Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:6295
2026-03-04
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 26/1273
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2234 Centrale Raad van Beroep 04-07-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.066 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1273
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 28 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 28 januari 2026 de WIA-uitkering en toeslag van verzoeker geschorst vanaf 1 februari 2026, omdat verzoeker onvolledige medewerking zou hebben verleend, waardoor het Uwv niet kan bepalen of verzoeker nog recht heeft op een uitkering en toeslag.
Beoordeling door de rechtbank
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Hij wijst hierbij op de door hem overgelegde bankafschriften. Volgens verzoeker is er sprake van een dreigende broodnoodsituatie waardoor de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Verzoeker verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2019.
4. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de bankafschriften blijkt niet dat de financiële positie zodanig is dat verzoeker de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dit niet. De uitspraak waar verzoeker naar verwijst baat hem niet, nu in die uitspraak ook geen sprake was van een acute financiële noodsituatie.
Conclusie en gevolgen
6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
CRvB 4 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2234, r.o. 9.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1273
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 28 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 28 januari 2026 de WIA-uitkering en toeslag van verzoeker geschorst vanaf 1 februari 2026, omdat verzoeker onvolledige medewerking zou hebben verleend, waardoor het Uwv niet kan bepalen of verzoeker nog recht heeft op een uitkering en toeslag.
Beoordeling door de rechtbank
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Hij wijst hierbij op de door hem overgelegde bankafschriften. Volgens verzoeker is er sprake van een dreigende broodnoodsituatie waardoor de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Verzoeker verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2019.
4. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de bankafschriften blijkt niet dat de financiële positie zodanig is dat verzoeker de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dit niet. De uitspraak waar verzoeker naar verwijst baat hem niet, nu in die uitspraak ook geen sprake was van een acute financiële noodsituatie.
Conclusie en gevolgen
6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
CRvB 4 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2234, r.o. 9.