Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:29031

2026-09-30 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.52405
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.52405
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het besluit waarin de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres het bezwaarschrift te laat heeft ingediend en dat het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk was. Beroep ongegrond

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.566 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht



Zaaknummer: NL25.52405



V-nummer: [V nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, van Surinaamse nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. E. Tahitu),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarin de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister vindt dat eiseres haar bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent) ingediend. Met het besluit van 13 februari 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Op 18 maart 2025 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



2.1.
Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.



2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] (de zus van eiseres), de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Griffierecht



3. Eiseres heeft verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde verklaring omtrent de afwezigheid van inkomen en vermogen vast dat eiseres aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.



Bestreden besluit



4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres het bezwaarschrift niet op tijd heeft ingediend. Eiseres kon tot 13 maart 2025 een bezwaarschrift indienen. Als referent de beslissing eerst rond 8 maart 2025 heeft ontvangen, dan had hij dus nog vijf dagen voordat de termijn van het bezwaar zou aflopen. Pas op 18 maart 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt. De door eiseres gegeven reden is niet voldoende om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren. Dat zij niet eerder een advocaat kon vinden komt voor haar eigen rekening en risico. Zij is immers verantwoordelijk voor een tijdige indiening van haar bezwaarschrift. Zij had bijvoorbeeld ook zonder advocaat een bezwaarschrift kunnen indienen en later in de procedure rechtshulp kunnen inschakelen. Het bezwaarschrift is daarom niet-ontvankelijk.



Beroepsgronden eiseres



5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voert aan dat de minister de beslissing kennelijk niet omstreeks de datum van de beslissing en dus zeer laat heeft gestuurd, waardoor eiseres deze zeer laat heeft ontvangen en zij slechts vijf dagen had om juridische bijstand te zoeken. Verder doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel. Het belang van eiseres dat haar bezwaar in behandeling wordt genomen, gelet op de gevolgen van de afwijzing, weegt zwaarder dan het belang van de minister tot naleving van de termijn met name gelet op het niet-tijdig handelen van de minister.



Het oordeel van de rechtbank



6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres het bezwaarschrift te laat heeft ingediend en dat het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk was. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.


6.1.
Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vier weken. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.



6.2.
De hoogste bestuursrechters hanteren het uitgangspunt dat, indien in het geval van niet-aangetekende verzending van een besluit de geadresseerde stelt dat deze het besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het desbetreffende stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient er geen sprake te zijn van recente problemen bij de verzending van post. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om feiten te stellen op grond waarvan aan de gestelde verzending kan worden getwijfeld. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat hij het stuk niet heeft ontvangen. Voldoende is dat hij feiten of omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.



6.3.
De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit niet aangetekend is verzonden. De minister heeft het besluit verzonden via Indigo en het zogenaamde verzendhuis (‘centrale verzending’). De rechtbank overweegt dat dit postverzendingssysteem van de minister eerder door de Afdeling is getoetst. Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat dit postverzendingssysteem een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormt. Gebleken is dat het gehele verzendproces van de minister met zodanige waarborgen is omkleed dat het nagenoeg uitgesloten is dat er fouten in de postververzending en in de registratie daarvan worden gemaakt. Concreet betekent het voorgaande dat als een poststuk in Indigo de status ‘bericht verwerkt’ heeft gekregen, onder vermelding van een verzenddatum, aangenomen kan worden dat het desbetreffende poststuk daadwerkelijk op die datum is verzonden.



6.4.
De minister heeft screenshots van het registratiesysteem overgelegd en dit systeem getoond op de zitting. Te zien is dat het primaire besluit van 13 februari 2025 op 14 februari 2025 is ‘verwerkt’ en dat de verzenddatum 14 februari 2025 is. Verder staat op het primaire besluit de juiste adressering, namelijk het adres van referent dat is opgegeven bij de aanvraag. Bovendien is niet gebleken van problemen rondom het verzenden en/of ontvangen van post rond 14 februari 2025. De minister heeft dus aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op 14 februari 2025 is verzonden.



6.5.
Hierdoor ligt het vervolgens op de weg van eiseres om feiten te stellen op grond waarvan aan de gestelde verzending kan worden getwijfeld. Hierin is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiseres heeft namelijk slechts gesteld dat referent het besluit van 13 februari 2025 pas rond 8 maart 2025 heeft ontvangen. Hoewel uit Indigo blijkt dat het besluit rond 8 maart 2025 inderdaad opnieuw is verzonden, betekent dit nog niet dat aan de ontvangst van de eerdere verzending redelijkerwijs kan worden getwijfeld.



6.6.
Het voorgaande betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 15 februari 2025. De bezwaartermijn is daarmee vier weken later geëindigd op 14 maart 2025. Nu het bezwaarschrift pas op dinsdag 18 maart 2025 is verzonden en ontvangen, is dit te laat ingediend. Eiseres heeft geen redenen naar voren gebracht op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar geacht zou moeten worden zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.



6.7.
Tot slot slaagt het beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel niet. Voor een belangenafweging bestaat namelijk geen ruimte bij de beoordeling of een bezwaarschrift tijdig is ingediend.Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, overweging 2.3.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4322, overweging 4.2.


Zie in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987, overweging 11.2.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3343 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10531.


Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, overweging 2.2.