Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:6484

2026-03-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.8939 en NL26.8940
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-25
Publicatiedatum
2026-03-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.8939 en NL26.8940
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

art 17 Dvo, interstatelijk vertrouwensbeginsel, discriminatie Duitsland

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.372 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.8939 en NL26.8940


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen





[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Berends),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.





Beoordeling door de rechtbank



Geen zitting



2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.



Waar gaat deze zaak over?



3. Eiseres stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2019 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.



Wat vindt eiseres in beroep?



4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening en het evenredigheidsbeginsel ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens eiseres is er sprake van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor moet worden afgezien van terugkeer naar Duitsland. Eiseres stelt dat ze in verwachting is van haar partner die in Nederland in de asielprocedure zit en in het belang van haar ongeboren kind niet van haar partner wil scheiden. Tot slot stelt eiseres dat ze als zwarte vrouw is gediscrimineerd in Duitsland, dat ze geen toegang kreeg tot voeding of uitkering om voor haar kind te zorgen en dat ze gedreigd werd om haar kind van haar af te nemen



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. Het betoog van eiseres dat overdracht achterwege moet blijven vanwege de tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Duitsland en dat verblijf in Duitsland invloed heeft gehad op haar psychische welzijn, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarnaast is niet gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiseres te behandelen, nu Duitsland vergelijkbare medische voorzieningen kent als Nederland. Eiseres is niet geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder haar asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat haar overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.


6.1.

De verklaringen die eiseres tijdens het aanmeldgehoor heeft aangevoerd, zijn al betrokken in het kader van de vraag of ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder deze omstandigheden niet nogmaals hoeft te betrekken in zijn beoordeling. De stelling van eiseres dat zij, haar kind en ongeboren kind, gescheiden zullen worden van haar partner, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die ertoe leidt dat een overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
Het enkel overleggen van een ID-kaart van haar gestelde partner, een patiëntbericht met de bevestiging van een afspraak bij de verloskundige met een nadere verklaring, acht de rechtbank daarmee onvoldoende als onderbouwing.




6.2.

Voor zover eiseres stelt slecht behandeld te zijn in Duitsland, oordeelt de rechtbank dat eiseres zich hierover dient te wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten. Datzelfde geldt voor de discriminatie die eiseres heeft ervaren. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor haar niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten haar niet zouden kunnen of willen helpen.
Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.





Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

9. Eiseres krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. J. P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel


Bent u het niet eens met deze uitspraak?


Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717 en 27 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1250.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.