Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:7857
2026-02-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.15412
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Somalië – aanvraag verblijfsvergunning regulier ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referente’ – familieleven in de zin van artikel 8 EVRM – casus 5 WI 2020/16 – referent is minderjarig - objectieve belemmering om familie- en gezinsleven uit te oefenen in land van herkomst, maar eiseres heeft verblijfstatus in Italië – rechtbank is van oordeel dat de minister de omstandigheden van statushouders onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken – binding van referente met Nederland onvoldoende in de belangenafweging betrokken – overgelegde verklaringen en scheiding tussen eiseres en referente ingegeven vanuit vluchtsituatie ook onvoldoende in de besluitvorming betrokken – beroep gegrond.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2639 Rechtbank Den Haag 21-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:1503 Raad van State 01-07-2020
- ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810
- ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110
- ECLI:NL:RVS:2025:1069 Raad van State 17-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:1788 Raad van State 24-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2018:1794 Raad van State 30-05-2018
- ECLI:NL:RVS:2022:1788 Raad van State 24-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:1879 Raad van State 25-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.988 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15412
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
geboren op [1997] ,
V-nummer: [V-nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
geboren op [2020] en [2023] ,
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
allen van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier van eiseres met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente ] ’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en heeft hiertegen beroep ingesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1
Eiseres heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ingediend voor haarzelf en haar minderjarige kinderen met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente ] ’. De minister heeft deze aanvraag met een besluit van 22 januari 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
2.2
Op 21 februari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, een voorlopige voorziening getroffen waarin is bepaald dat de minister zich dient te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van eiseres en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist.
2.3
Met het besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft daarbij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.15413. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2.4
De minister heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.15413, op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [referente ] (de minderjarige dochter van eiseres en tevens referente), de gemachtigde van eiseres, A. Ikar (tolk) en de gemachtigde van de minister.
2.6
Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij op 23 april 2025 nog een kind heeft gekregen en dat daar nog een verblijfsprocedure voor loopt. Voor zover relevant, ziet deze uitspraak ook op dit kind.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
3. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Wat aan deze procedure voorafging
4. Eiseres is in 2015 alleen uit Somalië gevlucht. In 2017 is zij vanuit Libië in Italië aangekomen, waar zij tot begin 2021 heeft verbleven. De Italiaanse autoriteiten hebben eiseres een verblijfsvergunning asiel verleend, geldig tot 4 april 2023. Begin 2021 is eiseres uit Italië vertrokken, omdat zij de opvang moest verlaten en daardoor op straat kwam te staan met haar minderjarige zoon [minderjarige 1] . Eiseres is via Frankrijk en Duitsland naar Nederland gereisd, waar zij op 26 mei 2021 een asielaanvraag heeft ingediend. Met het besluit van 10 januari 2022 heeft de minister de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres in Italië internationale bescherming geniet. Eiseres is daartegen in beroep gegaan. Met een uitspraak van 8 maart 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat niet is gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en dat van haar een actieve houding mag worden verwacht om de rechten die voortvloeien uit haar verblijfsrechtelijke status in Italië te effectueren. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak en de afwijzing van deze asielaanvraag is daarmee in rechte vast komen te staan.
5. [referente ] (hierna: [referente ] ) is de minderjarige dochter van eiseres en referente in deze zaak. Zij is geboren op [2012] . Toen eiseres in 2015 moest vluchten uit Somalië, kon zij [referente ] niet meenemen en daarom is [referente ] bij haar oma (de moeder van eiseres) gebleven. In oktober 2021 hebben [referente ] en haar oma asiel aangevraagd in Nederland. Bij beschikking van 27 februari 2023 is [referente ] in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 3 oktober 2021 en geldig tot 3 oktober 2026. [referente ] en eiseres wisten niet van elkaar dat ze allebei in Nederland waren. Zij hebben elkaar teruggevonden doordat een tolk het verhaal van eiseres kon linken aan dat van [referente ] .
6. Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing gehandhaafd. Eiseres is niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en komt niet in aanmerking voor vrijstelling daarvan. Eiseres kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste als de uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Niet in geschil is dat eiseres familie- en gezinsleven heeft met [referente ] , maar de belangenafweging valt in het nadeel van eiseres uit. De minister stelt de belangen van [referente ] en de andere kinderen van eiseres significant te hebben meegewogen in het totaal van de belangenafweging. Volgens de minister blijkt uit de overgelegde verklaringen van de school van [referente ] , de jeugdbeschermers van Nidos en de begeleider van Vluchtelingenwerk niet dat er specifieke problemen zijn die [referente ] belemmeren in haar ontwikkeling. Verder blijkt volgens de minister uit de feiten en omstandigheden dat de oma van [referente ] haar primaire verzorger en eerste hechtingsfiguur is. De band die [referente ] met eiseres heeft, is daarom niet gelijk aan de band die zij met haar oma heeft. Het belang van [referente ] is dat zij verblijft bij degene die haar van jongs af aan heeft verzorgd en opgevoed, die haar kent en die zij kent, en bij wie ze veilig is gehecht. Dat is voor [referente ] haar oma, en niet eiseres. Het is daarom volgens de minister niet onredelijk om te stellen dat eiseres en [referente ] omgang op afstand kunnen hebben. Ze kunnen elkaar bijvoorbeeld tijdens vakanties opzoeken en ook kan [referente ] er volgens de minister voor kiezen om een verblijfsvergunning in Italië aan te vragen. Wat betreft de andere kinderen van eiseres, stelt de minister zich op het standpunt dat zij nog heel jong zijn en dat het daarom van belang is dat zij bij eiseres zijn. Ze worden niet van eiseres gescheiden en hebben net als eiseres geen rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning. Verder overweegt de minister dat de vader van de jongste kinderen van eiseres nog in Italië is. Door gescheiden in verschillende landen te leven, onthoudt eiseres de jongste kinderen van het recht op familie- en gezinsleven met hun vader. Dat de leefomstandigheden is Italië anders en moeilijker zijn dan in Nederland, betekent volgens de minister niet op voorhand dat haar kinderen zich niet zouden kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie of dat sprake is van ‘a certain degree of hardship’. Bovendien heeft de vader van haar jongste kinderen in Italië een verblijfsstatus. De minister ziet niet in waarom eiseres zich met de kinderen dan niet bij hem kan vestigen. Tot slot overweegt de minister dat de door eiseres aangevoerde gronden niet leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule en dat de minister ook niet toekomt aan toetsing op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Gri). Eiseres valt weliswaar onder het toepassingsbereik van de Gri, maar zij kan daar geen rechten aan ontlenen, omdat zij geen kerngezinslid van de referent is. De minister heeft het bezwaar van eiseres daarom ongegrond verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
7.1
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat tussen eiseres en [referente ] sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het geschil tussen partijen gaat over de in het kader van artikel 8 van het EVRM door de minister gemaakte belangenafweging.
7.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet de rechtbank toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn.
7.3
Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens volgt verder dat in alle besluiten over kinderen hun belangen een eerste overweging vormen en dat aan die belangen, hoewel ze op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht toekomt.
Werkinstructie 2020/16
8. Eiseres voert aan dat haar situatie overeenkomst met casus 5 van Werkinstructie 2020/16 (WI 2020/16) en dat afwijzing van haar aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
9.1
In WI 2020/16 heeft de minister richtlijnen geformuleerd over de toepassing van artikel 8 van het EVRM. In hoofdstuk 8 ‘Belangenafweging gezinnen met minderjarige kinderen’, in het bijzonder paragraaf 8.1 ‘Inleiding’, is het volgende opgenomen:
“Artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) verplicht om het belang van het kind als eerste overweging te betrekken in de besluitvorming. Uit de EHRM-rechtspraak volgt dat het beste belang van het kind centraal staat in de belangenafweging en zwaar gewicht toekomt. Dit betekent dat je in alle gevallen waarin je besluit gevolgen heeft voor minderjarige kinderen ingaat op de belangen van deze kinderen en die belangen tot uitdrukking brengt in je beschikking.”
9.2
In paragraaf 8.3 ‘Casusposities waarin het belang van het kind een rol speelt’ is onder casus 5 het volgende opgenomen:
“Casus 5
• het kind heeft familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM met een feitelijke verzorger
• de (biologische) ouder heeft geen rechtmatig verblijf
• er is geen reden om aan te nemen dat de gezinsband met de (biologische) ouder is verbroken
Het weigeren van verblijf aan de (biologische) ouder wordt in beginsel strijdig geacht met artikel 8 EVRM als sprake is van:
- een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen of ‘a certain degree of hardship’ die terugkeer onredelijk bezwarend maakt (zie paragraaf 7.4);
- bijzondere binding van het kind of de kinderen met Nederland die maakt dat het familie- of gezinsleven of privéleven van kinderen aan Nederland gebonden is (zie paragraaf 7.7); of
- een bijzondere binding met Nederland van de feitelijke verzorger met wie het kind ook familie- of gezinsleven uitoefent. Denk bij een bijzondere binding met Nederland bijvoorbeeld aan familie- of gezinsleven dat de feitelijke verzorger onderhoudt met anderen dan het kind.”
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van eiseres voldoet aan de drie voorwaarden van casus 5 van WI 2020/16. [referente ] verblijft in Nederland bij haar oma, haar feitelijke verzorger, en haar biologische ouder (eiseres) heeft geen rechtmatig verblijf. Verder is sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en [referente ] en is er ook volgens de minister geen reden om aan te nemen dat de gezinsband tussen eiseres en [referente ] is verbroken. Het geschil beperkt zich daarom tot de vraag of sprake is van een of meer situaties op grond waarvan volgens WI 2020/16 in beginsel sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat er een objectieve belemmering is om familie- en gezinsleven uit te oefenen in Somalië. Omdat eiseres echter een verblijfsstatus in Italië heeft, stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres terug kan keren naar Italië. Eiseres en [referente ] kunnen dan ofwel familie- en gezinsleven op afstand uitoefenen, ofwel gezinsleven in Italië uitoefenen, nu [referente ] ook een verblijfsvergunning in Italië kan aanvragen.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn belangenafweging onvoldoende heeft betrokken wat het voor het gezin als geheel, en [referente ] en de drie andere minderjarige kinderen van eiseres in het bijzonder, betekent om met eiseres naar Italië te gaan. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2022, verkeren statushouders in Italië in een moeilijke positie. Zij hebben na zes maanden geen recht meer op ondersteuning in de eerste levensbehoeften, kunnen moeilijk werk vinden, zijn volledig op zichzelf aangewezen bij het zoeken naar huisvesting en komen meestal pas na jaren van verblijf en na registratie op een adres in aanmerking voor sociale huisvesting, inkomensondersteuning en medische zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze omstandigheden onvoldoende in de besluitvorming betrokken door enkel te overwegen dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat [referente ] zich niet zou kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie in Italië, dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat door vertrek naar Italië er grote problemen ontstaan in de ontwikkeling van [referente ] en dat van eiseres als statushouder verwacht mag worden dat zij in Italië haar rechten effectueert. Dat eiseres het als statushouder in Italië moeilijk heeft gehad, terwijl zij toen maar één minderjarig kind had om te onderhouden, blijkt uit haar verklaringen. De minister heeft de moeilijke positie van statushouders in Italië in het bestreden besluit onvoldoende onderkend en betrokken, en daardoor niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres en haar drie (inmiddels vier) minderjarige kinderen (waaronder [referente ] ) in Italië geen ‘certain degree of hardship’ zullen ervaren of dat terugkeer niet onredelijk bezwarend zou zijn. Dat de partner van eiseres (en tevens vader van de drie jongste kinderen van eiseres) zich in Italië bevindt en volgens de minister het gezin zich bij hem zou kunnen vestigen en hij hen zou kunnen helpen bij een terugkeer naar Italië, acht de rechtbank evenmin een afdoende motivering nu eiseres – in lijn met bovengenoemde overwegingen in de uitspraken van de Afdeling – heeft verklaard dat hij daar op straat leeft en geen werk heeft. Dat de Afdeling in diverse asielzaken heeft geoordeeld dat statushouders bij terugkeer naar Italië geen reëel risico lopen om in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht te komen, maakt het vorenstaande niet anders, nu het hier gaat om de beoordeling van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en de vraag of eiseres en haar minderjarige kinderen, waaronder [referente ] , in Italië niet een ‘certain degree of hardship’ zullen ervaren – zijnde een ‘subjectieve belemmering’ – om het gezinsleven uit te kunnen oefenen. Deze beoordeling heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende gedaan.
13. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister in de belangenafweging onvoldoende de binding van [referente ] met Nederland heeft betrokken. Tijdens de zitting heeft de minister gesteld dat – gelet op de leeftijd van [referente ] – van haar kan worden verwacht dat zij met eiseres gezinsleven kan opbouwen in Italië als zij dat zou willen. Daarbij heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken dat [referente ] in Nederland naar school gaat, de Nederlandse taal vloeiend spreekt en hier met haar oma – die hier ook een verblijfsvergunning heeft – woont en die, zoals ook de minister in de besluitvorming aanneemt, een zeer belangrijke rol in [referente ] ’s leven speelt.
14. Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat het weigeren van verblijf aan eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM op grond van WI 2020/16.
15. Voorts overweegt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit in het kader van de belangenafweging heeft overwogen dat het in het belang van [referente ] is dat zij bij haar oma verblijft, omdat zij haar primaire verzorger en eerste hechtingsfiguur zou zijn. Met deze enkele stelling heeft de minister dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. De minister heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de gezinsband tussen eiseres en [referente ] niet is verbroken. De Afdeling heeft in een uitspraak van 25 april 2025 overwogen dat het in het belang van het kind is dat de banden met de ouders in stand gehouden worden en indien nodig worden hersteld, tenzij de ouders uitermate ongeschikt zijn gebleken. Dat sprake zou zijn van een dergelijke ongeschiktheid in het geval van eiseres is gesteld noch gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de verklaringen van de scholen van [referente ] van 6 mei 2024 en 4 februari 2025, van de jeugdbeschermers van Nidos van 29 mei 2024 en 12 februari 2025 en van een begeleider van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 mei 2024 en 29 januari 2025 onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Zo blijkt uit de verklaring van een begeleider van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 januari 2024 dat eiseres voor [referente ] zorgt. In een verklaring van een jeugdbeschermer van Nidos van 12 februari 2025 staat dat het uiterst belangrijk is dat [referente ] niet gescheiden leeft van haar moeder, broertje en zusje. De minister heeft hier overigens ook niet bij betrokken dat de scheiding van eiseres en [referente ] is ingegeven vanuit een vluchtsituatie.
Conclusie en gevolgen
16. Gelet op wat de rechtbank heeft geconcludeerd in overwegingen 12 tot en met 15 bevat het bestreden besluit motiveringsgebreken. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
17. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ECLI:NL:RBDHA:2025:2639
NL22.751.
Op grond van artikel 17 van de Vw, artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Op grond van artikel 3.71, tweede lid en onder l, van het Vb.
Op grond van paragraaf B1/4.1.3 van de Vc.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Gri.
In de zin van artikel 4, eerste lid, van de Gri.
Zie onder meer de uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1503, r.o. 2.1.
Zie onder meer de arresten van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, r.o. 109 en 8 november 2016, El Ghatet tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, r.o. 46.
Zie pagina 29 van WI 2020/16.
ECLI:NL:RVS:2025:1069.
ECLI:NL:RVS:2022:1788.
Bijvoorbeeld in het verslag van 1 juni 2021, het verslag gehoor aanmeldfase van 5 januari 2023, en het verslag van het gehoor van 27 januari 2025.
Bijvoorbeeld in de uitspraken van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1794 en 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
ECLI:NL:RVS:2025:1879.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15412
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
geboren op [1997] ,
V-nummer: [V-nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
geboren op [2020] en [2023] ,
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
allen van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier van eiseres met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente ] ’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en heeft hiertegen beroep ingesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1
Eiseres heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ingediend voor haarzelf en haar minderjarige kinderen met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente ] ’. De minister heeft deze aanvraag met een besluit van 22 januari 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
2.2
Op 21 februari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, een voorlopige voorziening getroffen waarin is bepaald dat de minister zich dient te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van eiseres en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist.
2.3
Met het besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft daarbij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.15413. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2.4
De minister heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.15413, op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [referente ] (de minderjarige dochter van eiseres en tevens referente), de gemachtigde van eiseres, A. Ikar (tolk) en de gemachtigde van de minister.
2.6
Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij op 23 april 2025 nog een kind heeft gekregen en dat daar nog een verblijfsprocedure voor loopt. Voor zover relevant, ziet deze uitspraak ook op dit kind.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
3. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Wat aan deze procedure voorafging
4. Eiseres is in 2015 alleen uit Somalië gevlucht. In 2017 is zij vanuit Libië in Italië aangekomen, waar zij tot begin 2021 heeft verbleven. De Italiaanse autoriteiten hebben eiseres een verblijfsvergunning asiel verleend, geldig tot 4 april 2023. Begin 2021 is eiseres uit Italië vertrokken, omdat zij de opvang moest verlaten en daardoor op straat kwam te staan met haar minderjarige zoon [minderjarige 1] . Eiseres is via Frankrijk en Duitsland naar Nederland gereisd, waar zij op 26 mei 2021 een asielaanvraag heeft ingediend. Met het besluit van 10 januari 2022 heeft de minister de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres in Italië internationale bescherming geniet. Eiseres is daartegen in beroep gegaan. Met een uitspraak van 8 maart 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat niet is gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en dat van haar een actieve houding mag worden verwacht om de rechten die voortvloeien uit haar verblijfsrechtelijke status in Italië te effectueren. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak en de afwijzing van deze asielaanvraag is daarmee in rechte vast komen te staan.
5. [referente ] (hierna: [referente ] ) is de minderjarige dochter van eiseres en referente in deze zaak. Zij is geboren op [2012] . Toen eiseres in 2015 moest vluchten uit Somalië, kon zij [referente ] niet meenemen en daarom is [referente ] bij haar oma (de moeder van eiseres) gebleven. In oktober 2021 hebben [referente ] en haar oma asiel aangevraagd in Nederland. Bij beschikking van 27 februari 2023 is [referente ] in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 3 oktober 2021 en geldig tot 3 oktober 2026. [referente ] en eiseres wisten niet van elkaar dat ze allebei in Nederland waren. Zij hebben elkaar teruggevonden doordat een tolk het verhaal van eiseres kon linken aan dat van [referente ] .
6. Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing gehandhaafd. Eiseres is niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en komt niet in aanmerking voor vrijstelling daarvan. Eiseres kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste als de uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Niet in geschil is dat eiseres familie- en gezinsleven heeft met [referente ] , maar de belangenafweging valt in het nadeel van eiseres uit. De minister stelt de belangen van [referente ] en de andere kinderen van eiseres significant te hebben meegewogen in het totaal van de belangenafweging. Volgens de minister blijkt uit de overgelegde verklaringen van de school van [referente ] , de jeugdbeschermers van Nidos en de begeleider van Vluchtelingenwerk niet dat er specifieke problemen zijn die [referente ] belemmeren in haar ontwikkeling. Verder blijkt volgens de minister uit de feiten en omstandigheden dat de oma van [referente ] haar primaire verzorger en eerste hechtingsfiguur is. De band die [referente ] met eiseres heeft, is daarom niet gelijk aan de band die zij met haar oma heeft. Het belang van [referente ] is dat zij verblijft bij degene die haar van jongs af aan heeft verzorgd en opgevoed, die haar kent en die zij kent, en bij wie ze veilig is gehecht. Dat is voor [referente ] haar oma, en niet eiseres. Het is daarom volgens de minister niet onredelijk om te stellen dat eiseres en [referente ] omgang op afstand kunnen hebben. Ze kunnen elkaar bijvoorbeeld tijdens vakanties opzoeken en ook kan [referente ] er volgens de minister voor kiezen om een verblijfsvergunning in Italië aan te vragen. Wat betreft de andere kinderen van eiseres, stelt de minister zich op het standpunt dat zij nog heel jong zijn en dat het daarom van belang is dat zij bij eiseres zijn. Ze worden niet van eiseres gescheiden en hebben net als eiseres geen rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning. Verder overweegt de minister dat de vader van de jongste kinderen van eiseres nog in Italië is. Door gescheiden in verschillende landen te leven, onthoudt eiseres de jongste kinderen van het recht op familie- en gezinsleven met hun vader. Dat de leefomstandigheden is Italië anders en moeilijker zijn dan in Nederland, betekent volgens de minister niet op voorhand dat haar kinderen zich niet zouden kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie of dat sprake is van ‘a certain degree of hardship’. Bovendien heeft de vader van haar jongste kinderen in Italië een verblijfsstatus. De minister ziet niet in waarom eiseres zich met de kinderen dan niet bij hem kan vestigen. Tot slot overweegt de minister dat de door eiseres aangevoerde gronden niet leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule en dat de minister ook niet toekomt aan toetsing op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Gri). Eiseres valt weliswaar onder het toepassingsbereik van de Gri, maar zij kan daar geen rechten aan ontlenen, omdat zij geen kerngezinslid van de referent is. De minister heeft het bezwaar van eiseres daarom ongegrond verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
7.1
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat tussen eiseres en [referente ] sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het geschil tussen partijen gaat over de in het kader van artikel 8 van het EVRM door de minister gemaakte belangenafweging.
7.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet de rechtbank toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn.
7.3
Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens volgt verder dat in alle besluiten over kinderen hun belangen een eerste overweging vormen en dat aan die belangen, hoewel ze op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht toekomt.
Werkinstructie 2020/16
8. Eiseres voert aan dat haar situatie overeenkomst met casus 5 van Werkinstructie 2020/16 (WI 2020/16) en dat afwijzing van haar aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
9.1
In WI 2020/16 heeft de minister richtlijnen geformuleerd over de toepassing van artikel 8 van het EVRM. In hoofdstuk 8 ‘Belangenafweging gezinnen met minderjarige kinderen’, in het bijzonder paragraaf 8.1 ‘Inleiding’, is het volgende opgenomen:
“Artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) verplicht om het belang van het kind als eerste overweging te betrekken in de besluitvorming. Uit de EHRM-rechtspraak volgt dat het beste belang van het kind centraal staat in de belangenafweging en zwaar gewicht toekomt. Dit betekent dat je in alle gevallen waarin je besluit gevolgen heeft voor minderjarige kinderen ingaat op de belangen van deze kinderen en die belangen tot uitdrukking brengt in je beschikking.”
9.2
In paragraaf 8.3 ‘Casusposities waarin het belang van het kind een rol speelt’ is onder casus 5 het volgende opgenomen:
“Casus 5
• het kind heeft familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM met een feitelijke verzorger
• de (biologische) ouder heeft geen rechtmatig verblijf
• er is geen reden om aan te nemen dat de gezinsband met de (biologische) ouder is verbroken
Het weigeren van verblijf aan de (biologische) ouder wordt in beginsel strijdig geacht met artikel 8 EVRM als sprake is van:
- een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen of ‘a certain degree of hardship’ die terugkeer onredelijk bezwarend maakt (zie paragraaf 7.4);
- bijzondere binding van het kind of de kinderen met Nederland die maakt dat het familie- of gezinsleven of privéleven van kinderen aan Nederland gebonden is (zie paragraaf 7.7); of
- een bijzondere binding met Nederland van de feitelijke verzorger met wie het kind ook familie- of gezinsleven uitoefent. Denk bij een bijzondere binding met Nederland bijvoorbeeld aan familie- of gezinsleven dat de feitelijke verzorger onderhoudt met anderen dan het kind.”
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van eiseres voldoet aan de drie voorwaarden van casus 5 van WI 2020/16. [referente ] verblijft in Nederland bij haar oma, haar feitelijke verzorger, en haar biologische ouder (eiseres) heeft geen rechtmatig verblijf. Verder is sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en [referente ] en is er ook volgens de minister geen reden om aan te nemen dat de gezinsband tussen eiseres en [referente ] is verbroken. Het geschil beperkt zich daarom tot de vraag of sprake is van een of meer situaties op grond waarvan volgens WI 2020/16 in beginsel sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat er een objectieve belemmering is om familie- en gezinsleven uit te oefenen in Somalië. Omdat eiseres echter een verblijfsstatus in Italië heeft, stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres terug kan keren naar Italië. Eiseres en [referente ] kunnen dan ofwel familie- en gezinsleven op afstand uitoefenen, ofwel gezinsleven in Italië uitoefenen, nu [referente ] ook een verblijfsvergunning in Italië kan aanvragen.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn belangenafweging onvoldoende heeft betrokken wat het voor het gezin als geheel, en [referente ] en de drie andere minderjarige kinderen van eiseres in het bijzonder, betekent om met eiseres naar Italië te gaan. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2022, verkeren statushouders in Italië in een moeilijke positie. Zij hebben na zes maanden geen recht meer op ondersteuning in de eerste levensbehoeften, kunnen moeilijk werk vinden, zijn volledig op zichzelf aangewezen bij het zoeken naar huisvesting en komen meestal pas na jaren van verblijf en na registratie op een adres in aanmerking voor sociale huisvesting, inkomensondersteuning en medische zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze omstandigheden onvoldoende in de besluitvorming betrokken door enkel te overwegen dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat [referente ] zich niet zou kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie in Italië, dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat door vertrek naar Italië er grote problemen ontstaan in de ontwikkeling van [referente ] en dat van eiseres als statushouder verwacht mag worden dat zij in Italië haar rechten effectueert. Dat eiseres het als statushouder in Italië moeilijk heeft gehad, terwijl zij toen maar één minderjarig kind had om te onderhouden, blijkt uit haar verklaringen. De minister heeft de moeilijke positie van statushouders in Italië in het bestreden besluit onvoldoende onderkend en betrokken, en daardoor niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres en haar drie (inmiddels vier) minderjarige kinderen (waaronder [referente ] ) in Italië geen ‘certain degree of hardship’ zullen ervaren of dat terugkeer niet onredelijk bezwarend zou zijn. Dat de partner van eiseres (en tevens vader van de drie jongste kinderen van eiseres) zich in Italië bevindt en volgens de minister het gezin zich bij hem zou kunnen vestigen en hij hen zou kunnen helpen bij een terugkeer naar Italië, acht de rechtbank evenmin een afdoende motivering nu eiseres – in lijn met bovengenoemde overwegingen in de uitspraken van de Afdeling – heeft verklaard dat hij daar op straat leeft en geen werk heeft. Dat de Afdeling in diverse asielzaken heeft geoordeeld dat statushouders bij terugkeer naar Italië geen reëel risico lopen om in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht te komen, maakt het vorenstaande niet anders, nu het hier gaat om de beoordeling van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en de vraag of eiseres en haar minderjarige kinderen, waaronder [referente ] , in Italië niet een ‘certain degree of hardship’ zullen ervaren – zijnde een ‘subjectieve belemmering’ – om het gezinsleven uit te kunnen oefenen. Deze beoordeling heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende gedaan.
13. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister in de belangenafweging onvoldoende de binding van [referente ] met Nederland heeft betrokken. Tijdens de zitting heeft de minister gesteld dat – gelet op de leeftijd van [referente ] – van haar kan worden verwacht dat zij met eiseres gezinsleven kan opbouwen in Italië als zij dat zou willen. Daarbij heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken dat [referente ] in Nederland naar school gaat, de Nederlandse taal vloeiend spreekt en hier met haar oma – die hier ook een verblijfsvergunning heeft – woont en die, zoals ook de minister in de besluitvorming aanneemt, een zeer belangrijke rol in [referente ] ’s leven speelt.
14. Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat het weigeren van verblijf aan eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM op grond van WI 2020/16.
15. Voorts overweegt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit in het kader van de belangenafweging heeft overwogen dat het in het belang van [referente ] is dat zij bij haar oma verblijft, omdat zij haar primaire verzorger en eerste hechtingsfiguur zou zijn. Met deze enkele stelling heeft de minister dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. De minister heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de gezinsband tussen eiseres en [referente ] niet is verbroken. De Afdeling heeft in een uitspraak van 25 april 2025 overwogen dat het in het belang van het kind is dat de banden met de ouders in stand gehouden worden en indien nodig worden hersteld, tenzij de ouders uitermate ongeschikt zijn gebleken. Dat sprake zou zijn van een dergelijke ongeschiktheid in het geval van eiseres is gesteld noch gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de verklaringen van de scholen van [referente ] van 6 mei 2024 en 4 februari 2025, van de jeugdbeschermers van Nidos van 29 mei 2024 en 12 februari 2025 en van een begeleider van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 mei 2024 en 29 januari 2025 onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Zo blijkt uit de verklaring van een begeleider van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 januari 2024 dat eiseres voor [referente ] zorgt. In een verklaring van een jeugdbeschermer van Nidos van 12 februari 2025 staat dat het uiterst belangrijk is dat [referente ] niet gescheiden leeft van haar moeder, broertje en zusje. De minister heeft hier overigens ook niet bij betrokken dat de scheiding van eiseres en [referente ] is ingegeven vanuit een vluchtsituatie.
Conclusie en gevolgen
16. Gelet op wat de rechtbank heeft geconcludeerd in overwegingen 12 tot en met 15 bevat het bestreden besluit motiveringsgebreken. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
17. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ECLI:NL:RBDHA:2025:2639
NL22.751.
Op grond van artikel 17 van de Vw, artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Op grond van artikel 3.71, tweede lid en onder l, van het Vb.
Op grond van paragraaf B1/4.1.3 van de Vc.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Gri.
In de zin van artikel 4, eerste lid, van de Gri.
Zie onder meer de uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1503, r.o. 2.1.
Zie onder meer de arresten van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, r.o. 109 en 8 november 2016, El Ghatet tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, r.o. 46.
Zie pagina 29 van WI 2020/16.
ECLI:NL:RVS:2025:1069.
ECLI:NL:RVS:2022:1788.
Bijvoorbeeld in het verslag van 1 juni 2021, het verslag gehoor aanmeldfase van 5 januari 2023, en het verslag van het gehoor van 27 januari 2025.
Bijvoorbeeld in de uitspraken van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1794 en 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
ECLI:NL:RVS:2025:1879.