Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8784
2026-04-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.16773
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring. Artikel 6, lid 3. Ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2016:1451 Raad van State 03-06-2016
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.940 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16773
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 30 maart 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 31 maart 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 7 april 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat hij een staatloze Palestijn uit Gaza is. In Gaza is sprake van (een hoge mate van) willekeurig geweld waardoor hij door zijn enkele aanwezigheid aldaar een risico op ernstige schade loopt, een zogenaamde 15c-situatie. Ingevolge werkinstructie 2022/15 kan verweerder al na het aanmeldgehoor tot de conclusie komen dat een asielaanvraag niet afgedaan kan worden als niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond (artikel 30, 30a of 30b van de Vw). Dat is bijvoorbeeld het geval als sprake is van een 15c-situatie. Voor verweerder is nu al duidelijk dat hij de asielaanvraag niet af kan doen op grond van artikel 30, 30a of 30b van de Vw 2000. Daarom is verweerder op grond van artikel 3.109b, derde lid, van de Vb 2000 verplicht om de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 3 juni 2016 volgt dat in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielaanvragen mogen worden beoordeeld in de grensprocedure. In verband daarmee en gelet op het grensbewakingsbelang kan de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 worden opgelegd. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een toets vooraf te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder dient een redelijke termijn te worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim.
6.1.
In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bovenstaand onderzoek niet zou mogen afwachten. Verweerder heeft aangegeven onderzoek te willen doen om een volledig beeld te krijgen van de identiteit, nationaliteit, reisroute, mogelijke landen van eerder verblijf, 1F- indicaties of andere openbare orde aspecten, geloofwaardigheid van het asielrelaas en of eiser wel of niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en op welke gronden. Niet is uitgesloten dat verweerder naar aanleiding van dit onderzoek alsnog eisers asielaanvraag kan afdoen met toepassing van artikel 30, 30a of 30b van de Vw 2000.
7. Eisers beroep op de werkinstructie 2022/15 maakt dit oordeel niet anders. De werkinstructie laat uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat ook asielaanvragen waarbij vreemdelingen uit een 15c-gebied afkomstig zijn alsnog in de grensprocedure worden behandeld.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank voorts geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraken van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16773
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 30 maart 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 31 maart 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 7 april 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat hij een staatloze Palestijn uit Gaza is. In Gaza is sprake van (een hoge mate van) willekeurig geweld waardoor hij door zijn enkele aanwezigheid aldaar een risico op ernstige schade loopt, een zogenaamde 15c-situatie. Ingevolge werkinstructie 2022/15 kan verweerder al na het aanmeldgehoor tot de conclusie komen dat een asielaanvraag niet afgedaan kan worden als niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond (artikel 30, 30a of 30b van de Vw). Dat is bijvoorbeeld het geval als sprake is van een 15c-situatie. Voor verweerder is nu al duidelijk dat hij de asielaanvraag niet af kan doen op grond van artikel 30, 30a of 30b van de Vw 2000. Daarom is verweerder op grond van artikel 3.109b, derde lid, van de Vb 2000 verplicht om de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 3 juni 2016 volgt dat in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielaanvragen mogen worden beoordeeld in de grensprocedure. In verband daarmee en gelet op het grensbewakingsbelang kan de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 worden opgelegd. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een toets vooraf te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder dient een redelijke termijn te worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim.
6.1.
In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bovenstaand onderzoek niet zou mogen afwachten. Verweerder heeft aangegeven onderzoek te willen doen om een volledig beeld te krijgen van de identiteit, nationaliteit, reisroute, mogelijke landen van eerder verblijf, 1F- indicaties of andere openbare orde aspecten, geloofwaardigheid van het asielrelaas en of eiser wel of niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en op welke gronden. Niet is uitgesloten dat verweerder naar aanleiding van dit onderzoek alsnog eisers asielaanvraag kan afdoen met toepassing van artikel 30, 30a of 30b van de Vw 2000.
7. Eisers beroep op de werkinstructie 2022/15 maakt dit oordeel niet anders. De werkinstructie laat uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat ook asielaanvragen waarbij vreemdelingen uit een 15c-gebied afkomstig zijn alsnog in de grensprocedure worden behandeld.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank voorts geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraken van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.