Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:6221
2026-03-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.8657 en NL26.8658
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
onmenselijk behandeld, art 4 Handvest, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA 2024, pushbacks
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2021:1645 Raad van State 29-07-2021
- ECLI:EU:C:2024:195
- ECLI:EU:C:2024:195
- ECLI:NL:RVS:2024:4037 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:5635 Raad van State 21-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.018 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.8657 en NL26.8658
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt afkomstig te zijn uit Westelijke Jordaanoever en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Zijn nationaliteit is onbekend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser stelt dat hij door de Kroatische autoriteiten onmenselijk is behandeld. Hij is in Kroatië onder valse redenen gedwongen om zijn vingerafdrukken af te staan en is verder niet geïnformeerd door de Kroatische autoriteiten. Daarnaast is eiser slachtoffer geworden van pushbacks in Kroatië en hij vreest nogmaals slachtoffer daarvan te worden bij terugkeer. Volgens eiser is klagen bij de Kroatische autoriteiten kansloos, vanwege de taalbarrière en het ontbreken van juridische hulp. De overdracht naar Kroatië is volgens eiser strijdig met artikel 4 van het Handvest, vanwege een reëel risico op een dergelijke behandeling. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van 29 februari 2024 van het Hof. Tot slot stelt eiser, onder verwijzing naar het AIDA country report Croatia (update 2024), dat niet vaststaat dat hij een goed kenbare procedure kan doorlopen in Kroatië. Er is sprake van gebrekkige detentieomstandigheden en faciliteiten. Daarnaast ondervinden Dublinterugkeerders problemen met de beschikbaarheid en kwaliteit van tolken. Eiser stelt dat ten aanzien van Kroatië, gelet op zijn persoonlijke ervaringen en landeninformatie, niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. In de uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling zich uitgelaten over de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. Hoewel uit de bij die Afdelingsuitspraak betrokken landeninformatie blijkt dat pushbacks over het gehele grondgebied van Kroatië (kunnen) worden uitgevoerd en dat Dublinclaimanten niet kunnen worden onderscheiden van andere asielzoekers, heeft de Afdeling geoordeeld dat niet aannemelijk is dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling acht in dit verband van zwaarwegend belang dat uit het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) blijkt dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang te krijgen tot de Kroatische asielprocedure en dat er geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback. De theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, acht de Afdeling onvoldoende om te oordelen dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling heeft dit bevestigd in de uitspraak van 21 november 2025. Eiser heeft geen verdere landeninformatie ingediend en is dus onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er sprake is van structurele tekortkomingen. Eiser heeft weliswaar in zijn beroepsgronden verklaard dat hij te maken heeft gehad met pushbacks en onmenselijk is behandeld, maar eiser heeft niet verklaard dat hij heeft geprobeerd om over zijn situatie te klagen bij de Kroatische autoriteiten om zo zijn situatie te verbeteren. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk was. De verklaringen van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan bovendien over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen (vergelijk de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
7. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. J. P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195).
Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.8657 en NL26.8658
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt afkomstig te zijn uit Westelijke Jordaanoever en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Zijn nationaliteit is onbekend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser stelt dat hij door de Kroatische autoriteiten onmenselijk is behandeld. Hij is in Kroatië onder valse redenen gedwongen om zijn vingerafdrukken af te staan en is verder niet geïnformeerd door de Kroatische autoriteiten. Daarnaast is eiser slachtoffer geworden van pushbacks in Kroatië en hij vreest nogmaals slachtoffer daarvan te worden bij terugkeer. Volgens eiser is klagen bij de Kroatische autoriteiten kansloos, vanwege de taalbarrière en het ontbreken van juridische hulp. De overdracht naar Kroatië is volgens eiser strijdig met artikel 4 van het Handvest, vanwege een reëel risico op een dergelijke behandeling. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van 29 februari 2024 van het Hof. Tot slot stelt eiser, onder verwijzing naar het AIDA country report Croatia (update 2024), dat niet vaststaat dat hij een goed kenbare procedure kan doorlopen in Kroatië. Er is sprake van gebrekkige detentieomstandigheden en faciliteiten. Daarnaast ondervinden Dublinterugkeerders problemen met de beschikbaarheid en kwaliteit van tolken. Eiser stelt dat ten aanzien van Kroatië, gelet op zijn persoonlijke ervaringen en landeninformatie, niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. In de uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling zich uitgelaten over de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. Hoewel uit de bij die Afdelingsuitspraak betrokken landeninformatie blijkt dat pushbacks over het gehele grondgebied van Kroatië (kunnen) worden uitgevoerd en dat Dublinclaimanten niet kunnen worden onderscheiden van andere asielzoekers, heeft de Afdeling geoordeeld dat niet aannemelijk is dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling acht in dit verband van zwaarwegend belang dat uit het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) blijkt dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang te krijgen tot de Kroatische asielprocedure en dat er geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback. De theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, acht de Afdeling onvoldoende om te oordelen dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling heeft dit bevestigd in de uitspraak van 21 november 2025. Eiser heeft geen verdere landeninformatie ingediend en is dus onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er sprake is van structurele tekortkomingen. Eiser heeft weliswaar in zijn beroepsgronden verklaard dat hij te maken heeft gehad met pushbacks en onmenselijk is behandeld, maar eiser heeft niet verklaard dat hij heeft geprobeerd om over zijn situatie te klagen bij de Kroatische autoriteiten om zo zijn situatie te verbeteren. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk was. De verklaringen van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan bovendien over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen (vergelijk de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
7. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. J. P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195).
Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.