Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:29037
2026-09-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.53634
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BNT, rechterlijke beslistermijn opgeschort, beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2026:5232 Raad van State 09-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2019:673 Raad van State 08-03-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.475 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.53634
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2. Belanghebbende heeft op 8 mei 2025 asiel aangevraagd in Nederland en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. Belanghebbende heeft verweerder op 13 november 2025 in gebreke gesteld. Belanghebbende heeft eerder beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch heeft dit beroep op 6 maart 2026 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zestien weken te beslissen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.
3. Omdat verweerder ook na deze opdracht van de rechtbank niet alsnog heeft beslist op de aanvraag, heeft belanghebbende op 11 september 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
4. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder met ingang van 24 maart 2026 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen voor personen afkomstig uit Iran heeft ingesteld. Op grond van artikel 1 van het besluit tot instelling van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Zolang het moratorium van kracht is, is de verplichting van de verweerder om op de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen opgeschort.
5. Het voorgaande betekent dat de op 6 maart 2026 opgelegde rechterlijke beslistermijn van zestien weken na zeventien dagen is opgeschort. Verweerder kan na afloop van het moratorium de resterende termijn van 95 dagen gebruiken om alsnog te beslissen op de asielaanvraag van belanghebbende. Dit betekent dat verweerder thans nog niet in gebreke is. Artikel 6:12, derde lid, van de Awb bepaalt dat beroep kan worden ingesteld zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig te beslissen. Ook uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat het bestuursorgaan in gebreke moet zijn alvorens een opvolgend beroep kan worden ingesteld. Het beroep is prematuur en daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
NL25.59139.
Staatscourant 2026, 11158.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232.
Zie overweging 6.7 van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.53634
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2. Belanghebbende heeft op 8 mei 2025 asiel aangevraagd in Nederland en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. Belanghebbende heeft verweerder op 13 november 2025 in gebreke gesteld. Belanghebbende heeft eerder beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch heeft dit beroep op 6 maart 2026 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zestien weken te beslissen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.
3. Omdat verweerder ook na deze opdracht van de rechtbank niet alsnog heeft beslist op de aanvraag, heeft belanghebbende op 11 september 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
4. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder met ingang van 24 maart 2026 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen voor personen afkomstig uit Iran heeft ingesteld. Op grond van artikel 1 van het besluit tot instelling van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Zolang het moratorium van kracht is, is de verplichting van de verweerder om op de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen opgeschort.
5. Het voorgaande betekent dat de op 6 maart 2026 opgelegde rechterlijke beslistermijn van zestien weken na zeventien dagen is opgeschort. Verweerder kan na afloop van het moratorium de resterende termijn van 95 dagen gebruiken om alsnog te beslissen op de asielaanvraag van belanghebbende. Dit betekent dat verweerder thans nog niet in gebreke is. Artikel 6:12, derde lid, van de Awb bepaalt dat beroep kan worden ingesteld zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig te beslissen. Ook uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat het bestuursorgaan in gebreke moet zijn alvorens een opvolgend beroep kan worden ingesteld. Het beroep is prematuur en daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
NL25.59139.
Staatscourant 2026, 11158.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232.
Zie overweging 6.7 van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.