Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:4695

2026-02-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/684380 / FA RK 25-3197
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-06
Publicatiedatum
2026-03-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/684380 / FA RK 25-3197
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, bijzondere curator en kinderalimentatie.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (65.492 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-3197
Zaaknummer: C/09/684380
Datum beschikking: 6 februari 2026



Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, bijzondere curator en kinderalimentatie



Beschikking op het op 29 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:




[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Jongkoen in 's-Gravenhage.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink in 's-Gravenhage.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift, met bijlagen;


het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen op 13 juni 2025;


het bericht van 26 juni 2025 van de zijde van de vader, met bijlage;


het bericht van 18 december 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen;


het bericht van 29 december 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;


het bericht van 9 januari 2026 van de zijde van de moeder.




De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar is wegens ziekte niet verschenen.



Op 9 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vader, bijgestaan door zijn advocaat;


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).




Namens de vader zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgehouden.




Feiten


De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2014 tot [datum 2] 2024.


Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .


De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.



[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.


Bij beschikking van 29 mei 2024 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is de echtscheiding uitgesproken en zijn het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant in de beschikking opgenomen.


In het op 18 april 2024 ondertekende ouderschapsplan – voor zover hier relevant – zijn de ouders het volgende overeengekomen:


- artikel 3 verzorging en opvoeding

3.1

De ouders zijn de zorg/contactregeling overeengekomen zoals opgenomen in
bijlage 1.



3.2

De ouders kunnen de zorgregeling in onderling overleg aanpassen.
- artikel 7 kinderalimentatie



7.1

Met ingang van 31 mei 2024 en zolang het kind bij de vrouw woont, betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor het minderjarige kind van € 347,- per kind. Deze bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke
indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2025.



7.2

De in artikel 7.1 vastgestelde alimentatie is gebaseerd op een netto besteedbaar
gezinsinkomen ad € 4.302,- per maand. Daarmee correspondeert een eigen
aandeel in de kosten van het kind ad € 603,- per maand. De draagkracht van de
vader is berekend op basis van zijn belastbaar loon van € 44.274,- en de
draagkracht van de moeder is berekend op basis van haar belastbaar loon van
€ 23.945,-.
(…).
In bijlage 1 bij het ouderschapsplan is het volgende opgenomen:










Verzoek en verweer
De vader verzoekt, na aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


te bepalen dat [minderjarige] in de even weken bij de vader verblijft en in de oneven weken bij de moeder, met het wisselmoment op maandag om 9.00 uur, althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;


een regeling te bepalen voor de vakantie-, feest- en bijzondere dagen conform het voorstel van de vader in productie 6 van het verzoekschrift, waarbij de vakanties steeds aanvangen op vrijdag om 17.00 uur en eindigen op zondag om 17.00 uur, althans een regeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;


een bedrag aan kinderalimentatie te bepalen van € 321,- per maand door de vader aan de moeder bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen, althans een bedrag aan kinderalimentatie dat de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;


voorwaardelijk, indien de rechtbank vooralsnog geen reden ziet om de zorgregeling aan te passen, een bijzondere curator te benoemen om een passende zorgregeling te onderzoeken.




De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling


Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Op de zitting hebben de ouders gedeeltelijke overeenstemming bereikt over de vakantie- en feestdagenregeling. De moeder is akkoord met het voorstel van de vader, op de aanvangs- en eindtijd van de vakanties na. Daarnaast wil de moeder dat de ouders uiterlijk acht werkdagen van tevoren met elkaar in overleg treden over de exacte aanvangstijd en wijze van overdracht.



De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het feit dat de communicatie tussen de ouders op dit moment niet soepel loopt, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de start en het einde van de vakantie via school loopt en zal daarom bepalen dat de vakantie begint op vrijdag uit school en eindigt op maandag naar school. Indien een vakantie twee weken of langer is, zal het wisselmoment op zaterdag om 12.00 uur zijn. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om te bepalen dat de ouders uiterlijk acht werkdagen van tevoren met elkaar in overleg treden over de exacte aanvangstijd en wijze van overdracht.



De ouders hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een eventuele uitbreiding van de reguliere zorgregeling. Op dit moment geven de ouders uitvoering aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] om de week van donderdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader is.



De vader heeft aangegeven dat er sinds het moment dat de ouders het ouderschapsplan zijn overeengekomen, een hoop is veranderd. Hij had toen geen zelfstandige woonruimte, maar inmiddels woont hij samen met zijn nieuwe partner en haar dochter. Hierdoor heeft hij nu wel geschikte woonruimte om [minderjarige] volgens een 50/50 regeling bij zich te hebben, wat de vader graag wil. Volgens de vader heeft [minderjarige] bij hem ook aangegeven dat hij meer bij de vader wil zijn. Een 50/50 zorgregeling is volgens de vader goed uitvoerbaar en passend in het belang van [minderjarige] . Dat [minderjarige] , zoals de moeder aanvoert (zie hierna), nier meer kwantitatieve tijd met de vader wil doorbrengen, maar alleen kwalitatief meer tijd, herkent de vader in zijn geheel niet.



De moeder heeft aangevoerd dat [minderjarige] last heeft van de huidige situatie, waaronder het feit dat er sinds de scheiding van de ouders 2 huizen zijn waar verschillende opvoedstijlen worden gehanteerd. Volgens de moeder heeft [minderjarige] er daarnaast behoefte aan dat wanneer hij bij de vader is, er meer één op één tijd is (nu [minderjarige] zowel bij haar als de tekencoach heeft aangegeven dat hij het lastig vindt om zijn vader te moeten delen met de dochter van de nieuwe partner van de vader). Er dient in het belang van [minderjarige] eerst meer rust, structuur en duidelijkheid te komen voordat er tot een uitbreiding van de zorgregeling kan worden overgegaan, aldus de moeder. Daarnaast denkt de moeder dat het goed voor [minderjarige] zou zijn als hij een vorm van speltherapie aangeboden krijgt om de scheiding en de daarmee gepaard gaande onzekerheden te kunnen verwerken.



Met betrekking tot het inschakelen van hulpverlening voor [minderjarige] heeft de vader nog aangegeven dat hij daarin terughoudend is. Hij wil zonder diagnose geen therapie starten voor [minderjarige] , nu hij hem niet wil overbelasten en overvragen.



De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting is het verzoek van de vader besproken om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen, die kan gaan kijken naar zowel de zorgregeling als de eventuele behoefte van [minderjarige] aan hulpverlening. Gebleken is dat de moeder het met dit verzoek van de vader eens is. Op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als in aangelegenheden betreffende verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.



Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:250 BW. De ouders verschillen niet alleen van mening over welke zorgregeling in zijn belang is, maar ook over hoe het nu precies met [minderjarige] gaat (en of hij als gevolg daarvan bepaalde hulpverlening nodig heeft).



De rechtbank heeft mevrouw mr. J.E.C. Verhoeff bereid gevonden om als bijzondere
curator voor [minderjarige] op te treden. De bijzondere curator is onafhankelijk en zij moet [minderjarige] vertegenwoordigen en zijn belangen behartigen. Concreet verzoekt de rechtbank de bijzondere curator te onderzoeken:



wat speelt er bij [minderjarige] in het kader van de zorgregeling, en – voor zover dat mogelijk is – kan de bijzonder curator aangeven welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is?


acht de bijzondere curator hulpverlening voor [minderjarige] in zijn belang? Zo ja, welke hulpverlening?




Van de bijzondere curator wordt verwacht dat zij, na inzicht te hebben verkregen in bovengenoemde vragen, de mening van [minderjarige] naar voren brengt. Het staat de bijzondere curator vrij om tussen de vader, de moeder en [minderjarige] te bemiddelen en te proberen om tot een door hen allen gedragen oplossing te komen. Verder staat het de bijzondere curator vrij, indien zij dit nodig acht, informatie over [minderjarige] op te vragen bij derden, om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de situatie en te kunnen bepalen wat in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders hun volledige medewerking zullen verlenen aan het onderzoek door de bijzondere curator en op haar eerste verzoek de gevraagde informatie zullen verstrekken en zullen reageren op uitnodigingen om met haar in gesprek te gaan.



De rechtbank verzoekt de ouders hun telefoonnummer en e-mailadres zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval uiterlijk vóór 13 februari 2026, naar de bijzondere curator te sturen (naar het in het dictum van deze beschikking opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator hen kan uitnodigen voor een eerste gesprek.



De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op 15 juli 2026 schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen aan de rechtbank en aan de ouders, waarop de ouders binnen twee weken kunnen reageren. De rechtbank zal na ontvangst van het schriftelijke verslag van de bijzondere curator, zo nodig, een behandeling op een zitting plannen waarvoor de ouders en de bijzondere curator zullen worden opgeroepen.



De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] om de zorgregeling te wijzigen voordat zorgvuldig is onderzocht wat zijn belang is. De reguliere zorgregeling zoals de ouders deze thans uitvoeren zal de rechtbank daarom als voorlopig zorgregeling vastleggen. De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de zorgregeling pro forma aanhouden tot 1 augustus 2026.




Ouderschapsbemiddeling

De rechtbank heeft met de ouders en hun advocaten besproken dat zij het, net als de Raad, van belang acht dat de ouders gaan deelnemen aan het hulpverleningstraject
Ouderschapsbemiddeling. Dit om te gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie. Beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 13 januari 2026 al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.



De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.



Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:



welke zorgregeling is volgens de Raad het meest in het belang van [minderjarige] ?


is (nadere) hulpverlening voor de ouders en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?


Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.



Kinderalimentatie


Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:401 eerste lid BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden
ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.



De rechtbank is van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie, omdat de ouders niet alleen feitelijk een andere zorgregeling zijn gaan uitvoeren dan is vastgelegd in het ouderschapsplan (ten gevolge waarvan de vader een groter aandeel in de zorg voor de kinderen heeft gekregen), maar de vakanties vanaf nu ook bij helfte zullen worden verdeeld.




Inhoudelijke beoordeling


Ingangsdatum

Vanwege proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over de ingangsdatum beslissen.



De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 1:402 eerste lid BW volgt dat ten aanzien van iedere alimentatiebeslissing de ingangsdatum moet worden bepaald. De wetgever laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:



de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;


de datum van indiening van het verzoekschrift;


de datum van de beschikking.




Volgens vaste jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1769 en ECLI:NL:PHR:2021:818) moet behoedzaam gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om een kinderalimentatie over een periode in het verleden en dus met terugwerkende kracht te wijzigen. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van zodanige omstandigheden die wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om de datum van deze beschikking, te weten 6 februari 2026, als
ingangsdatum te hanteren voor de eventuele wijziging van de kinderalimentatie.




Behoefte

De ouders zijn het er over eens dat de behoefte van [minderjarige] € 643,- per maand bedroeg in 2025. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte van [minderjarige] € 673,- per maand.




Draagkracht vader

De moeder erkent het door de vader genoemde huidige inkomen aan zijn zijde.



De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de vader daarom uit van een inkomen van € 3.763,- bruto per maand. Dit bedrag wordt vermeerderd met de uitbetaling van het Individueel Keuzebudget (IKB) van € 615,- bruto per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met:



de pensioenpremie van € 235,- per maand;


een aanvullende pensioenpremie / WIA van € 4,- per maand;


een netto werknemerspremie van € 17,- per jaar.




Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:



de algemene heffingskorting;


de arbeidskorting;


de inkomensafhankelijke combinatiekorting.




De rechtbank rekent met periode 2025-II, zoals op de zitting met de ouders is besproken.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader op € 3.463,- per maand, en zijn draagkracht voor kinderalimentatie op € 780,- per maand.




Draagkracht moeder

Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een WIA-uitkering van € 1.957,- bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%.



Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.



Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting.


De rechtbank rekent met periode 2025-II, zoals op de zitting met de ouders is besproken.
De rechtbank berekent het NBI van de moeder op € 2.104,- per maand en haar draagkracht voor kinderalimentatie op € 117,- per maand.




Zorgkorting

Wat betreft de zogenoemde zorgkorting volgt de rechtbank de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg.



Omdat de vader gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige] , geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 236,- per maand.




Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 897,- per maand (€ 780,- + € 117,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 780 / 897 x 673 = € 585,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 117 / 897 x 673 = € 88,-
samen € 673,-



Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 585,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 88,- per maand komt voor rekening van de moeder.



Rekening houdend met de zorgkorting van € 236,- per maand, zoals hiervoor is overwogen, moet de vader aan de moeder een kinderalimentatie voor [minderjarige] betalen van (585 – 236 =)
€ 349,- per maand.




Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de vader, met ingang van 6 februari 2026, € 349,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.




Aanhechten berekeningen

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.




Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van het op 18 april 2024 ondertekende ouderschapsplan – :


*
bepaalt in het kader van vakantie-, feest- en bijzondere dagen dat het voorstel van de vader in productie 6 van het verzoekschrift geldt (welke productie aan deze beschikking is gehecht), waarbij de vakanties – in afwijking van wat staat in productie 6 – steeds zullen aanvangen op vrijdag na school en eindigen op maandag naar school, en indien een vakantie twee weken of langer is geldt dat het wisselmoment op zaterdag om 12.00 uur zal zijn;



*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in

[geboorteplaats] , in het kader van de reguliere zorgregeling voorlopig bij de vader zal zijn: om de week van donderdag uit school tot dinsdag naar school;



*
benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige] :



mevrouw mr. J.E.C. Verhoeff,
kantoorhoudende te: [adres 1] , [postcode] [plaats] ,
telefoonnummer: [telefoonnummer] ,
e-mailadres: [e-mailadres] ;



bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking en een kopie van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;



bepaalt dat de ouders zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval vóór 13 februari 2026, hun contactgegevens aan de bijzondere curator moeten doorgeven via de e-mail;



bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk op 15 juli 2026 schriftelijk verslag met advies moet hebben uitgebracht aan de rechtbank, met gelijktijdige kopie aan (de advocaten van) de ouders;



bepaalt dat de advocaten van de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie moet aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere ouder worden toegezonden;



*
stelt vast dat de ouders, te weten:




[de vader] , (de vader)
wonende in [plaats] , aan de [adres 2] ,



en




[de moeder] , (de moeder)
wonende op een geheim adres,



bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;



beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:



Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;


de Raad;




bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;



bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;



bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad toestuurt;



verzoekt de Raad bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;



*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 6 februari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 349,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;




*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling en de kinderalimentatie;



*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de reguliere zorgregeling aan tot 1 augustus 2026 pro forma.











Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 februari 2026.



























Partij


Alimentatiegerechtigde




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde




Berekening


Draagkracht




Tarieven


2025-2





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





43


Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten








€


23.484




44


Vakantietoeslag








€


1.879
















Bruto inkomsten





















€







25.363




































Premies (51-59)











Pensioenpremie





54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


25.363



































59







Inkomsten





















€







25.363




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







25.363




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







25.363







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


9.085









95







Inkomensheffing box 1





















€







9.085




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


25.363









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


9.085







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


3.068







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


6.017
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







19.346

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


3.068


jaar




































Bij: Kindgebonden budget





€


5.900






































120







Besteedbaar inkomen





















€







25.246




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







25.246




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


2.104




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.104







Draagkracht wordt berekend op basis van








Tabel










Afwijken van de tabel?











nee




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


117














Partij


Alimentatieplichtige




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde




Berekening


Draagkracht




Tarieven


2025-2





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





41


Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking








€


45.156




49c


Individueel keuze budget (IKB/PKB)








€


7.380
















Bruto inkomsten





















€







52.536




































Premies (51-59)











Pensioenpremie





51


Ingehouden pensioenpremie





-


€


2.820




53


Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat





-


€


48




54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


49.668



































59







Inkomsten





















€







49.668




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







49.668




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







49.668







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


13.769







- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817








€


4.208









95







Inkomensheffing box 1





















€







17.977




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


49.668









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


17.977







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


9.877







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


8.100
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







41.568

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


1.721


jaar










Arbeidskorting





€


5.170


jaar










Combinatiekorting





€


2.986


jaar




































Af: Netto premie (WGA/WHK)





€


17












120







Besteedbaar inkomen





















€







41.551




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







41.551




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


3.463




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


3.463







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.310







123a


Woonbudget





€


1.039







135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.349




136a


Draagkrachtruimte








€


1.114




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


780




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


780