Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8826
2026-03-25
Bestuursrecht
SGR 25/1549
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woningsluiting - Opiumwet - ongegrond
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2019:2912 Raad van State 28-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:1765 Raad van State 22-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2019:2912 Raad van State 28-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:1911 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2019:2912 Raad van State 28-08-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.869 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1549
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Kotliar),
en
de burgemeester van Delft, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Breda).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Stedelink uit Zoetermeer (de verhuurder)
(gemachtigde: mr. R.H. Ruysendaal).
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 juli 2024 heeft verweerder de huurwoning van eiseres aan de [adres] (de woning) gesloten voor de duur van 6 maanden. Met ingang van 26 januari 2026 heeft eiseres de woning verlaten.
1.1.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft de effectuering van de sluiting opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.2.
Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de woningsluiting gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van de verhuurder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Op 8 april 2024 is in de huurwoning van eiseres onder meer het volgende aangetroffen: 69,97 kilo cocaïne op de vliering/zolder, 240 gram hasj en 8 XTC-pillen in een mandje op ooghoogte in de kamer waar de wasmachine stond, 1.009 gram versnijdingsmateriaal en een stroomstootwapen.
2.1.
Op 15 mei 2024 is met instemming van de betrokken officier van justitie, door de politie aan verweerder een bestuurlijke rapportage van deze vondst verzonden. Naar aanleiding van deze rapportage heeft verweerder op 18 juni 2024 aan eiseres kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om de woning te sluiten. Op 5 augustus 2024 heeft verweerder de woning daadwerkelijk gesloten.
Waar vindt eiseres?
3. Eiseres voert aan dat er sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Het bestreden besluit is namelijk genomen zonder dat een hoorzitting is gehouden. Volgens verweerder is een uitnodiging voor de hoorzitting verzonden, maar eiseres, noch haar advocaat hebben deze uitnodiging ontvangen. Daarnaast was er geen noodzaak om de woning te sluiten. De ex-partner van eiseres heeft de huur opgezegd en zich op 28 mei 2024 elders ingeschreven. Verder is geen sprake van drugshandel en een daarmee samenhangende “loop” of verkeer naar het pand. Er is geen reëel en objectiveerbaar risico op gevaarlijke gedragingen of herhaling van enig strafbaar feit: op het moment van sluiten waren alle strafbare feiten minstens drie maanden eerder beëindigd en er hebben zich in die tijd geen incidenten voorgedaan. Ook had eiseres geen weet van de activiteiten en opgeslagen goederen in haar woning. De cocaïne lag op de vliering en de hasj lag op een hoge plank, waar eiseres niet of moeilijk bij kan komen. Haar ex-partner was daarvoor verantwoordelijk. Sluiting van de woning is daarom onevenredig. Daarbij komt dat het sluiten van de woning een rol speelt bij beëindiging van de huurovereenkomst en bij het verkrijgen van een nieuwe woning, omdat eiseres op een zwarte lijst staat. Verder heeft verweerder niet aangetoond waarom een lichter middel niet voorhanden en aan de orde was.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder blijft bij het bestreden besluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Toetsingskader
5. Een woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelmaatregel met als doel overtreding van de Opiumwet te beëindigen. De burgemeester gaat op basis van de door hem gehanteerde beleidsregels over tot sluiting van een woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als in de woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.
Is sprake van schending van een eerlijk proces?
5.1.
Uit het dossier volgt dat mr. Weisfelt het bezwaar heeft ingediend en dat eiseres daarna van gemachtigde is gewisseld. Deze gemachtigde, die eiseres ook in deze procedure bijstaat, is werkzaam op hetzelfde kantoor als mr. Wiesfelt. Zij heeft op 18 december 2024 een ingebrekestelling naar de gemeente verzonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd verklaard dat zij verweerder in dit dossier niet van de wijziging van gemachtigde op de hoogte heeft gebracht. Verweerder heeft een stuk overgelegd waaruit blijkt dat de uitnodiging voor de hoorzitting door verweerder per e-mail is verzonden aan mr. Weisfelt. Aangezien verweerder niet wist dat eiseres inmiddels een andere gemachtigde (binnen hetzelfde kantoor) had, kan verweerder niet worden verweten dat de uitnodiging voor de hoorzitting aan mr. Weisfelt is verzonden. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat mr. Weisfelt deze uitnodiging niet heeft ontvangen. Daarbij mag van mr. Weisfelt verwacht mag worden dat hij deze uitnodiging doorstuurt aan zijn kantoorgenote. Daarom is in deze zaak geen sprake van schending van hoor en wederhoor.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
5.2.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 22 juni 2022 heeft overwogen, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen: voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs (het criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van eiseres om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester volgens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om de woning te sluiten door het opleggen van een last onder bestuursdwang. In de woning van eiseres is een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs en softdrugs aangetroffen. Dat eiseres hiervan geen weet had (wat hiervan ook zij), doet hieraan niet af. Alleen het standpunt van eiseres dat geen sprake was van drugshandel omdat geen ‘loop’ bekend was, is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. Op grond hiervan was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten.
Heeft de burgemeester in redelijkheid tot sluiting over kunnen gaan?
5.3.
Het besluit tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden, is gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, in overeenstemming met de Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet, Delft 2022.
5.4.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Voor de beoordeling daarvan gebruikt de rechtbank het toetsingskader van de Afdeling zoals neergelegd in haar uitspraken van 28 augustus 2019(de overzichtsuitspraak) en de uitspraak van 6 juli 2022. Die toets houdt – kort gezegd – in dat beoordeeld moet worden of sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
5.5.
Zoals uit het primaire besluit en de beleidsregel blijkt is het doel van de woningsluiting om de openbare orde en veiligheid te herstellen en het woon- en leefklimaat evenals de volksgezondheid te beschermen. Andere doelen zijn het afgeven van een signaal aan de omgeving, het stoppen van de loop van en naar de woning en het teniet doen van de bekendheid van het pand als drugspand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het sluiten van de woning een geschikt en noodzakelijk middel is. Daarbij is het volgende van belang.
5.6.
De rechtbank stelt voorop dat alleen al de aanwezigheid van bijna 70 kilo harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval kan worden aangemerkt. In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, mag worden aangenomen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid hard- en softdrugs is aannemelijk dat de woning een schakel is in de keten van grootschalige drugshandel en als zodanig een bedreiging voor het woon- en leefklimaat rondom die woning en de openbare orde. Het gevaar op represailles ligt in de rede. Dat er geen represailles zijn gevolgd na sluiting van de woning maakt dit niet anders. Verder zijn er weliswaar een aantal maanden verstreken tussen de vondst van de drugs en het primaire besluit, maar gelet op het belang van zorgvuldige besluitvorming acht de rechtbank dit niet onredelijk lang.
5.7.
Verweerder kan daarom in beginsel worden gevolgd in zijn standpunt dat het sluiten van de woning een geschikt en noodzakelijk middel is
Evenwichtigheid
5.8.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij geen weet had van de activiteiten en de opgeslagen hasj en cocaïne in haar woning. De cocaïne lag op de vliering, waar eiseres vanwege haar rugklachten niet of moeilijk kan komen. De hasj lag op een hoge plank waar zij geen zicht op had. Haar ex-partner was daarvoor verantwoordelijk.
5.9.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat eiseres als huurster verantwoordelijk is voor het gebruik van de woning. De stelling van eiseres dat de drugs van haar partner is en dat zij niet strafrechtelijk wordt vervolgd, doen aan die verantwoordelijkheid niet af. Bovendien is volgens rechtspraak van de Afdeling persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Daarbij acht de rechtbank het in ieder geval niet geloofwaardig dat eiseres geen weet had van de - eveneens aangetroffen - handelshoeveel hasj. Ter zitting heeft eiseres namelijk verklaard wel te weten van de aangetroffen xtc-pillen. Volgens de bestuurlijke rapportage zijn deze pillen aangetroffen in dezelfde mand als de hasj. Verder is ook het stroomstootwapen aangetroffen op een plek die wel voor eiseres toegankelijk is.
5.10.
De rechtbank ziet dat de woningsluiting het voor eiseres moeilijker maakt om een nieuwe huurwoning te bemachtigen. Alleen, gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen drugs en de hierboven uiteengezette verantwoordelijkheid van eiseres daarin, staan de belangen van eiseres niet in verhouding tot het belang van verweerder om de woning te sluiten en daarmee uit het drugscircuit te halen. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, waarbij sprake is van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs, geen aanleiding bestaat om de duur de woningsluiting te matigen.
5.11.
Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank de belangen van eiseres voldoende meegewogen en is de maatregel van sluiting van de woning evenwichtig.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:1765
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1549
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Kotliar),
en
de burgemeester van Delft, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Breda).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Stedelink uit Zoetermeer (de verhuurder)
(gemachtigde: mr. R.H. Ruysendaal).
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 juli 2024 heeft verweerder de huurwoning van eiseres aan de [adres] (de woning) gesloten voor de duur van 6 maanden. Met ingang van 26 januari 2026 heeft eiseres de woning verlaten.
1.1.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft de effectuering van de sluiting opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.2.
Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de woningsluiting gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van de verhuurder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Op 8 april 2024 is in de huurwoning van eiseres onder meer het volgende aangetroffen: 69,97 kilo cocaïne op de vliering/zolder, 240 gram hasj en 8 XTC-pillen in een mandje op ooghoogte in de kamer waar de wasmachine stond, 1.009 gram versnijdingsmateriaal en een stroomstootwapen.
2.1.
Op 15 mei 2024 is met instemming van de betrokken officier van justitie, door de politie aan verweerder een bestuurlijke rapportage van deze vondst verzonden. Naar aanleiding van deze rapportage heeft verweerder op 18 juni 2024 aan eiseres kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om de woning te sluiten. Op 5 augustus 2024 heeft verweerder de woning daadwerkelijk gesloten.
Waar vindt eiseres?
3. Eiseres voert aan dat er sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Het bestreden besluit is namelijk genomen zonder dat een hoorzitting is gehouden. Volgens verweerder is een uitnodiging voor de hoorzitting verzonden, maar eiseres, noch haar advocaat hebben deze uitnodiging ontvangen. Daarnaast was er geen noodzaak om de woning te sluiten. De ex-partner van eiseres heeft de huur opgezegd en zich op 28 mei 2024 elders ingeschreven. Verder is geen sprake van drugshandel en een daarmee samenhangende “loop” of verkeer naar het pand. Er is geen reëel en objectiveerbaar risico op gevaarlijke gedragingen of herhaling van enig strafbaar feit: op het moment van sluiten waren alle strafbare feiten minstens drie maanden eerder beëindigd en er hebben zich in die tijd geen incidenten voorgedaan. Ook had eiseres geen weet van de activiteiten en opgeslagen goederen in haar woning. De cocaïne lag op de vliering en de hasj lag op een hoge plank, waar eiseres niet of moeilijk bij kan komen. Haar ex-partner was daarvoor verantwoordelijk. Sluiting van de woning is daarom onevenredig. Daarbij komt dat het sluiten van de woning een rol speelt bij beëindiging van de huurovereenkomst en bij het verkrijgen van een nieuwe woning, omdat eiseres op een zwarte lijst staat. Verder heeft verweerder niet aangetoond waarom een lichter middel niet voorhanden en aan de orde was.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder blijft bij het bestreden besluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Toetsingskader
5. Een woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelmaatregel met als doel overtreding van de Opiumwet te beëindigen. De burgemeester gaat op basis van de door hem gehanteerde beleidsregels over tot sluiting van een woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als in de woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.
Is sprake van schending van een eerlijk proces?
5.1.
Uit het dossier volgt dat mr. Weisfelt het bezwaar heeft ingediend en dat eiseres daarna van gemachtigde is gewisseld. Deze gemachtigde, die eiseres ook in deze procedure bijstaat, is werkzaam op hetzelfde kantoor als mr. Wiesfelt. Zij heeft op 18 december 2024 een ingebrekestelling naar de gemeente verzonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd verklaard dat zij verweerder in dit dossier niet van de wijziging van gemachtigde op de hoogte heeft gebracht. Verweerder heeft een stuk overgelegd waaruit blijkt dat de uitnodiging voor de hoorzitting door verweerder per e-mail is verzonden aan mr. Weisfelt. Aangezien verweerder niet wist dat eiseres inmiddels een andere gemachtigde (binnen hetzelfde kantoor) had, kan verweerder niet worden verweten dat de uitnodiging voor de hoorzitting aan mr. Weisfelt is verzonden. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat mr. Weisfelt deze uitnodiging niet heeft ontvangen. Daarbij mag van mr. Weisfelt verwacht mag worden dat hij deze uitnodiging doorstuurt aan zijn kantoorgenote. Daarom is in deze zaak geen sprake van schending van hoor en wederhoor.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
5.2.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 22 juni 2022 heeft overwogen, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen: voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs (het criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van eiseres om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester volgens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om de woning te sluiten door het opleggen van een last onder bestuursdwang. In de woning van eiseres is een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs en softdrugs aangetroffen. Dat eiseres hiervan geen weet had (wat hiervan ook zij), doet hieraan niet af. Alleen het standpunt van eiseres dat geen sprake was van drugshandel omdat geen ‘loop’ bekend was, is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. Op grond hiervan was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten.
Heeft de burgemeester in redelijkheid tot sluiting over kunnen gaan?
5.3.
Het besluit tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden, is gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, in overeenstemming met de Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet, Delft 2022.
5.4.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Voor de beoordeling daarvan gebruikt de rechtbank het toetsingskader van de Afdeling zoals neergelegd in haar uitspraken van 28 augustus 2019(de overzichtsuitspraak) en de uitspraak van 6 juli 2022. Die toets houdt – kort gezegd – in dat beoordeeld moet worden of sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
5.5.
Zoals uit het primaire besluit en de beleidsregel blijkt is het doel van de woningsluiting om de openbare orde en veiligheid te herstellen en het woon- en leefklimaat evenals de volksgezondheid te beschermen. Andere doelen zijn het afgeven van een signaal aan de omgeving, het stoppen van de loop van en naar de woning en het teniet doen van de bekendheid van het pand als drugspand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het sluiten van de woning een geschikt en noodzakelijk middel is. Daarbij is het volgende van belang.
5.6.
De rechtbank stelt voorop dat alleen al de aanwezigheid van bijna 70 kilo harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval kan worden aangemerkt. In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, mag worden aangenomen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid hard- en softdrugs is aannemelijk dat de woning een schakel is in de keten van grootschalige drugshandel en als zodanig een bedreiging voor het woon- en leefklimaat rondom die woning en de openbare orde. Het gevaar op represailles ligt in de rede. Dat er geen represailles zijn gevolgd na sluiting van de woning maakt dit niet anders. Verder zijn er weliswaar een aantal maanden verstreken tussen de vondst van de drugs en het primaire besluit, maar gelet op het belang van zorgvuldige besluitvorming acht de rechtbank dit niet onredelijk lang.
5.7.
Verweerder kan daarom in beginsel worden gevolgd in zijn standpunt dat het sluiten van de woning een geschikt en noodzakelijk middel is
Evenwichtigheid
5.8.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij geen weet had van de activiteiten en de opgeslagen hasj en cocaïne in haar woning. De cocaïne lag op de vliering, waar eiseres vanwege haar rugklachten niet of moeilijk kan komen. De hasj lag op een hoge plank waar zij geen zicht op had. Haar ex-partner was daarvoor verantwoordelijk.
5.9.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat eiseres als huurster verantwoordelijk is voor het gebruik van de woning. De stelling van eiseres dat de drugs van haar partner is en dat zij niet strafrechtelijk wordt vervolgd, doen aan die verantwoordelijkheid niet af. Bovendien is volgens rechtspraak van de Afdeling persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Daarbij acht de rechtbank het in ieder geval niet geloofwaardig dat eiseres geen weet had van de - eveneens aangetroffen - handelshoeveel hasj. Ter zitting heeft eiseres namelijk verklaard wel te weten van de aangetroffen xtc-pillen. Volgens de bestuurlijke rapportage zijn deze pillen aangetroffen in dezelfde mand als de hasj. Verder is ook het stroomstootwapen aangetroffen op een plek die wel voor eiseres toegankelijk is.
5.10.
De rechtbank ziet dat de woningsluiting het voor eiseres moeilijker maakt om een nieuwe huurwoning te bemachtigen. Alleen, gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen drugs en de hierboven uiteengezette verantwoordelijkheid van eiseres daarin, staan de belangen van eiseres niet in verhouding tot het belang van verweerder om de woning te sluiten en daarmee uit het drugscircuit te halen. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, waarbij sprake is van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs, geen aanleiding bestaat om de duur de woningsluiting te matigen.
5.11.
Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank de belangen van eiseres voldoende meegewogen en is de maatregel van sluiting van de woning evenwichtig.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:1765
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.