Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:7399
2026-04-01
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.16084
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep bewaring – zicht op uitzetting Algerije – beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20553 Rechtbank Den Haag 05-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24010 Rechtbank Den Haag 15-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1003 Rechtbank Den Haag 22-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3655 Rechtbank Den Haag 24-02-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14736 Rechtbank Den Haag 02-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (5.171 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16084
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 23oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 31 maart 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 23 februari 2026.
4. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting is. De Marokkaanse autoriteiten hebben meegedeeld eiser niet als onderdaan te erkennen en eiser stelt ook niet afkomstig te zijn uit Algerije.
5. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 23 maart 2026 beroep ingesteld. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had de rechtbank het vooronderzoek binnen één week na ontvangst van het beroepschrift moeten sluiten en ingevolge het tweede lid binnen zeven dagen daarna schriftelijk uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk op 30 maart 2026 het onderzoek had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 31 maart 2026 gesloten. De termijn zoals genoemd in artikel 96, eerste lid, van de Vw is dus overschreden. Ondanks de termijnoverschrijding is er echter sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de uitspraaktermijn zoals bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw niet is overschreden. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om het voortduren van de bewaring alleen vanwege het te laat sluiten van het vooronderzoek onrechtmatig te achten. Eiser is als gevolg van deze termijnoverschrijding dan ook niet in zijn belangen geschaad.
6. Zoals is overwogen in voorgaande uitspraken, is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten op 8 januari 2026 hebben meegedeeld dat eiser niet voorkomt in het systeem en dat zijn nationaliteit daarom niet is vastgesteld. Dit maakt nog niet dat de maatregel van bewaring opgeheven dient te worden. In de uitspraak van 24 februari 2026 is geoordeeld dat verweerder aanknopingspunten heeft mogen zien om zicht op uitzetting naar Algerije aan te nemen. Verweerder moet enige tijd gegund worden om de lp-aanvraag af te kunnen wachten. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Eiser heeft verder niets aangevoerd waaruit zou volgen dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid ontbreekt.
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20553, 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24010, 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1003 en 24 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3655.
Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Laissez-passer.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16084
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 23oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 31 maart 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 23 februari 2026.
4. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting is. De Marokkaanse autoriteiten hebben meegedeeld eiser niet als onderdaan te erkennen en eiser stelt ook niet afkomstig te zijn uit Algerije.
5. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 23 maart 2026 beroep ingesteld. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had de rechtbank het vooronderzoek binnen één week na ontvangst van het beroepschrift moeten sluiten en ingevolge het tweede lid binnen zeven dagen daarna schriftelijk uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk op 30 maart 2026 het onderzoek had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 31 maart 2026 gesloten. De termijn zoals genoemd in artikel 96, eerste lid, van de Vw is dus overschreden. Ondanks de termijnoverschrijding is er echter sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de uitspraaktermijn zoals bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw niet is overschreden. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om het voortduren van de bewaring alleen vanwege het te laat sluiten van het vooronderzoek onrechtmatig te achten. Eiser is als gevolg van deze termijnoverschrijding dan ook niet in zijn belangen geschaad.
6. Zoals is overwogen in voorgaande uitspraken, is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten op 8 januari 2026 hebben meegedeeld dat eiser niet voorkomt in het systeem en dat zijn nationaliteit daarom niet is vastgesteld. Dit maakt nog niet dat de maatregel van bewaring opgeheven dient te worden. In de uitspraak van 24 februari 2026 is geoordeeld dat verweerder aanknopingspunten heeft mogen zien om zicht op uitzetting naar Algerije aan te nemen. Verweerder moet enige tijd gegund worden om de lp-aanvraag af te kunnen wachten. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Eiser heeft verder niets aangevoerd waaruit zou volgen dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid ontbreekt.
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20553, 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24010, 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1003 en 24 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3655.
Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Laissez-passer.