Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:7310
2026-01-12
Civiel recht
697277
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding; gijzeling i.v.m. schadevergoedingsmaatregel; betalingsregeling; betalingsonmacht of betalingsonwil
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.665 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697277 / KG ZA 26/12
Vonnis in kort geding van 12 januari 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg ,
tegen:
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M.N. Schouten te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de Staat overgelegde producties;
- de op 12 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 12 januari 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 23 januari 2026.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is tot en met 13 januari 2026 gedetineerd in de PI [plaats] in verband met het uitzitten van een gevangenisstraf.
2.2.
Bij arrest van 5 maart 2019 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem [eiser] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de Staat ten gunste van een of meer slachtoffers ten bedrage van € 40.880,59 (hierna: de schadevergoedingsmaatregel). Ook zijn aan [eiser] ontnemingsmaatregelen en boetes opgelegd.
2.3.
In de periode vanaf 12 februari 2020 tot eind 2025 hebben [eiser] en het CJIB gecorrespondeerd over een betalingsregeling voor de betaling van de schadevergoedingsmaatregel, de ontnemingsmaatregelen en de boetes. Begin 2021 is op verzoek van [eiser] een betalingsregeling tot stand gekomen op basis waarvan hij vanaf 28 februari 2021 gedurende een periode van twaalf maanden € 70,00 per maand diende te betalen. Deze regeling is uiteindelijk verlengd tot eind april 2022. Vanaf 7 juli 2023 gold een betalingsregeling van € 1.000,00 per maand gedurende een periode van twaalf maanden. Een door [eiser] ingediende klacht tegen de hoogte van het op basis van deze betalingsregeling verschuldigde bedrag is door het CJIB ongegrond verklaard vanwege het vermoeden dat [eiser] over meer vermogen beschikt dan dat uit de door hem verstrekte stukken blijkt.
2.4.
[eiser] heeft vanaf 1 maart 2023 tot en met 16 januari 2023 € 70,00 (en eenmalig € 140,00) per maand aan het CJIB betaald en vanaf 26 juli 2023 tot en met 1 juli 2024 € 1.000,00 (en eenmalig € 1.146,50) per maand.
2.5.
Op 11 juli 2024 heeft het CJIB eenzijdig een betalingsregeling vastgesteld van € 1.792,01 per maand gedurende 36 maanden. Deze regeling is niet door [eiser] nagekomen.
2.6.
Bij brief van 5 november 2024 heeft het CJIB aan [eiser] een door de minister voor Rechtsbescherming afgegeven ‘waarschuwing ten uitvoerlegging vervangende hechtenis’ toegezonden. In de waarschuwing staat dat indien [eiser] het op dat moment nog openstaande bedrag van de schadevergoedingsmaatregel van € 33.857,34 niet binnen veertien dagen betaalt, de bevolen vervangende hechtenis van 130 dagen ten uitvoer zal worden gelegd.
2.7.
Nadien door [eiser] gedane voorstellen voor een betalingsregeling heeft het CJIB van de hand gewezen. Het CJIB schrijft daarover in een brief van 21 november 2025
“Het voorstel wordt afgewezen en licht ik dat als volgt toe. De betalingsregeling die in
juli 2024 aan uw cliënt was toegekend betrof naast de schadevergoedingsmaatregel
tevens overige CJIB zaken die aanmerking kwamen voor een betalingsregeling.
Vanwege de niet nakoming van de betalingsregeling is de executie in de betreffende
zaken voortgezet.
Onder andere betreft dat twee ontnemingsmaatregelen (totaal openstaand bedrag
€ 29.127,70). Voor de ontnemingsmaatregelen geldt dat de gijzeling zal worden
gevorderd. Door betaling ineens van het totaal bedrag van de openstaande
ontnemingsmaatregelen voorkomt uw cliënt dat het CJIB de gijzeling zal vorderen.
Een betalingsregeling is voor ontnemingsmaatregelen niet meer mogelijk.
Om bovengenoemde redenen wordt het betalingsvoorstel van uw cliënt afgewezen.
Zoals aangegeven alleen bij een volledige betaling van de schadevergoedingsmaatregel
(het openstaande bedrag is vanwege de wettelijke rente inmiddels verhoogd) zal de gijzeling worden ingetrokken en alleen bij een volledige betaling van de genoemde ontnemingsmaatregelen wordt de gijzeling niet gevorderd. Naast deze zaken heeft uw cliënt meer openstaande zaken, waarvoor geldt dat ook die ineens betaald moeten worden.”
2.8.
De Staat is voornemens [eiser] vanaf 14 januari 2026 te gijzelen om betaling van de schadevergoedingsmaatregel af te dwingen. Daarnaast wordt gijzeling voor het afdwingen van de betaling van de ontnemingsmaatregelen voorbereid.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter de Staat verbiedt over te gaan tot tenuitvoerlegging van gijzeling, dan wel de tenuitvoerlegging verbiedt zolang [eiser] niet daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld een reële en passende betalingsregeling te treffen waarbij thans, zolang [eiser] geen inkomsten heeft, € 200,00 per maand als passende betalingsregeling wordt gezien, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Dit volgt uit de stukken die hij in de loop der jaren aan het CJIB heeft toegezonden en uit de betalingen die zijn verricht. De voor hem financieel haalbare betalingsregelingen is hij nagekomen. Ook op dit moment beschikt hij niet over een inkomen of vermogen. Daarnaast stelt [eiser] dat gijzeling de mogelijkheid tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen juist belemmert en het middel daardoor en gelet op de bewezen effectiviteit van vrijwillige betalingsregelingen niet proportioneel en niet subsidiair is.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
Toetsingskader
4.1.
De Staat is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om een veroordelende beslissing van de strafrechter – waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – ten uitvoer te leggen. Ten uitvoerlegging moet zo snel mogelijk plaatsvinden. Dit uitgangspunt geldt ook bij de tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel, zoals hier aan de orde is.
4.2.
De wijze van tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Staatscourant 2019, nr. 69780, hierna: ‘de Regeling’) en in de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (Staatscourant 2021 nr. 33851, hierna: ‘de Beleidsregels’). De Regeling en de Beleidsregels bieden ruimte om ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel een betalingsregeling te treffen. Uitgangspunt in de Beleidsregels is wel dat een betalingsregeling een looptijd van maximaal 36 maanden heeft (artikel 4:18). In geval van bijzondere omstandigheden bieden de Beleidsregels ruimte voor meer maatwerk en/of een draagkrachtregeling (artikel 4:19 Beleidsregels).
4.3.
Het is aan een veroordeelde die om een betalingsregeling verzoekt om voldoende informatie te verstrekken. Een veroordeelde komt niet in aanmerking voor een betalingsregeling als hij de benodigde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt, als hij verwijtbaar onjuiste gegevens overlegt of als hij anderszins onvoldoende medewerking verleent ten behoeve van een zorgvuldige beoordeling van zijn verzoek (4:2 lid 3 van de Regeling). Een betalingsregeling wordt ook geweigerd als deze zich niet over een voor het CJIB redelijke termijn uitstrekt (artikel 4:25 lid 1 onder c Beleidsregels). Op grond van artikel 4:22 van de Beleidsregels kan, tot slot, het CJIB verlangen dat een betalingsplichtige die om een betalingsregeling vraagt gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit.
4.4.
Als tijdens de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel blijkt dat niet (volledig) wordt betaald en geen verhaal kan worden genomen, kan op grond van artikel 6:4:20 Sv het dwangmiddel gijzeling worden toegepast. Het openbaar ministerie kan de toepassing van de door de strafrechter al bepaalde duur van de gijzeling laten bevelen. In geval van betalingsonmacht wordt, op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv het dwangmiddel gijzeling niet toegepast. Het is (ook) op grond van dat artikel aan de veroordeelde ( [eiser] in dit geval) om aannemelijk te maken dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Nadat een veroordeelde in gijzeling is genomen, kan de gijzeling door de minister van Justitie en Veiligheid altijd weer worden beëindigd, bijvoorbeeld als alsnog een betalingsregeling is getroffen of als alsnog is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht (artikel 4:9 Beleidsregels). Een veroordeelde kan op grond van artikel 6:4:20 lid 4 de minister van Justitie en Veiligheid verzoeken de gijzeling te beëindigen.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.
Bij beoordeling van de vorderingen van [eiser] staat voorop dat het CJIB (namens de minister) een ruime beleidsvrijheid heeft. De voorzieningenrechter kan alleen toetsen of het CJIB in redelijkheid heeft kunnen beslissen om met [eiser] geen betalingsregeling meer af te spreken en tot gijzeling over te gaan. Gelet op het bepaalde in artikel 6:4:20 Sv, de Regeling en de Beleidsregels is daarbij uitgangspunt dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat gijzeling in dit geval niet kan worden toegepast, omdat sprake is van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil. Daarin is hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd.
4.6.
[eiser] stelt dat hij in de afgelopen jaren, mede doordat hij herhaaldelijk in detentie heeft gezeten, niet of nauwelijks inkomen heeft gehad en ook niet over enig vermogen beschikt. Hij wijst er in dit verband op dat zijn inkomen in 2024 € 7.776,00 was en dat zijn bankrekening in 2025 is opgeheven zonder dat daar nog een positief saldo op stond.
4.7.
Op basis van de door de Staat aangevoerde feiten en omstandigheden kan in twijfel worden getrokken of [eiser] hiermee volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn financiële situatie en daarmee zijn draagkracht. Uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt onder meer dat [eiser] rechthebbende is in de nalatenschap van zijn oma die op 5 mei 2023 is overleden. Een tot die nalatenschap behorende woning is verkocht en op 18 februari 2024 geleverd aan derden voor een bedrag van € 400.000. [eiser] heeft een en ander niet aan het CJIB gemeld. Pas tijdens de zitting heeft hij hierover opgemerkt dat hij uit de nalatenschap enkel een bedrag van € 11.544 heeft ontvangen dat in november 2024 op zijn bankrekening is gestort. Voor het overige zou zijn aanspraak zijn verrekend met schulden die in het verleden door zijn tante voor hem zijn betaald. Schriftelijke stukken die zijn verhaal bevestigen, heeft hij echter niet overgelegd. Daar komt nog bij dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voor [eiser] niet mogelijk was om het bedrag dat hij volgens zijn eigen verklaring uit de nalatenschap heeft ontvangen (gedeeltelijk) aan te wenden voor de betaling van de schadevergoedingsmaatregelen of de andere door het CJIB geïnde bedragen.
4.8.
De Staat heeft er ook nog op gewezen dat [eiser] zowel in 2021 als in 2023 in Duitsland een auto heeft gehuurd, hij bij zijn aanhouding in 2023 een bedrag van € 1.100,00 op zak had en hij bij zijn aanhouding in 2025 een Rolex horloge droeg. Volgens [eiser] kan dit niet aan hem worden tegengeworpen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van betalingsonmacht of betalingsonwil. Tijdens de zitting heeft hij opgemerkt dat Hij slechts eenmaal, in 2023, een auto heeft gehuurd, dat het bij zijn aanhouding in 2021 aangetroffen geldbedrag niet van hem was en dat het Rolex horloge nep is. De rechtbank acht deze mondelinge weerlegging in de gegeven omstandigheden onvoldoende om aannemelijk te achten dat [eiser] daadwerkelijk door een gebrek aan financiële middelen niet meer aan het CJIB kan betalen dan hij heeft voorgesteld en dat in het verleden ook niet heeft kunnen doen.
4.9.
Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CJIB in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen betalingsregeling meer met [eiser] af te spreken en kan ook niet worden geoordeeld dat het inzetten van het dwangmiddel van gijzeling in dit geval niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De gevorderde verboden moeten daarom worden afgewezen.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.020,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.020,00 (te weten griffierecht € 735,00, salaris advocaat € 1.107,00 en nakosten € 178,00 (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
EI
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697277 / KG ZA 26/12
Vonnis in kort geding van 12 januari 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg ,
tegen:
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M.N. Schouten te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de Staat overgelegde producties;
- de op 12 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 12 januari 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 23 januari 2026.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is tot en met 13 januari 2026 gedetineerd in de PI [plaats] in verband met het uitzitten van een gevangenisstraf.
2.2.
Bij arrest van 5 maart 2019 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem [eiser] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de Staat ten gunste van een of meer slachtoffers ten bedrage van € 40.880,59 (hierna: de schadevergoedingsmaatregel). Ook zijn aan [eiser] ontnemingsmaatregelen en boetes opgelegd.
2.3.
In de periode vanaf 12 februari 2020 tot eind 2025 hebben [eiser] en het CJIB gecorrespondeerd over een betalingsregeling voor de betaling van de schadevergoedingsmaatregel, de ontnemingsmaatregelen en de boetes. Begin 2021 is op verzoek van [eiser] een betalingsregeling tot stand gekomen op basis waarvan hij vanaf 28 februari 2021 gedurende een periode van twaalf maanden € 70,00 per maand diende te betalen. Deze regeling is uiteindelijk verlengd tot eind april 2022. Vanaf 7 juli 2023 gold een betalingsregeling van € 1.000,00 per maand gedurende een periode van twaalf maanden. Een door [eiser] ingediende klacht tegen de hoogte van het op basis van deze betalingsregeling verschuldigde bedrag is door het CJIB ongegrond verklaard vanwege het vermoeden dat [eiser] over meer vermogen beschikt dan dat uit de door hem verstrekte stukken blijkt.
2.4.
[eiser] heeft vanaf 1 maart 2023 tot en met 16 januari 2023 € 70,00 (en eenmalig € 140,00) per maand aan het CJIB betaald en vanaf 26 juli 2023 tot en met 1 juli 2024 € 1.000,00 (en eenmalig € 1.146,50) per maand.
2.5.
Op 11 juli 2024 heeft het CJIB eenzijdig een betalingsregeling vastgesteld van € 1.792,01 per maand gedurende 36 maanden. Deze regeling is niet door [eiser] nagekomen.
2.6.
Bij brief van 5 november 2024 heeft het CJIB aan [eiser] een door de minister voor Rechtsbescherming afgegeven ‘waarschuwing ten uitvoerlegging vervangende hechtenis’ toegezonden. In de waarschuwing staat dat indien [eiser] het op dat moment nog openstaande bedrag van de schadevergoedingsmaatregel van € 33.857,34 niet binnen veertien dagen betaalt, de bevolen vervangende hechtenis van 130 dagen ten uitvoer zal worden gelegd.
2.7.
Nadien door [eiser] gedane voorstellen voor een betalingsregeling heeft het CJIB van de hand gewezen. Het CJIB schrijft daarover in een brief van 21 november 2025
“Het voorstel wordt afgewezen en licht ik dat als volgt toe. De betalingsregeling die in
juli 2024 aan uw cliënt was toegekend betrof naast de schadevergoedingsmaatregel
tevens overige CJIB zaken die aanmerking kwamen voor een betalingsregeling.
Vanwege de niet nakoming van de betalingsregeling is de executie in de betreffende
zaken voortgezet.
Onder andere betreft dat twee ontnemingsmaatregelen (totaal openstaand bedrag
€ 29.127,70). Voor de ontnemingsmaatregelen geldt dat de gijzeling zal worden
gevorderd. Door betaling ineens van het totaal bedrag van de openstaande
ontnemingsmaatregelen voorkomt uw cliënt dat het CJIB de gijzeling zal vorderen.
Een betalingsregeling is voor ontnemingsmaatregelen niet meer mogelijk.
Om bovengenoemde redenen wordt het betalingsvoorstel van uw cliënt afgewezen.
Zoals aangegeven alleen bij een volledige betaling van de schadevergoedingsmaatregel
(het openstaande bedrag is vanwege de wettelijke rente inmiddels verhoogd) zal de gijzeling worden ingetrokken en alleen bij een volledige betaling van de genoemde ontnemingsmaatregelen wordt de gijzeling niet gevorderd. Naast deze zaken heeft uw cliënt meer openstaande zaken, waarvoor geldt dat ook die ineens betaald moeten worden.”
2.8.
De Staat is voornemens [eiser] vanaf 14 januari 2026 te gijzelen om betaling van de schadevergoedingsmaatregel af te dwingen. Daarnaast wordt gijzeling voor het afdwingen van de betaling van de ontnemingsmaatregelen voorbereid.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter de Staat verbiedt over te gaan tot tenuitvoerlegging van gijzeling, dan wel de tenuitvoerlegging verbiedt zolang [eiser] niet daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld een reële en passende betalingsregeling te treffen waarbij thans, zolang [eiser] geen inkomsten heeft, € 200,00 per maand als passende betalingsregeling wordt gezien, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Dit volgt uit de stukken die hij in de loop der jaren aan het CJIB heeft toegezonden en uit de betalingen die zijn verricht. De voor hem financieel haalbare betalingsregelingen is hij nagekomen. Ook op dit moment beschikt hij niet over een inkomen of vermogen. Daarnaast stelt [eiser] dat gijzeling de mogelijkheid tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen juist belemmert en het middel daardoor en gelet op de bewezen effectiviteit van vrijwillige betalingsregelingen niet proportioneel en niet subsidiair is.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
Toetsingskader
4.1.
De Staat is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om een veroordelende beslissing van de strafrechter – waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – ten uitvoer te leggen. Ten uitvoerlegging moet zo snel mogelijk plaatsvinden. Dit uitgangspunt geldt ook bij de tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel, zoals hier aan de orde is.
4.2.
De wijze van tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Staatscourant 2019, nr. 69780, hierna: ‘de Regeling’) en in de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (Staatscourant 2021 nr. 33851, hierna: ‘de Beleidsregels’). De Regeling en de Beleidsregels bieden ruimte om ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel een betalingsregeling te treffen. Uitgangspunt in de Beleidsregels is wel dat een betalingsregeling een looptijd van maximaal 36 maanden heeft (artikel 4:18). In geval van bijzondere omstandigheden bieden de Beleidsregels ruimte voor meer maatwerk en/of een draagkrachtregeling (artikel 4:19 Beleidsregels).
4.3.
Het is aan een veroordeelde die om een betalingsregeling verzoekt om voldoende informatie te verstrekken. Een veroordeelde komt niet in aanmerking voor een betalingsregeling als hij de benodigde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt, als hij verwijtbaar onjuiste gegevens overlegt of als hij anderszins onvoldoende medewerking verleent ten behoeve van een zorgvuldige beoordeling van zijn verzoek (4:2 lid 3 van de Regeling). Een betalingsregeling wordt ook geweigerd als deze zich niet over een voor het CJIB redelijke termijn uitstrekt (artikel 4:25 lid 1 onder c Beleidsregels). Op grond van artikel 4:22 van de Beleidsregels kan, tot slot, het CJIB verlangen dat een betalingsplichtige die om een betalingsregeling vraagt gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit.
4.4.
Als tijdens de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel blijkt dat niet (volledig) wordt betaald en geen verhaal kan worden genomen, kan op grond van artikel 6:4:20 Sv het dwangmiddel gijzeling worden toegepast. Het openbaar ministerie kan de toepassing van de door de strafrechter al bepaalde duur van de gijzeling laten bevelen. In geval van betalingsonmacht wordt, op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv het dwangmiddel gijzeling niet toegepast. Het is (ook) op grond van dat artikel aan de veroordeelde ( [eiser] in dit geval) om aannemelijk te maken dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Nadat een veroordeelde in gijzeling is genomen, kan de gijzeling door de minister van Justitie en Veiligheid altijd weer worden beëindigd, bijvoorbeeld als alsnog een betalingsregeling is getroffen of als alsnog is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht (artikel 4:9 Beleidsregels). Een veroordeelde kan op grond van artikel 6:4:20 lid 4 de minister van Justitie en Veiligheid verzoeken de gijzeling te beëindigen.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.
Bij beoordeling van de vorderingen van [eiser] staat voorop dat het CJIB (namens de minister) een ruime beleidsvrijheid heeft. De voorzieningenrechter kan alleen toetsen of het CJIB in redelijkheid heeft kunnen beslissen om met [eiser] geen betalingsregeling meer af te spreken en tot gijzeling over te gaan. Gelet op het bepaalde in artikel 6:4:20 Sv, de Regeling en de Beleidsregels is daarbij uitgangspunt dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat gijzeling in dit geval niet kan worden toegepast, omdat sprake is van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil. Daarin is hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd.
4.6.
[eiser] stelt dat hij in de afgelopen jaren, mede doordat hij herhaaldelijk in detentie heeft gezeten, niet of nauwelijks inkomen heeft gehad en ook niet over enig vermogen beschikt. Hij wijst er in dit verband op dat zijn inkomen in 2024 € 7.776,00 was en dat zijn bankrekening in 2025 is opgeheven zonder dat daar nog een positief saldo op stond.
4.7.
Op basis van de door de Staat aangevoerde feiten en omstandigheden kan in twijfel worden getrokken of [eiser] hiermee volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn financiële situatie en daarmee zijn draagkracht. Uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt onder meer dat [eiser] rechthebbende is in de nalatenschap van zijn oma die op 5 mei 2023 is overleden. Een tot die nalatenschap behorende woning is verkocht en op 18 februari 2024 geleverd aan derden voor een bedrag van € 400.000. [eiser] heeft een en ander niet aan het CJIB gemeld. Pas tijdens de zitting heeft hij hierover opgemerkt dat hij uit de nalatenschap enkel een bedrag van € 11.544 heeft ontvangen dat in november 2024 op zijn bankrekening is gestort. Voor het overige zou zijn aanspraak zijn verrekend met schulden die in het verleden door zijn tante voor hem zijn betaald. Schriftelijke stukken die zijn verhaal bevestigen, heeft hij echter niet overgelegd. Daar komt nog bij dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voor [eiser] niet mogelijk was om het bedrag dat hij volgens zijn eigen verklaring uit de nalatenschap heeft ontvangen (gedeeltelijk) aan te wenden voor de betaling van de schadevergoedingsmaatregelen of de andere door het CJIB geïnde bedragen.
4.8.
De Staat heeft er ook nog op gewezen dat [eiser] zowel in 2021 als in 2023 in Duitsland een auto heeft gehuurd, hij bij zijn aanhouding in 2023 een bedrag van € 1.100,00 op zak had en hij bij zijn aanhouding in 2025 een Rolex horloge droeg. Volgens [eiser] kan dit niet aan hem worden tegengeworpen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van betalingsonmacht of betalingsonwil. Tijdens de zitting heeft hij opgemerkt dat Hij slechts eenmaal, in 2023, een auto heeft gehuurd, dat het bij zijn aanhouding in 2021 aangetroffen geldbedrag niet van hem was en dat het Rolex horloge nep is. De rechtbank acht deze mondelinge weerlegging in de gegeven omstandigheden onvoldoende om aannemelijk te achten dat [eiser] daadwerkelijk door een gebrek aan financiële middelen niet meer aan het CJIB kan betalen dan hij heeft voorgesteld en dat in het verleden ook niet heeft kunnen doen.
4.9.
Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CJIB in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen betalingsregeling meer met [eiser] af te spreken en kan ook niet worden geoordeeld dat het inzetten van het dwangmiddel van gijzeling in dit geval niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De gevorderde verboden moeten daarom worden afgewezen.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.020,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.020,00 (te weten griffierecht € 735,00, salaris advocaat € 1.107,00 en nakosten € 178,00 (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
EI