Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:5739

2026-03-18 Civiel recht C/09/659832 / HA ZA 24-53
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-18
Publicatiedatum
2026-03-18
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/659832 / HA ZA 24-53
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Klimaatzaak Bonaire. Herstelvonnis. Verzoek om herstel van kennelijke schrijffouten in rechtsoverweging 12.2 van het dictum. Het vonnis bevat geen kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen. Het verzoek wordt afgewezen. ECLI:NL:RBDHA:2026:1344 - het originele vonnis ECLI:NL:RBDHA:2026:1347 - vertaling originele vonnis in het Engels ECLI:NL:RBDHA:2026:1348 - vertaling originele vonnis in het Papiaments ------------------------- ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 - Engelse vertaling van het herstelvonnis.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.084 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaaknummer: C/09/659832 / HA ZA 24-53




Herstelvonnis van 18 maart 2026




in de zaak van




STICHTING GREENPEACE NEDERLAND te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Greenpeace,
advocaten: mr. M.R.S. Bacon en mr. E.W. Jurjens,



tegen




DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministeries van Klimaat en Groene Groei, Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. E.H.P. Brans en mr. K. Winterink.






1Het verzoek tot verbetering


1.1.
Op 2 maart 2026 hebben mr. Bacon en mr. Jurjens namens Greenpeace de rechtbank verzocht om verbetering van het op 28 januari 2026 in deze zaak gewezen vonnis (hierna: het vonnis) op twee onderdelen:


In rechtsoverweging 12.2 van het dictum van het vonnis wordt de Staat bevolen om “binnen achttien maanden na dit vonnis in elk geval absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Overeenkomst van Parijs in nationale regelgeving op te nemen”. Greenpeace meent dat zowel uit de overwegingen van het vonnis (onder meer rechtsoverwegingen 11.13.1 en 11.13.2) als uit de respectievelijke formuleringen van artikel 4 lid 1 en artikel 4 lid 4 van de Overeenkomst van Parijs volgt dat in het dictum artikel 4 lid 4 van de Overeenkomst van Parijs had moeten staan en niet lid 1. In zoverre is er volgens Greenpeace sprake van een kennelijke schrijffout die zich voor eenvoudig herstel leent. Greenpeace verzoekt de rechtbank deze fout te herstellen op grond van het bepaalde in artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).


In rechtsoverweging 11.58 van het vonnis oordeelt de rechtbank dat het door Greenpeace onder VI gevorderde bevel om binnen zes maanden een nationaal carbonbudget vast te stellen niet toegewezen kan worden. De rechtbank wijst vervolgens het mindere toe, door te bevelen dat de Staat inzichtelijk moet maken wat de (resterende) emissieruimte voor Nederland is. Greenpeace meent dat de rechtbank in de tweede alinea van rechtsoverweging 11.58 hieraan een termijn van zes maanden na het vonnis heeft verbonden door te overwegen dat de gevorderde termijn van zes maanden na dit vonnis de rechtbank redelijk voorkomt, omdat de onderliggende informatie volgens de Staat al beschikbaar is. In rechtsoverweging 12.2 van het dictum beveelt de rechtbank de Staat vervolgens om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Gezien het voorgaande meent Greenpeace dat het helder is dat de Staat binnen zes maanden na het vonnis dient te voldoen aan dit deel van het bevel in rechtsoverweging 12.2 van het dictum van het vonnis. Greenpeace merkt op dat als de rechtbank (ook) de Staat in het dictum had willen bevelen om binnen zes maanden na dit vonnis de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken, artikel 31 lid 1 Rv de rechtbank ruimte geeft om ambtshalve een kennelijke schrijffout in het vonnis te herstellen.




1.2.
Op 4 maart 2026 heeft mr. Brans namens de Staat aan de rechtbank laten weten geen bezwaar te hebben tegen de in 1.1 onder 1 verzochte wijziging. De Staat heeft hierbij te kennen gegeven dat het ook zijn inschatting is dat de rechtbank in rechtsoverweging 12.2 van het vonnis heeft bedoeld te verwijzen naar artikel 4 lid 4 van de Overeenkomst van Parijs.



1.3.
De Staat maakt wel bezwaar tegen de in 1.1 onder 2 verzochte wijziging. Onder verwijzing naar artikel 31 lid 1 Rv stelt de Staat zich op het standpunt dat geen sprake is van een kennelijke schrijffout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dat is volgens de Staat onder meer het geval omdat het inzichtelijk maken van de (resterende) emissieruimte voor Nederland samenhangt met de reductiedoelen voor de gehele economie die op basis van rechtsoverweging 12.2 door de Staat moeten worden vastgesteld binnen achttien maanden na het vonnis. Daarmee gaat het toevoegen van het door Greenpeace voorgestelde tijdspad van zes maanden aan rechtsoverweging 12.2 volgens de Staat verder dan het herstellen van een kennelijke schrijffout die zich voor eenvoudig herstel leent.





2De beoordeling


2.1.
Op grond van artikel 31 lid 1 Rv verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.



2.2.
Ten aanzien van het in 1.1 onder 1 verzochte herstel overweegt de rechtbank dat zij in rechtsoverweging 12.2 van het dictum heeft verwezen naar artikel 4 lid 1 van de Overeenkomst van Parijs waarin de algemene voor alle lidstaten geldende norm is opgenomen. De rechtbank heeft op deze plaats in het vonnis niet willen verwijzen naar artikel 4 lid 4 van de Overeenkomst van Parijs waarin meer specifiek de norm voor de ontwikkelde landen (de zogenoemde ‘fair share’) is vervat (gelet op het in rechtsoverweging 11.13.4 overwogene). De vermelding van artikel 4 lid 1 van de Overeenkomst van Parijs in rechtsoverweging 12.2 van het dictum van het vonnis is dus geen kennelijke fout, zodat het verzoek tot wijziging van het vonnis op dit punt niet voor toewijzing vatbaar is.



2.3.
Ten aanzien van het in 1.1 onder 2 verzochte herstel overweegt de rechtbank dat rechtsoverweging 12.2 van het dictum van het vonnis evenmin een fout bevat en de vermelding van een termijn van achttien maanden juist is. De rechtbank ziet dat deze rechtsoverweging en rechtsoverweging 11.58 van het vonnis niet op elkaar aansluiten en niet verder is gemotiveerd waarom de in de beslissing gegeven periode voor nakoming van het bevel passend is. Bij de afronding van het vonnis is iets misgegaan met de tekst van rechtsoverweging 11.58. Daarbij is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent echter geen sprake.



2.4.
Gezien het voorgaande is in rechtsoverweging 12.2 van het vonnis van 28 januari 2026 geen sprake van fouten. De rechtbank zal het verzoek van Greenpeace tot verbetering van het vonnis dan ook afwijzen.





3De beslissing


De rechtbank|:



3.1.
wijst het verzoek van Greenpeace tot verbetering van het op 28 januari 2026 tussen partijen gewezen vonnis af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten, mr. P. Dondorp en mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.









1366