Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:6114

2026-02-19 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/679854 / FA RK 25-910
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-19
Publicatiedatum
2026-03-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/679854 / FA RK 25-910
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gezagsuitoefening, bijzondere curator

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.098 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-910
Zaaknummer: C/09/679854
Datum beschikking: 19 februari 2026


Gezagsuitoefening, bijzondere curator



Beschikking op het op 6 februari 2025 ingekomen verzoek van:




[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.G. Nieman in Leiden.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.D. Wassink in Zoetermeer.




Procedure
Bij de beschikking van 1 april 2025 van deze rechtbank is een informatieregeling bepaald en zijn de vader en de moeder doorverwezen voor deelname aan de trajecten Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling, en is iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang en de proceskosten aangehouden tot 1 november 2025 pro forma.


De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- het aanvullend verzoekschrift van 29 april 2025;
- het aanvullend verweerschrift van 6 mei 2025;
- het F9-formulier van 16 mei 2025, van de vader;
- het F9-formulier van 3 juni 2025, van de vader;
- het F9-formulier van 5 juni 2025, met bijlage, van de moeder;
- het F9-formulier van 13 augustus 2025, van de vader;
- het F9-formulier van 18 augustus 2025, van de vader;
- het F9-formulier van 1 september 2025, van de vader;
- het F9-formulier van 23 september 2025, met bijlage, van de moeder;
- het F9-formulier van 24 september 2025, met bijlage, van de vader;
- het F9-formulier van 30 september 2025, met bijlage, van de moeder;
- het verslag van Cardea van 27 oktober 2025;
- het F9-formulier van 31 oktober 2025, van de vader;
- het F9-formulier van 11 november 2025, met bijlage, van de moeder;
- het verslag van Cardea van 5 januari 2026;
- het F9-formulier van 7 januari 2026, met bijlage, van de vader.


Op 13 januari 2025 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.



Aanvullend verzoek en verweer
De vader verzoekt aanvullend:


een verhuisverbod voor de moeder (en [de minderjarige] ) op straffe van een éénmalige dwangsom van € 100.000 euro, althans een goede in justitie te bepalen bedrag;


het benoemen van een bijzondere curator over [de minderjarige] op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW).




De moeder heeft aanvullend verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling


Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken


Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen in het geval van
gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of
een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van het tweede lid van
voornoemd artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen en regeling
vaststellen. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en
opvoedingstaken (zorgregeling) omvatten.




Standpunt vader

Na afloop van de vorige zitting heeft de vader zich direct aangemeld bij BOR Humanitas. De moeder heeft nagelaten om dit te doen. Ook heeft het een aantal weken geduurd voordat de moeder zich heeft aangemeld bij Cardea waardoor de begeleide omgang later is gestart. De door Cardea begeleide omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de vader verlopen goed. De omgangsmomenten zijn echter een aantal keer afgezegd, onder andere door ziekenhuisopnames van [de minderjarige] . De moeder wil de omgangsmomenten van maandag naar woensdag verplaatsen ook nadat de vader heeft aangegeven dat dit voor hem niet mogelijk is vanwege zijn werk. De vader ziet graag dat de begeleide omgangsmomenten worden uitbreid naar onbegeleide omgang en in frequentie en duur zoals door hem is verzocht. De vader meent dat de moeder probeert om [de minderjarige] zo lang mogelijk aan het gezag van de vader te onttrekken. Door de moeder is onder meer gedreigd met een verhuizing buiten [plaats] terwijl de vader daar geen toestemming voor zal geven. De vader verzoekt daarom een verhuisverbod. De moeder is daarnaast niet bereid om informatie over [de minderjarige] met hem te delen. De informatie die hij ontvangt krijgt hij van de grootmoeder moederszijde, is summier en niet altijd actueel. Bovendien mist [de minderjarige] noodzakelijke medische behandelingen, veel school en is het hulpverleningstraject bij Kentalis is nog niet gestart.




Standpunt moeder

De moeder benoemt dat de vader veel onwaarheden stelt en probeert om haar in een kwaad daglicht te zetten. Er is geen sprake van een verhuizing zoals de vader stelt. De moeder heeft daarnaast zowel BOR Humanitas als Cardea ingeschakeld. Cardea is inmiddels betrokken bij de begeleide omgangsmomenten tussen de vader en [de minderjarige] . Een aantal omgangsmomenten zijn niet doorgegaan vanwege de ernstige astma van [de minderjarige] . Hiervoor is [de minderjarige] de afgelopen periode meerdere keren opgenomen geweest in het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft geadviseerd om de begeleide omgangsmomenten niet door te laten gaan, omdat [de minderjarige] – gedurende twee weken – een medicatiespiegel moest opbouwen en zo min mogelijk contact met andere mocht hebben. Dit is ook de reden van haar schoolverzuim. De moeder staat achter de begeleide omgangsmomenten en wil dat dit wordt voortgezet en opgebouwd. Hierbij is het van belang dat dit voorzichtig gebeurd en rekening wordt gehouden met de gezondheid van [de minderjarige] . De moeder vindt het nu te vroeg om akkoord te gaan met de door de vader verzochte omgangsregeling waarbij [de minderjarige] om het weekend een nacht bij hem slaapt. Hiervoor heeft de moeder eerst meer vertrouwen in de vader nodig en dienen de gesprekken tussen hen beter te verlopen. [de minderjarige] is aangemeld voor logopedie bij Kentalis, maar de hulpverlening wordt echter belemmerd doordat de vader weigert om zijn toestemming te geven voor het aanvragen van een ID-kaart voor [de minderjarige] . Ook heeft de vader in het ziekenhuisaccount van [de minderjarige] de gegevens van de moeder verwijderd en die van hemzelf ingevoerd wat voor problemen heeft gezorgd.




Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is gebleken dat er slechts een summier aantal begeleide omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de vader heeft plaatsgevonden. Uit het verslag van Cardea blijkt dat deze omgangsmomenten positief zijn verlopen. Cardea meent dat het belangrijk is dat [de minderjarige] en de vader hun band verder kunnen opbouwen. Cardea is naast de begeleide omgangsmomenten ook betrokken voor het inzetten van ouderschapsbemiddeling. De ouderschapsbemiddeling is echter onvoldoende van de grond gekomen vanwege de ernstig verstoorde verstandhouding tussen de vader en de moeder. Het is voor Cardea onduidelijk of de vader en de moeder voldoende emotionele ruimte hebben om te werken aan deze verstandhouding. Vanwege de houding en het gebrek aan inzet van beide ouders voor het traject heeft Cardea moeten besluiten om de ouderschapsbemiddeling vroegtijdig te stoppen. Cardea adviseert een ondertoezichtstelling en de daarbij komende betrokkenheid van een jeugdbeschermer zodat er meer zicht komt op hoe het gaat met [de minderjarige] en het waarborgen van het contact tussen haar en de vader.



Ten aanzien van het opbouwen van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting hebben beide ouders aangegeven dat zij achter het contact tussen [de minderjarige] en de vader staan en is gebleken dat Cardea bereid is om de omgangsmomenten te blijven begeleiden. De moeder ziet het vooralsnog niet zitten dat de omgang wordt uitgebreid en onbegeleid plaatsvindt zoals door de vader is verzocht. Zij wil dat de uitbreiding van het contact onder leiding en regie van Cardea verloopt. De rechtbank heeft op zitting de indruk gekregen dat de moeder uitbreiding van het contact aankan en dat het redelijk is om van haar hiervoor medewerking te verwachten nu de omgangsmomenten die zijn doorgegaan positief zijn verlopen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de begeleide omgang onder regie van Cardea wordt voortgezet en dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang van een dagdeel per week met ingang van 1 mei as. Deze regeling is in overeenstemming met wat al eerder door de rechtbank is bepaald in de beschikking van 1 april 2025 nu de begeleide omgang goed verloopt. De rechtbank herhaalt nog eens dat het voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat zij onbelast contact kan hebben met haar beide ouders. Het is daarvoor onder meer noodzakelijk dat [de minderjarige] emotionele toestemming vanuit de moeder ervaart om prettig contact met de vader te hebben.



De rechtbank verzoekt -en zal ook zo bepalen- Cardea om door te gaan met begeleiding van opbouw van het contact tussen [de minderjarige] en haar vader en het er toe te leiden dat dit contact vanaf 1 mei 2026 voor één dagdeel per week onbegeleid plaatsvindt. Welk dagdeel dit is wordt onder regie van Cardea vastgesteld. De rechtbank zal verder bepalen dat met ingang van 1 oktober 2026 een overnachting plaatsvindt bij de vader per veertien dagen, zoals door de vader verzocht en zoals nader omschreven in het dictum. De rechtbank merkt nog op dat het ter zitting nog niet duidelijk was of en wanneer een (beschermings)onderzoek door de Raad zou plaatsvinden. De Raad was ter zitting niet vertegenwoordigd. Voor het volgen en zo nodig begeleiden van de opbouw van de zorgregeling én voor opnieuw investeren ouderschapsbemiddeling acht de rechtbank echter tussenkomst van de Raad -in samenspraak met Cardea- noodzakelijk.




Dwangsom


Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het vijfde lid van deze wetsbepaling kan de rechtbank op verzoek, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, indien het belang van het kind zich daartegen niet verzet.




Standpunt vader

De vader meent dat de moeder zich niet aan de afspraken en de beschikking van 1 april 2025 houdt. Het opleggen van een dwangsom van € 100,- per keer is noodzakelijk als prikkel tot nakoming. Ook verzoekt hij om een huisverbod op straffe van een éénmalige dwangsom van € 100.000 euro, althans een goede in justitie te bepalen bedrag.




Standpunt moeder

De moeder benoemt dat zij zich houdt aan de informatieverplichting en er geen sprake is van verhuisplannen.




Inhoudelijke beoordeling dwangsom

Op de zitting hebben beide partijen aangegeven zich in te willen spannen om het contact tussen de vader en [de minderjarige] verder uit te breiden. Zij verschillen echter van de manier waarop en onder welk tempo dit moet gebeuren. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de uitvoering van de contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige] . Daarnaast heeft de moeder op de zitting aangegeven niet te willen verhuizen, zodat geen aanleiding bestaat haar een huisverbod op te leggen met een dwangsom. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader afwijzen.




Bijzondere curator

Ingevolge artikel 1:250 BW kan de rechtbank, een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige – de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.




Standpunt vader

De vader maakt zich ernstig zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige] en vindt een beschermingsonderzoek noodzakelijk. De benoeming van een bijzondere curator is volgens de vader van belang, omdat het uitvoeren van een beschermingsonderzoek lang op zich kan laten wachten, terwijl een bijzondere curator direct aan de slag kan. Het gezag van de vader wordt door de moeder ondermijnt – bijvoorbeeld door het weigeren van toestemming voor het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] – alsook de inzet van de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] wordt door haar belemmert. De betrokkenheid van een onafhankelijke derde is dringend noodzakelijk.




Standpunt moeder

De moeder ziet geen aanleiding voor het benoemen van een bijzondere curator, omdat er geen sprake is van tegenstrijdige belangen tussen [de minderjarige] en (één van) de ouders. De moeder is bereid medewerking te verlenen aan het hulpverleningstraject van Cardea en acht een ondertoezichtstelling niet aan de orde. Ze is in staat om de zorg- en opvoedtaken van [de minderjarige] naar behoren op zich te nemen.




Inhoudelijke beoordeling bijzonder curator

De rechtbank ziet geen aanleiding een bijzondere curator op grond van 1:250 BW te benoemen. Zoals hiervoor is overwogen wordt een (voorlopige) zorgregeling vastgelegd en staan beide ouders achter de uitbreiding van het contact tussen de vader en [de minderjarige] . Alleen verschillen zij van mening hoe deze uitbreiding tot stand moet komen. Er is daarom geen sprake van tegenstrijdige belangen in de zin van artikel 1:250 BW, op grond waarvan de rechtbank geen aanleiding ziet om een bijzondere curator te benoemen. Het is aan de ouders om uitvoering te geven aan bovengenoemde (opbouwende) zorgregeling om zo het contact tussen de vader en [de minderjarige] verder uit te breiden. Het verzoek van de vader wordt afgewezen.




Beslissing
De rechtbank:


*
bepaalt dat voor [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , de volgende zorgregeling zal gelden:



voorlopig, vanaf heden, zal [de minderjarige] anderhalf uur contact per week met de vader hebben onder begeleiding van Cardea, waarbij onder de regie van Cardea moet worden toegewerkt naar onbegeleid contact;


met ingang van 1 mei 2026 zal [de minderjarige] één -onder regie van Cardea vast te stellen- dagdeel per week onbegeleid bij de vader verblijven;


met ingang van 1 oktober 2026 zal [de minderjarige] om het weekend op zaterdagmiddag van 15:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de vader zijn;




*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben - de Vries, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2026.