Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:7632

2026-03-27 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.35737 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-27
Publicatiedatum
2026-04-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.35737 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet gegrond; De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. De rechtbank heeft de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.428 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.35737 V



uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van




[opposant]
, opposant, V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),



tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen



opposant



en




de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister).




Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank
van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft
verklaard.


1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of de rechtbank terecht bij de uitspraak van 7 november 2025 het beroep zonder zitting heeft afgedaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Het beroep van opposant
3. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 15 januari 2024.




De uitspraak van 7 november 2025


4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een premature ingebrekestelling. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat met ingang van 11 december 2024 voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium gold voor de duur van zes maanden, waarbij de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, is verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. De beslistermijn op de aanvraag van opposant liep in beginsel tot en met 15 juli 2024. In dit geval geldt volgens de rechtbank daarom dat de beslistermijn door het besluitmoratorium op 15 oktober 2025 was verstreken. Omdat opposant de minister bij brief van 17 juli 2025 heeft medegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit te nemen, is deze ingebrekestelling te vroeg gestuurd.
5. Opposant voert aan dat zijn ingebrekestelling ten onrechte prematuur is geacht en dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser stelt dat ten onrechte is uitgegaan van een beslistermijn van eenentwintig maanden. Opposant wijst erop dat deze rechtbank in zaken over asielaanvragen die vanaf 1 januari 2024 door Syrische asielzoekers zijn ingediend, steeds een beslistermijn van achttien maanden hanteert. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst opposant op uitspraken van verschillende zittingsplaatsen waarin wordt uitgegaan van deze berekening van de beslistermijn.

6. Deze verzetsgrond slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft deze rechtbank in zaken waarin een vergelijkbaar standpunt is ingenomen, aanleiding gezien anders te oordelen dan zij tot dan toe heeft gedaan. Waar zij eerder oordeelde dat de verlenging van een jaar ingaat op het moment van inwerkingtreding van het moratorium, neemt zij nu aan dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is dat het beroep waarop de uitspraak van 7 november 2025 ziet niet-ontvankelijk is. Het is namelijk niet uitgesloten dat een zitting, gelet op het voorgaande, tot een andere uitkomst zou hebben geleid.



Conclusie en gevolgen

7. Uit de beoordeling van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van
7 november 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. De rechtbank heeft de zaak daarom ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het
indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Als aan opposant een toevoeging is verleend, moet de proceskostenvergoeding worden
betaald aan de rechtsbijstandverlener.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het verzet gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025;


veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.







Met opposant wordt bedoelde de indiener van het verzetschrift.


Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.


Zie onder meer de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19859, de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21167, de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20039.


Zaaknummers: NL25.43751 en NL25.63389, nog niet gepubliceerd.