Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:7207

2026-03-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.42806
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-11
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.42806
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 8 van het EVRM, jongvolwassenenbeleid, de minister heeft mogen concluderen dat eiser niet voldoet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid, eiser leeft niet samen met referent en voorziet in zijn eigen onderhoud, beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.386 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht


Zaaknummer: NL24.42806



[V-Nummer]




uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2003, van Eritrese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing
van zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] , zijn vader (referent)’ op grond van artikel 8 van het EVRM.



1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 februari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 29 januari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, S. Kidane als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.



Waar gaat deze zaak over?




2. Referent heeft op 23 december 2015 een aanvraag ingediend voor een mvv voor zijn gestelde drie kinderen in het kader van nareis. Deze aanvragen zijn met het besluit van 10 februari 2017 door de minister afgewezen omdat referent de identiteit van en de familierelatie met zijn kinderen niet had aangetoond. De kinderen zijn hiertegen in bezwaar gegaan. Bij besluit van 27 augustus 2018 is de minister bij de afwijzing van de aanvragen van de oudste twee kinderen, [persoon 2] en eiser, gebleven. Zij zijn hiertegen in beroep gegaan. Op 14 januari 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak op 6 december 2019 bevestigd. De minister heeft vervolgens aan de kinderen een DNA-onderzoek en een ID-gehoor aangeboden. Mede door de reisbeperkingen vanwege Covid-19 en de veiligheidssituatie in Tigray is het [persoon 2] en eiser niet gelukt om naar het DNA-onderzoek en ID-gehoor op de ambassade in Addis Abeba af te reizen. Eiser is tijdens zijn reis naar Addis Abeba in een vluchtelingenkamp in Ethiopië terecht gekomen en is hierna teruggestuurd naar Eritrea. De minister heeft vervolgens de bezwaren ongegrond verklaard wegens het niet beschikbaar zijn voor onderzoek.




2.1.
Op 23 mei 2023 hebben [persoon 2] en eiser opnieuw een aanvraag ingediend voor een mvv. Op 9 februari 2024 heeft de minister beide aanvragen afgewezen. Op 27 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van [persoon 2] gegrond verklaard en aan [persoon 2] een verblijfsvergunning bij referent verleend. De minister is met het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag van eiser gebleven. Eiser is inmiddels 21 jaar en hij voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden voor het jongvolwassenenbeleid. Volgens de minister is er geen sprake van een jongvolwassene die niet in zijn eigen onderhoud voorziet en die altijd met de ouder(s) in gezinsverband heeft samengeleefd. Er zijn ook geen bijkomende elementen waardoor er sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid tussen eiser en referent. Nu er volgens de minister geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM, hoeven de belangen van de Nederlandse Staat niet afgewogen te worden tegen de belangen van eiser.



Toetsingskader




3. De rechtbank stelt vast dat partijen verdeeld zijn over de vraag of de minister heeft kunnen vaststellen dat eiser niet voldoet aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid en daarmee ook heeft kunnen stellen dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM.




3.1.
De minister neemt op grond van het jongvolwassenenbeleid familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, als het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsband samenleeft;
- niet in zijn eigen ouderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.



3.2.
Niet in geschil is dat eiser jongvolwassen is en geen zelfstandig gezin heeft gevormd.



Is er sprake van samenleven in gezinsverband?




4. Eiser voert aan dat hij en referent in gezinsband samenleven. Allereerst is er tot aan de vlucht van referent uit Eritrea sprake geweest van samenwoning. Dat eiser inmiddels al elf jaar geleden van referent is gescheiden, is het gevolg van een noodgedwongen scheiding, gevolgd door allerlei omstandigheden waardoor de gezinshereniging niet eerder plaats heeft kunnen vinden. Daarnaast heeft de minister ten onrechte niet meegenomen in de feitenvaststelling dat eiser in 2020 ten behoeve van de gezinshereniging met referent, vanuit Eritrea in Tigray in Ethiopië in een vluchtelingenkamp terecht is gekomen, waar in november 2020 oorlog uitbrak. In die oorlogssituatie heeft eiser een maand vastgezeten in Tigray en daarna is eiser door militairen terug de grens met Eritrea over gezet. Eiser heeft door deze zeer ongelukkige omstandigheden Addis Abeba niet kunnen bereiken voor het door de minister op de ambassade aangeboden DNA-onderzoek. Dat eiser in 2020 zelfstandig in Addis Abeba heeft verbleven klopt dus niet en doet geen recht aan de vreselijk gevaarlijke situatie waarin eiser in 2020 op zijn weg naar de Nederlandse ambassade in Ethiopië ten behoeve van de gezinsherenigingsprocedure terecht kwam. In 2023 is eiser opnieuw de grens met Ethiopië overgestoken en naar Addis Abeba gereisd. [persoon 2] is hem korte tijd later gevolgd. De minister heeft hierbij ten onrechte niet betrokken dat het verblijf in Addis Abeba enkel in afwachting van de gezinsherenigingsprocedure was, en dat het leven daar voor hen moeilijk en gevaarlijk was. Eiser en referent wonen weliswaar al lange tijd niet meer samen maar dat zij wel samenleven volgt uit het contact dat zij hebben. Ter onderbouwing heeft referent screenshots van het contact overgelegd. Verder is ter zitting toegelicht dat het samenleven ook volgt uit het eindeloze doorzettingsvermogen van referent om eiser naar Nederland te kunnen halen en uit het feit dat, toen [persoon 2] ook nog in Addis Abeba verbleef, referent daar naartoe is gegaan om de kinderen op te zoeken.




4.1.
In Werkinstructie 2020/16 is de toepassing van het jongvolwassenenbeleid door de minister nader uitgewerkt. Daarin is het volgende vermeld:


“Voor de beoordeling of de jongvolwassene met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleeft, is het moment van binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de ouder(s) of de jongvolwassene uit het land van herkomst (dan wel het land van bestendig verblijf). Daarnaast beoordeelt de IND of zich na binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat van samenleving in gezinsverband niet langer sprake is. Als de scheiding tussen de jongvolwassene en zijn ouder(s) een vrijwillig karakter heeft, wordt deze anders gewogen dan wanneer de scheiding een gedwongen karakter heeft. Van een gedwongen scheiding is bijvoorbeeld sprake bij een vluchtsituatie.”




4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser en referent niet met elkaar samenleven in gezinsband. Weliswaar woonden eiser en referent samen op het moment van vertrek van referent naar Nederland, maar de minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat er zich daarna omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat van samenleving in gezinsverband geen sprake meer is. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser en referent inmiddels al elf jaar niet meer samenwonen. Na het vertrek van referent verbleef eiser bij zijn grootouders in Eritrea maar hij heeft er vervolgens voor gekozen om zelfstandig te vertrekken naar Addis Abeba en later van Addis Abeba naar Egypte te reizen. Dat eiser vanuit Eritrea naar Addis Abeba is vertrokken in het kader van de gezinsherenigingsprocedure betekent niet dat dit niet op vrijwillige basis is geweest. De reis van Addis Abeba naar Egypte heeft eiser ook vrijwillig en zelfstandig genomen. Daarbij komt dat referent heeft verklaard in het gehoor van 12 december 2024 dat hij niet op de hoogte was van de reis van eiser naar Egypte. Dit zegt iets over het contact tussen eiser en referent. Verder heeft eiser ook niet onderbouwd dat er de afgelopen jaren wel sprake was van samenleven door bijvoorbeeld de aard en frequentie van het contact tussen eiser en referent te onderbouwen. De minister heeft er in dit kader op de zitting terecht op gewezen dat de door referent overgelegde screenshots van de whatsappberichten enkel dateren van januari 2026. De rechtbank is het met de minister eens dat uit deze berichten niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van intensief contact tussen eiser en referent over de afgelopen jaren en dat eiser en referent daarom samenleven in gezinsband. De beroepsgrond slaagt niet.



Voorziet eiser in zijn eigen onderhoud?




5. Eiser voert, ten aanzien van zijn zelfstandigheid, aan dat de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Eiser en [persoon 2] hadden in Addis Abeba een kleine ruimte waar zij verbleven met andere vluchtelingen, zij leefden van een liefdadigheidsinstelling en kregen zo nu en dan geld van referent, familie en vrienden. Hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat eiser in Addis Abeba in zijn eigen onderhoud voorzag en als er al sprake was van een bepaalde mate van zelfstandigheid dan was dit noodgedwongen. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024. Eiser heeft Addis Abeba vervolgens wegens de slechte omstandigheden verlaten en is naar Egypte gereisd. Verder voert eiser aan dat tijdens het gehoor niet is gevraagd hoe hij zich staande houdt in Egypte. Ook is niet gevraagd om hierover alsnog nadere informatie/bewijsstukken aan te leveren. Als over de situatie in Egypte vragen waren gesteld, dan was duidelijk geworden dat eiser ook in Egypte financieel wordt onderhouden door referent.




5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen stellen dat eiser niet aan de voorwaarde voldoet dat hij niet in zijn eigen ouderhoud voorziet. Daarvoor is van belang dat eiser in 2023 zelfstandig naar Addis Abeba is gereisd en vervolgens zelfstandig naar Egypte is gegaan. Met name de reisbeweging naar Egypte vormt een sterke contra-indicatie, mede omdat eiser referent hiervan niet op de hoogte heeft gesteld en niet is gebleken dat deze reis noodgedwongen of noodzakelijk was. Bovendien heeft referent in het gehoor van 12 december 2024 verklaard dat eiser en [persoon 2] in Addis Abeba zelf iets hadden geregeld met vrienden waar zij konden slapen. Zij hebben dus zelf in hun onderdak voorzien. Daar komt bij dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij financieel wordt onderhouden door referent of door anderen. De enkele verklaring van referent dat hij geld stuurt vanuit Nederland ‘als het lukt’, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De screenshots die eiser in dit kader heeft overgelegd zijn van betalingen uit januari 2026 en bestrijken geen langere periode. Deze betalingen zeggen daarom niets over de afgelopen elf jaar. Gelet op het voorgaande heeft de minister kunnen stellen dat eiser er in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven en dat hij niet aan de voorwaarde voldoet dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorziet. De beroepsgrond slaagt niet.



Hechte banden met [persoon 2]




6. Tot slot voert eiser aan dat de hechte banden tussen hem en [persoon 2] ten onrechte niet zijn onderzocht en beoordeeld. Er is niet meegenomen dat referent tijdens het gehoor heeft aangegeven dat de band tussen beide broers sterk is, dat zij lang samen hebben gewoond en dat zij elkaars enige volle broers zijn. Als gevraagd zou zijn naar het contact tussen beide, dan had referent kunnen aangeven dat er goed contact is in een groepsapp.




6.1.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser en [persoon 2] niet samen hebben gereisd en dat zij meerdere keren van elkaar gescheiden zijn geweest. Eiser heeft vervolgens de zelfstandige keuze gemaakt om [persoon 2] te verlaten en zelfstandig door te reizen naar Egypte. De verklaringen van referent op de zitting dat er veel contact is tussen de broers doet hier niet aan af nu dit enkel is onderbouwd met drie ongedateerde screenshots van videogesprekken. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. K. Mertens, griffier.



De uitspraak uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.


AWB 18/7092.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Dit staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


Werkinstructie 2020/16, pagina 12.


Verslag gehoor, pagina 3.


ECLI:NL:RVS:2024:2145.


Verslag gehoor, pagina 3.


Verslag gehoor, pagina 3.