Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:6295

2026-03-04 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 26/1273
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-04
Publicatiedatum
2026-03-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
SGR 26/1273
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.066 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/1273


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen



[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).





Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 28 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.



1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 28 januari 2026 de WIA-uitkering en toeslag van verzoeker geschorst vanaf 1 februari 2026, omdat verzoeker onvolledige medewerking zou hebben verleend, waardoor het Uwv niet kan bepalen of verzoeker nog recht heeft op een uitkering en toeslag.




Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoeker voert aan dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Hij wijst hierbij op de door hem overgelegde bankafschriften. Volgens verzoeker is er sprake van een dreigende broodnoodsituatie waardoor de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Verzoeker verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2019.

4. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de bankafschriften blijkt niet dat de financiële positie zodanig is dat verzoeker de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dit niet. De uitspraak waar verzoeker naar verwijst baat hem niet, nu in die uitspraak ook geen sprake was van een acute financiële noodsituatie.



Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

CRvB 4 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2234, r.o. 9.