor bedoeld en deze belangen uitgebreid heeft meegewogen. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben verweerder er niet toe gebracht anders te beslissen.Verweerder heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker waarbij van belang is dat hij zelfredzaam te achten is. Verweerder heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daarbij op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een redelijk alternatief, namelijk de terugkeer van de kinderen naar hun moeder in Marokko. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken waarom dit geen redelijk alternatief is.
13. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.





Conclusie en gevolgen


15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3446 en ECLI:NL:CRVB:2019:3447.


Zie de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:1797.