Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:29034
2026-09-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.40128
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Nigeria. Slachtoffer van mensenhandel. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade in de vorm van fysieke represailles. Beroep gegrond. De rechtbank draagt de minister op om aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Overschrijding redelijke termijn toegerekend aan de rechtbank
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2024:881 Raad van State 04-03-2024
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111
- ECLI:NL:RVS:2024:2276 Raad van State 05-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.360 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.40128
V-nummers: [V nummer 1] , [V nummer 2] en [V nummer 3]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1985, eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2020
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2022
allen van Nigeriaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus niet in stand blijven. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 28 november 2023 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, K. Blom als tolk in de taal Engels en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Asielrelaas
3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Ten eerste vreest zij in Nigeria het risico te lopen om besneden te worden door de familie van haar vader. Zij vreest ook voor deze familie vanwege een beloofde uithuwelijking in het verleden. Daarnaast werd eiseres seksueel misbruikt door haar stiefvader vanaf dat zij dertien jaar oud was. Toen zij veertien jaar oud was, raakte zij zwanger van hem en pleegde abortus. Eiseres heeft hem met een fles tegen zijn hoofd geslagen. Zij vreest dat haar stiefvader wraak wil nemen. Zij is weggevlucht naar haar tante en heeft daarna gestudeerd en gewerkt. Op 34-jarige leeftijd heeft eiseres Nigeria verlaten. Zij is daarbij geholpen door een vrouw genaamd [naam] tegen betaling van een bedrag van € 30.000, dat eiseres zou betalen door in Europa te werken. Eiseres dacht dat zij in een winkel zou gaan werken, maar uiteindelijk werd zij gedwongen in de prostitutie te gaan werken. Eiseres raakte zwanger van een man die in Nederland woonde en is toen vanuit Frankrijk naar Nederland gevlucht. Zij had op dat moment nog een schuld van € 28.400. [naam] heeft handlangers gestuurd om de zus van eiseres in Nigeria te martelen en verkrachten, om eiseres onder druk te zetten om de schuld af te betalen. Door de verkrachting heeft de zus van eiseres HIV (aids) opgelopen. De zus heeft daarna zelfmoord gepleegd. Eiseres vreest bij terugkeer naar Nigeria nog altijd voor [naam] omdat zij haar schuld niet heeft afbetaald.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Vrouwenbesnijdenis;
3. Problemen door huwelijksbelofte;
4. Problemen met stiefvader;
5. Problemen door mensenhandel.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook vindt de minister geloofwaardig dat eiseres niet is besneden. De problemen door de huwelijksbelofte en de problemen met de stiefvader vindt de minister niet geloofwaardig. Verder vindt de minister geloofwaardig dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel en dat zij een schuld heeft. De verklaringen van eiseres over wat haar zus is overkomen, vindt de minister niet geloofwaardig.
4.2.
De minister vindt niet aannemelijk dat eiseres vanwege de geloofwaardig geachte elementen bij terugkeer naar Nigeria een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.
4.3.
De minister wijst de asielaanvraag af als ongegrond en legt een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken.
Datum van de aanvraag
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat haar asielaanvraag dateert van 14 april 2022 in plaats van 27 september 2019. Eiseres heeft op 27 september 2019 asiel aangevraagd. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld op grond van de Dublinverordening. Omdat eiseres niet op tijd is overgedragen aan Italië, is Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de aanvraag. De aanvraag waarop de minister moest beslissen is dus de aanvraag van 27 september 2019 en niet die van 14 april 2022.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat het verstrijken van die overdrachtstermijn slechts betekent dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de aanvraag en niet dat het eerdere besluit, waarin de aanvraag buiten behandeling is gesteld, is ingetrokken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de asielaanvraag van eiseres waarop de minister moest beslissen, dateert van 27 september 2019. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister een besluit moet nemen op de oorspronkelijke aanvraag, als Nederland na de Dublinprocedure alsnog verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek. De minister heeft niet mogen eisen dat eiseres een nieuwe aanvraag indiende. De minister had de aanvraag van 14 april 2022 dan ook moeten zien als een dubbeling. De beroepsgrond slaagt.
Risico op represailles bij terugkeer naar Nigeria
Standpunten van partijen
8. Eiseres voert verder - samengevat - aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat zij als slachtoffer van mensenhandel bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op fysieke represailles.
9. De minister heeft op de zitting erkend dat de motivering in het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is. De minister stelt zich op het standpunt dat hij dit gebrek met de aanvullende motivering in het verweerschrift heeft hersteld.
10. De rechtbank leidt uit het verweerschrift af dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres in het verleden het slachtoffer is geworden van mensenhandel en dat zij nog een restschuld heeft bij [naam] van € 28.400. Ook is niet in geschil dat [naam] de contactgegevens van de tante van eiseres heeft en dat zij eiseres eenmaal heeft geprobeerd op te sporen via haar tante. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.
11. De minister vindt dat eiseres ondanks deze omstandigheden bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade loopt. Uit de Toelichting op het ambtsbericht Nigeria van januari 2023 blijkt namelijk dat (vrijwel) alle slachtoffers van mensenhandel met een restschuld terugkeren, maar dat met name fysieke represailles slechts incidenteel voorkomen. Verder is niet gebleken van enig verder contact of van concrete pogingen van [naam] om eiseres te vinden. Ook is niet aannemelijk dat het netwerk van [naam] zodanig omvangrijk is dat zij eiseres na terugkeer naar Nigeria overal kan opsporen. Tot slot zal eiseres zich volgens de minister bij terugkeer naar Nigeria kunnen handhaven, al dan niet met de steun van een sociaal netwerk. Eiseres is hoogopgeleid en heeft ruime werkervaring opgedaan in Nigeria.
Toetsingskader
12. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek. Zij dient daarbij rekening te houden met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
12.1.
Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. In het arrest F.G. v. Sweden heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uiteengezet wanneer er sprake is van een reëel risico op ernstige schade:
‘113. The assessment of the existence of a real risk must necessarily be a rigorous one (see Chahal v. the United Kingdom, 15 November 1996, § 96, Reports 1996-V, and Saadi, cited above, § 128). It is in principle for the applicant to adduce evidence capable of proving that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, he would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see, for example, Saadi, cited above, § 129, and N. v. Finland, no. 38885/02, § 167, 26 July 2005). In this connection, the Court acknowledges that, owing to the special situation in which asylum-seekers often find themselves, it is frequently necessary to give them the benefit of the doubt when it comes to assessing the credibility of their statements and the documents submitted in support thereof. However, when information is presented which gives strong reasons to question the veracity of an asylum-seeker’s submissions, the individual must provide a satisfactory explanation for the alleged discrepancies (see, among other authorities, N. v. Sweden, no. 23505/09, 20 July 2010; Hakizimana v. Sweden (dec.), no. 37913/05, 27 March 2008; and Collins and Akaziebie v. Sweden (dec.), no. 23944/05, 8 March 2007).
114. The assessment must focus on the foreseeable consequences of the applicant’s removal to the country of destination, in the light of the general situation there and of his or her personal circumstances (see Vilvarajah and Others v. the United Kingdom, 30 October 1991, § 108, Series A no. 215). In this connection, and where it is relevant to do so, the Court will have regard to whether there is a general situation of violence existing in the country of destination (see Sufi and Elmi v. the United Kingdom, nos. 8319/07 and 11449/07, § 216, 28 June 2011).’
12.2.
Verder is op 12 juni 2026 het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Het oordeel van de rechtbank
13. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade in de vorm van fysieke represailles. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
13.1.
Ten eerste is aannemelijk dat het risico op fysieke represailles reëel is, omdat eiseres nog een aanzienlijke schuld heeft bij [naam] . Zoals de minister in het verweerschrift heeft erkend, is € 28.400 ‘zeker naar Nigeriaanse maatstaven’ een aanzienlijk bedrag. Uit landeninformatie van European Union Agency for Asylum (EUAA) volgt dat het openstaan van een schuld een hoger risico op represailles met zich meebrengt. Ook de Toelichting op het algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023 vermeldt dat het risico op fysieke represailles volgens vertrouwelijke bronnen groter werd naarmate de financiële schuld groter was. Mede gelet op de hoogte van de schuld van eiseres, is de rechtbank in tegenstelling tot de minister dan ook van oordeel dat het feit dat fysieke represailles af en toe voorkomen voldoende is om te concluderen dat er een reëel risico bestaat dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria het slachtoffer wordt van fysieke represailles.
13.2.
Verder volgt de rechtbank de stelling van de minister niet dat niet aannemelijk is dat het netwerk van [naam] zodanig omvangrijk is dat zij eiseres na terugkeer naar Nigeria overal kan opsporen. Het ambtsbericht vermeldt immers dat volgens een vertrouwelijke bron mensensmokkel- en mensenhandelnetwerken vanuit Nigeria, meer dan die uit andere landen, onderling zeer verbonden zijn van het begin tot het eind van de route. De uitbuiter in het buitenland staat meestal (indirect) in contact met de familie van het slachtoffer. Hierdoor is het moeilijker voor de slachtoffers om de smokkelaars en -handelaars te ontlopen. Daarnaast zijn mensensmokkelaars en -handelaars vaak machtige en rijke personen, soms zelfs met politieke rugdekking. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het goed mogelijk is dat [naam] een netwerk heeft dat zij kan gebruiken om eiseres in Nigeria op te sporen.
13.3.
Bovendien heeft [naam] de contactgegevens van de tante van eiseres en heeft zij al eens geprobeerd om eiseres via deze tante op te sporen. Dat, zoals de minister stelt, daarna niet meer is gebleken van pogingen van [naam] om eiseres te vinden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico meer loopt op fysieke represailles. Eiseres heeft haar hoge schuld immers nog niet afbetaald. [naam] heeft dus nog een reden om eiseres op te willen sporen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de Toelichting op het ambtsbericht Nigeria van januari 2023 vermeldt dat in gevallen waarin het slachtoffer zelf besloten heeft te vluchten, zoals in het geval van eiseres, de mensenhandelaar volgens de vertrouwelijke bron tot het uiterste gaat om de investering terug te krijgen.
13.4.
Daar komt nog bij dat er een reële mogelijkheid bestaat dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria zal moeten terugvallen op haar tante en op die manier gemakkelijker te vinden zal zijn voor [naam] . De tante van eiseres is namelijk één van de weinigen op wie eiseres zou kunnen terugvallen bij terugkeer naar Nigeria. Het is aannemelijk dat eiseres op haar zal moeten terugvallen om zich staande te houden als alleenstaande vrouw met drie (zeer) jonge kinderen. Uit het ambtsbericht volgt dat slachtoffers van seksuele uitbuiting, zoals eiseres, bij terugkeer overal in Nigeria te maken krijgen met het stigma dat verbonden is aan sekswerk. De problemen werden nog groter als het terugkerende slachtoffer zwanger was of tijdens haar verblijf buiten Nigeria een kind had gekregen. Een vrouw kon aan het stigma ontkomen door zich ergens te vestigen waar niemand haar verleden kende. Dit lukte echter niet zonder enige vorm van sociaal vangnet. Ook hierom is de rechtbank van oordeel dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade in de vorm van fysieke represailles.
13.5.
Tot slot neemt de rechtbank, gelet op het relevante beleid van de minister, aan dat het niet mogelijk is voor eiseres om in Nigeria bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties. Niet is gebleken van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.
13.6.
De beroepsgrond slaagt.
De overige beroepsgronden
14. Eiseres voert aan dat de minister de problemen door de huwelijksbelofte en de problemen met de stiefvader ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Gelet op het bovenstaande, behoeven deze gronden geen bespreking.
Overschrijding redelijke termijn
15. Tot slot heeft eiseres op de zitting een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
16. De rechtbank overweegt dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook twee jaar duren. In asielzaken, waarin een voornemenprocedure wordt gevolgd en geen bezwaarschriftprocedure, vangt de redelijke termijn aan bij ontvangst van het beroepschrift.
16.1.
Het beroepschrift van eiseres is ontvangen op 22 december 2023. Gelet op de uitspraak van vandaag heeft de beroepsfase ongeveer twee jaar en negen maanden geduurd. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur dan twee jaar rechtvaardigen. Eiseres heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding. Uitgaande van het bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 1.000,-. De overschrijding van de termijn dient te worden toegerekend aan de rechtbank.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3 van het EVRM en de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest alsook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van subsidiaire bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als ongegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiseres, stelt de rechtbank vast dat eiseres in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De rechtbank draagt de minister daarom op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
18. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres betaalt.
19. Omdat het beroep gegrond is en de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toewijst, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding die minister van Asiel en Migratie moet betalen, bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). De vergoeding die de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moet betalen, bedraagt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van wegingsfactor € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de minister van Asiel en Migratie in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:881.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, ‘Toelichting op algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023’, 21 maart 2024, pagina’s 2 en 3.
Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.
Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.
Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.
Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.
Arrest van 23 maart 2016, 43611/11, ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111.
Richtlijn 2011/95.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Zie artikel 41.
EUAA, ‘Country Guidance: Nigeria March 2026’, https://www.euaa.europa.eu/sites/default/files/publications/2026-03/2026_CG_Nigeria.pdf, pagina 41.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, ‘Toelichting op algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023’, 21 maart 2024, pagina 4.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, ‘Toelichting op algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023’, 21 maart 2024, pagina 3.
Algemeen ambtsbericht Nigeria, januari 2023, pagina 88.
Algemeen ambtsbericht Nigeria, januari 2023, pagina 91 en 92.
Paragraaf C9/25.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2 en 3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.40128
V-nummers: [V nummer 1] , [V nummer 2] en [V nummer 3]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1985, eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2020
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2022
allen van Nigeriaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus niet in stand blijven. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 28 november 2023 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, K. Blom als tolk in de taal Engels en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Asielrelaas
3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Ten eerste vreest zij in Nigeria het risico te lopen om besneden te worden door de familie van haar vader. Zij vreest ook voor deze familie vanwege een beloofde uithuwelijking in het verleden. Daarnaast werd eiseres seksueel misbruikt door haar stiefvader vanaf dat zij dertien jaar oud was. Toen zij veertien jaar oud was, raakte zij zwanger van hem en pleegde abortus. Eiseres heeft hem met een fles tegen zijn hoofd geslagen. Zij vreest dat haar stiefvader wraak wil nemen. Zij is weggevlucht naar haar tante en heeft daarna gestudeerd en gewerkt. Op 34-jarige leeftijd heeft eiseres Nigeria verlaten. Zij is daarbij geholpen door een vrouw genaamd [naam] tegen betaling van een bedrag van € 30.000, dat eiseres zou betalen door in Europa te werken. Eiseres dacht dat zij in een winkel zou gaan werken, maar uiteindelijk werd zij gedwongen in de prostitutie te gaan werken. Eiseres raakte zwanger van een man die in Nederland woonde en is toen vanuit Frankrijk naar Nederland gevlucht. Zij had op dat moment nog een schuld van € 28.400. [naam] heeft handlangers gestuurd om de zus van eiseres in Nigeria te martelen en verkrachten, om eiseres onder druk te zetten om de schuld af te betalen. Door de verkrachting heeft de zus van eiseres HIV (aids) opgelopen. De zus heeft daarna zelfmoord gepleegd. Eiseres vreest bij terugkeer naar Nigeria nog altijd voor [naam] omdat zij haar schuld niet heeft afbetaald.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Vrouwenbesnijdenis;
3. Problemen door huwelijksbelofte;
4. Problemen met stiefvader;
5. Problemen door mensenhandel.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook vindt de minister geloofwaardig dat eiseres niet is besneden. De problemen door de huwelijksbelofte en de problemen met de stiefvader vindt de minister niet geloofwaardig. Verder vindt de minister geloofwaardig dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel en dat zij een schuld heeft. De verklaringen van eiseres over wat haar zus is overkomen, vindt de minister niet geloofwaardig.
4.2.
De minister vindt niet aannemelijk dat eiseres vanwege de geloofwaardig geachte elementen bij terugkeer naar Nigeria een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.
4.3.
De minister wijst de asielaanvraag af als ongegrond en legt een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken.
Datum van de aanvraag
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat haar asielaanvraag dateert van 14 april 2022 in plaats van 27 september 2019. Eiseres heeft op 27 september 2019 asiel aangevraagd. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld op grond van de Dublinverordening. Omdat eiseres niet op tijd is overgedragen aan Italië, is Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de aanvraag. De aanvraag waarop de minister moest beslissen is dus de aanvraag van 27 september 2019 en niet die van 14 april 2022.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat het verstrijken van die overdrachtstermijn slechts betekent dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de aanvraag en niet dat het eerdere besluit, waarin de aanvraag buiten behandeling is gesteld, is ingetrokken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de asielaanvraag van eiseres waarop de minister moest beslissen, dateert van 27 september 2019. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister een besluit moet nemen op de oorspronkelijke aanvraag, als Nederland na de Dublinprocedure alsnog verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek. De minister heeft niet mogen eisen dat eiseres een nieuwe aanvraag indiende. De minister had de aanvraag van 14 april 2022 dan ook moeten zien als een dubbeling. De beroepsgrond slaagt.
Risico op represailles bij terugkeer naar Nigeria
Standpunten van partijen
8. Eiseres voert verder - samengevat - aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat zij als slachtoffer van mensenhandel bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op fysieke represailles.
9. De minister heeft op de zitting erkend dat de motivering in het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is. De minister stelt zich op het standpunt dat hij dit gebrek met de aanvullende motivering in het verweerschrift heeft hersteld.
10. De rechtbank leidt uit het verweerschrift af dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres in het verleden het slachtoffer is geworden van mensenhandel en dat zij nog een restschuld heeft bij [naam] van € 28.400. Ook is niet in geschil dat [naam] de contactgegevens van de tante van eiseres heeft en dat zij eiseres eenmaal heeft geprobeerd op te sporen via haar tante. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.
11. De minister vindt dat eiseres ondanks deze omstandigheden bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade loopt. Uit de Toelichting op het ambtsbericht Nigeria van januari 2023 blijkt namelijk dat (vrijwel) alle slachtoffers van mensenhandel met een restschuld terugkeren, maar dat met name fysieke represailles slechts incidenteel voorkomen. Verder is niet gebleken van enig verder contact of van concrete pogingen van [naam] om eiseres te vinden. Ook is niet aannemelijk dat het netwerk van [naam] zodanig omvangrijk is dat zij eiseres na terugkeer naar Nigeria overal kan opsporen. Tot slot zal eiseres zich volgens de minister bij terugkeer naar Nigeria kunnen handhaven, al dan niet met de steun van een sociaal netwerk. Eiseres is hoogopgeleid en heeft ruime werkervaring opgedaan in Nigeria.
Toetsingskader
12. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek. Zij dient daarbij rekening te houden met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
12.1.
Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. In het arrest F.G. v. Sweden heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uiteengezet wanneer er sprake is van een reëel risico op ernstige schade:
‘113. The assessment of the existence of a real risk must necessarily be a rigorous one (see Chahal v. the United Kingdom, 15 November 1996, § 96, Reports 1996-V, and Saadi, cited above, § 128). It is in principle for the applicant to adduce evidence capable of proving that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, he would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see, for example, Saadi, cited above, § 129, and N. v. Finland, no. 38885/02, § 167, 26 July 2005). In this connection, the Court acknowledges that, owing to the special situation in which asylum-seekers often find themselves, it is frequently necessary to give them the benefit of the doubt when it comes to assessing the credibility of their statements and the documents submitted in support thereof. However, when information is presented which gives strong reasons to question the veracity of an asylum-seeker’s submissions, the individual must provide a satisfactory explanation for the alleged discrepancies (see, among other authorities, N. v. Sweden, no. 23505/09, 20 July 2010; Hakizimana v. Sweden (dec.), no. 37913/05, 27 March 2008; and Collins and Akaziebie v. Sweden (dec.), no. 23944/05, 8 March 2007).
114. The assessment must focus on the foreseeable consequences of the applicant’s removal to the country of destination, in the light of the general situation there and of his or her personal circumstances (see Vilvarajah and Others v. the United Kingdom, 30 October 1991, § 108, Series A no. 215). In this connection, and where it is relevant to do so, the Court will have regard to whether there is a general situation of violence existing in the country of destination (see Sufi and Elmi v. the United Kingdom, nos. 8319/07 and 11449/07, § 216, 28 June 2011).’
12.2.
Verder is op 12 juni 2026 het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Het oordeel van de rechtbank
13. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade in de vorm van fysieke represailles. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
13.1.
Ten eerste is aannemelijk dat het risico op fysieke represailles reëel is, omdat eiseres nog een aanzienlijke schuld heeft bij [naam] . Zoals de minister in het verweerschrift heeft erkend, is € 28.400 ‘zeker naar Nigeriaanse maatstaven’ een aanzienlijk bedrag. Uit landeninformatie van European Union Agency for Asylum (EUAA) volgt dat het openstaan van een schuld een hoger risico op represailles met zich meebrengt. Ook de Toelichting op het algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023 vermeldt dat het risico op fysieke represailles volgens vertrouwelijke bronnen groter werd naarmate de financiële schuld groter was. Mede gelet op de hoogte van de schuld van eiseres, is de rechtbank in tegenstelling tot de minister dan ook van oordeel dat het feit dat fysieke represailles af en toe voorkomen voldoende is om te concluderen dat er een reëel risico bestaat dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria het slachtoffer wordt van fysieke represailles.
13.2.
Verder volgt de rechtbank de stelling van de minister niet dat niet aannemelijk is dat het netwerk van [naam] zodanig omvangrijk is dat zij eiseres na terugkeer naar Nigeria overal kan opsporen. Het ambtsbericht vermeldt immers dat volgens een vertrouwelijke bron mensensmokkel- en mensenhandelnetwerken vanuit Nigeria, meer dan die uit andere landen, onderling zeer verbonden zijn van het begin tot het eind van de route. De uitbuiter in het buitenland staat meestal (indirect) in contact met de familie van het slachtoffer. Hierdoor is het moeilijker voor de slachtoffers om de smokkelaars en -handelaars te ontlopen. Daarnaast zijn mensensmokkelaars en -handelaars vaak machtige en rijke personen, soms zelfs met politieke rugdekking. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het goed mogelijk is dat [naam] een netwerk heeft dat zij kan gebruiken om eiseres in Nigeria op te sporen.
13.3.
Bovendien heeft [naam] de contactgegevens van de tante van eiseres en heeft zij al eens geprobeerd om eiseres via deze tante op te sporen. Dat, zoals de minister stelt, daarna niet meer is gebleken van pogingen van [naam] om eiseres te vinden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico meer loopt op fysieke represailles. Eiseres heeft haar hoge schuld immers nog niet afbetaald. [naam] heeft dus nog een reden om eiseres op te willen sporen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de Toelichting op het ambtsbericht Nigeria van januari 2023 vermeldt dat in gevallen waarin het slachtoffer zelf besloten heeft te vluchten, zoals in het geval van eiseres, de mensenhandelaar volgens de vertrouwelijke bron tot het uiterste gaat om de investering terug te krijgen.
13.4.
Daar komt nog bij dat er een reële mogelijkheid bestaat dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria zal moeten terugvallen op haar tante en op die manier gemakkelijker te vinden zal zijn voor [naam] . De tante van eiseres is namelijk één van de weinigen op wie eiseres zou kunnen terugvallen bij terugkeer naar Nigeria. Het is aannemelijk dat eiseres op haar zal moeten terugvallen om zich staande te houden als alleenstaande vrouw met drie (zeer) jonge kinderen. Uit het ambtsbericht volgt dat slachtoffers van seksuele uitbuiting, zoals eiseres, bij terugkeer overal in Nigeria te maken krijgen met het stigma dat verbonden is aan sekswerk. De problemen werden nog groter als het terugkerende slachtoffer zwanger was of tijdens haar verblijf buiten Nigeria een kind had gekregen. Een vrouw kon aan het stigma ontkomen door zich ergens te vestigen waar niemand haar verleden kende. Dit lukte echter niet zonder enige vorm van sociaal vangnet. Ook hierom is de rechtbank van oordeel dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade in de vorm van fysieke represailles.
13.5.
Tot slot neemt de rechtbank, gelet op het relevante beleid van de minister, aan dat het niet mogelijk is voor eiseres om in Nigeria bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties. Niet is gebleken van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.
13.6.
De beroepsgrond slaagt.
De overige beroepsgronden
14. Eiseres voert aan dat de minister de problemen door de huwelijksbelofte en de problemen met de stiefvader ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Gelet op het bovenstaande, behoeven deze gronden geen bespreking.
Overschrijding redelijke termijn
15. Tot slot heeft eiseres op de zitting een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
16. De rechtbank overweegt dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook twee jaar duren. In asielzaken, waarin een voornemenprocedure wordt gevolgd en geen bezwaarschriftprocedure, vangt de redelijke termijn aan bij ontvangst van het beroepschrift.
16.1.
Het beroepschrift van eiseres is ontvangen op 22 december 2023. Gelet op de uitspraak van vandaag heeft de beroepsfase ongeveer twee jaar en negen maanden geduurd. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur dan twee jaar rechtvaardigen. Eiseres heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding. Uitgaande van het bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 1.000,-. De overschrijding van de termijn dient te worden toegerekend aan de rechtbank.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3 van het EVRM en de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest alsook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van subsidiaire bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als ongegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiseres, stelt de rechtbank vast dat eiseres in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De rechtbank draagt de minister daarom op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
18. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres betaalt.
19. Omdat het beroep gegrond is en de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toewijst, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding die minister van Asiel en Migratie moet betalen, bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). De vergoeding die de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moet betalen, bedraagt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van wegingsfactor € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de minister van Asiel en Migratie in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:881.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, ‘Toelichting op algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023’, 21 maart 2024, pagina’s 2 en 3.
Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.
Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.
Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.
Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.
Arrest van 23 maart 2016, 43611/11, ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111.
Richtlijn 2011/95.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Zie artikel 41.
EUAA, ‘Country Guidance: Nigeria March 2026’, https://www.euaa.europa.eu/sites/default/files/publications/2026-03/2026_CG_Nigeria.pdf, pagina 41.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, ‘Toelichting op algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023’, 21 maart 2024, pagina 4.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, ‘Toelichting op algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023’, 21 maart 2024, pagina 3.
Algemeen ambtsbericht Nigeria, januari 2023, pagina 88.
Algemeen ambtsbericht Nigeria, januari 2023, pagina 91 en 92.
Paragraaf C9/25.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2 en 3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.