Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8391
2026-04-02
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.16098
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring; tweede vervolgberoep; geen gronden aangevoerd; ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:466 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3617 Rechtbank Den Haag 20-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.543 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 22 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 5 januari 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak 20 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 16 februari 2026.
Beoordeling voortduren van de maatregel van bewaring
3. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring op enig moment tot het sluiten van het onderzoek op 27 maart 2026 onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:466.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3617.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 22 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 5 januari 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak 20 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 16 februari 2026.
Beoordeling voortduren van de maatregel van bewaring
3. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring op enig moment tot het sluiten van het onderzoek op 27 maart 2026 onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:466.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3617.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.