Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:6415

2026-03-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.23514
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-20
Publicatiedatum
2026-03-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
NL25.23514
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

verzoek om voorlopige voorziening – verzoek om proceskostenvergoeding – artikel 8:75a van de Awb – aanbod tot proceskostenvergoeding gedaan – tegemoetkomen – verzoek wordt toegewezen als kennelijk gegrond

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.838 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.23514


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) is bepaald dat verzoeker binnen een termijn van vier weken Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland dient te verlaten en moet terugkeren naar Servië.



Verzoeker heeft op 23 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



Verweerder heeft in het beroep met kenmerk NL25.23512 op 30 september 2025 meegedeeld dat hij het bestreden besluit intrekt en dat hij bereid is de proceskosten van verzoeker te vergoeden.



Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.



De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.





Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. Deze bepaling is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb overeenkomstig van toepassing op de intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Nu verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken en in de hoofdzaak uit eigen beweging een aanbod tot proceskostenvergoeding heeft gedaan, mag op grond van vaste jurisprudentie worden aangenomen dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen.

3. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt dan ook als kennelijk gegrond toegewezen. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 1.0).

4. De voorzieningenrechter wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.




Beslissing


De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).




Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




De uitspraak is bekendgemaakt op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.






Algemene wet bestuursrecht.


Besluit proceskosten bestuursrecht.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7551.