Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:5906

2026-03-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.14733
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-17
Publicatiedatum
2026-03-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
NL26.14733
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Landelijk piket – bezwaar tegen de feitelijke overdracht – geen beroep tegen het overdrachtsbesluit – geen gewijzigde feiten en omstandigheden – bezwaar geen redelijke kans van slagen – verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.489 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.14733


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Dogan),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).




Procesverloop


Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem over te dragen aan Kroatië op woensdag 18 maart om 12:45 uur.



Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het bezwaarschrift niet wordt overgedragen.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.





Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De mededeling aan verzoeker over de voorgenomen overdracht is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.

2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Gelet op het feit dat de voorgenomen overdracht van verzoeker op zeer korte termijn gepland staat, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik.



Standpunt van verzoeker



3. Verzoeker stelt dat de voorgenomen overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder mag niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Verzoeker stelt daar geen toegang te hebben tot rechtsbijstand en tot klagen bij de Kroatische autoriteiten. Hij heeft een kwetsbare positie gelet op zijn politieke voorkeur. Hij vreest voor vervolging en kan geen hulp of bescherming inroepen van de Kroatische autoriteiten. Niet alleen is er sprake van discriminatie, daarnaast blijkt de Kroatische overheid niet bereid te zijn om aan de Dublinverordening of de Opvangrichtlijn te voldoen. Verzoeker verwijst naar een artikel van the Guardian van 10 oktober 2024 en de vragen van het Europees Parlement naar aanleiding hiervan. Ook beroept hij zich op een rapport van No Name Kitchen van oktober 2024, het AIDA-rapport van juli 2024 en het VN-rapport ‘concluding observations on the fourth periodic report of Croatia’ van 11 september 2024.



Beoordeling door de voorzieningenrechter



4. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt is tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van een dergelijk bezwaar mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. In dat geval moet de vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten aanzien van wat hij heeft aangevoerd (of had kunnen aanvoeren) tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder met het besluit van 28 januari 2026 de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling heeft genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de beoordeling daarvan. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen dit overdrachtsbesluit. Hierdoor staat het overdrachtsbesluit in rechte vast en hieruit vloeit de bevoegdheid tot overdracht voort. Verzoeker voert in dit verzoek gronden aan die gaan over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Zijn standpunt komt er in de kern op neer dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan ten aanzien van Kroatië. Die gronden had verzoeker echter kunnen en moeten aanvoeren (in het beroep) tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot overdracht voortvloeit (het overdrachtsbesluit). Hij heeft echter geen beroep ingesteld tegen dit besluit, en dat komt voor rekening van verzoeker. Dit betekent dat het op de weg van verzoeker ligt om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren ten opzichte van wat hij tegen het overdrachtsbesluit al heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiervan geen sprake is met wat verzoeker nu aanvoert.

6. Als geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, of als het aangevoerde niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden. Dit is slechts anders als zich een geval voordoet zoals bedoeld in het arrest Bahaddar. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.

7. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen redelijk kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, uitgesproken op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch
meegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 17 maart 2026 om 16:13 uur en aan de
gemachtigde van verweerder op 17 maart 2026 om 16:15 uur.




De uitspraak is bekendgemaakt op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Vreemdelingenwet 2000.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Verordening (EU) nr. 604/2013.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:837.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3405.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.