Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:794

2026-01-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.223
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-01-20
Publicatiedatum
2026-01-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.223
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, volgberoep, Marokkaanse, voldoende voortvarend, zicht op uitzetting, geen lichter middel, beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.909 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.223


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).




Procesverloop


1. De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.



1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.




Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 november 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.



Standpunten eiser



4. Eiser betoogt dat hij al geruime tijd in vreemdelingenbewaring verblijft, maar dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Dit wordt bevestigd door het bericht van het Afghaanse [de rechtbank begrijpt: Algerijnse] consulaat, waarin staat vermeld dat eisers nationaliteit niet kan worden bevestigd en het lp-traject daarom wordt afgesloten. Ook handelt de minister onvoldoende voortvarend door enkel een bericht te sturen aan het consulaat. Een lichter middel, zoals een meldplicht, is mogelijk omdat eiser de afgelopen tijd medewerking verleent en zich beschikbaar zal houden.



Beoordeling rechtbank



5. Dat het lp-traject ten aanzien van Algerije is afgesloten, maakt niet dat daarmee ook het zicht op uitzetting is komen te vervallen. Er loopt namelijk ook nog een lp-procedure bij de Marokkaanse autoriteiten. In de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet in onderhavige procedure geen reden voor een ander oordeel. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Daar komt bij dat in onderhavige procedure niet is gebleken dat eiser bereidwillig is om zijn medewerking te verlenen. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 12 december 2025 verklaard dat hij een paspoort heeft die bij een vriend ligt, maar heeft zijn paspoort tot op heden niet overgelegd. De enkele verklaring, tijdens het vertrekgesprek van 22 december 2025, dat hij de telefoonnummer van zijn vriend niet in het bezit heeft, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.


5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 27 november 2025 en 17 december 2025 is schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast hebben er een tweetal vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, laatstelijk op 22 december 2025. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.



5.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.



5.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft geen redenen naar voren gebracht waarin de minister hier aanleiding voor had moeten zien.




Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


NL25.55539, ECLI:NL:RBDHA:2025:22533.


Laissez-passer.