Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:29022

2026-10-01 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 24/12498
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-10-01
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 24/12498
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mvv. Aanvulling van het bezwaarschrift niet betrokken. Het had in dit specifieke geval op de weg van verweerder gelegen om voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit navraag te doen. Zorgvuldigheidsgebrek. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.310 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: AWB 24/12498


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Taheri),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wezenbeek).




Procesverloop


1.1.
Bij besluit van 5 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eiser ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.



1.2.
Bij besluit van 10 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam referent] (hierna: referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.





Totstandkoming van het bestreden besluit


2. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1953 en heeft de Indiase nationaliteit. Referent is de zoon van eiser. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1975, heeft eveneens de Indiase nationaliteit en beschikt over een verblijfsvergunning in Nederland. Op 5 juli 2023 heeft referent ten behoeve van eiser een aanvraag voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent op grond van artikel 8 van het EVRM’ ingediend.



2.1.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de mvv-aanvraag afgewezen. Volgens verweerder bestaat er tussen eiser en referent geen beschermenswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat niet is gebleken dat er tussen hen een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en/of bijzondere emotionele binding bestaat. Eiser voldoet volgens verweerder daarom niet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde mvv.



2.2.
Eiser heeft op 1 november 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In dat bezwaarschrift heeft hij aangekondigd nadere gronden en nadere bewijsstukken te zullen indienen en heeft hij verweerder verzocht hem hiervoor een termijn te geven van zes weken.



2.3.
Verweerder stelt dat hij eiser bij brief van 14 november 2023 een termijn van zes weken heeft verleend voor het indienen van nadere gronden.



2.4.
Eiser stelt dat hij op 29 januari 2024 een aanvullend bezwaarschrift, met nadere bewijsstukken, bij verweerder heeft ingediend.



2.5.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft in dat besluit gesteld dat de gronden in het bezwaarschrift van 1 november 2023 niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan in het primaire besluit en dat eiser, ondanks de hem verleende termijn van zes weken, geen nadere gronden van bezwaar meer heeft ingediend.





Beroepsgronden


3. Eiser voert aan dat verweerder onzorgvuldig te werk is gegaan door voorafgaand aan het bestreden besluit niet te onderzoeken of eiser al dan niet nadere stukken heeft ingediend. Eiser heeft in bezwaar verzocht om een termijn om nadere gronden en bewijsstukken in te dienen. Eiser heeft hierop geen reactie van verweerder ontvangen. Vervolgens heeft eiser op 29 januari 2024 nadere gronden en bewijsstukken ingediend. Kennelijk heeft dit schrijven verweerder niet bereikt. Het had op de weg van verweerder gelegen om na te gaan waarom eiser, ondanks zijn aankondiging daartoe, geen nadere gronden en stukken heeft ingediend. Verweerder had bijvoorbeeld met de gemachtigde kunnen bellen of een e-mail kunnen sturen. Dit heeft hij ten onrechte niet gedaan.
Verweerder diende in beginsel ook een gehoor te houden. Ook dit heeft hij ten onrechte niet gedaan. Verweerder heeft ook onzorgvuldig en in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld. Verweerder heeft ten onrechte geen dan wel een onjuiste en onvolledige belangenafweging gemaakt waardoor hij ook in dat kader onrechtmatig heeft gehandeld.





Het oordeel van de rechtbank


4.1.
Eiser stelt dat hij de brief van verweerder van 14 november 2023 nooit heeft ontvangen en dat hij op 29 januari 2024 een aanvullend bezwaarschrift, met nadere bewijsstukken, heeft ingediend. Hij heeft dit aanvullend bezwaarschrift ook in de beroepsfase ingebracht. Verweerder stelt op zijn beurt dat hij bij brief van 14 november 2023 aan eiser een nadere termijn heeft gegeven voor het indienen van nadere bezwaargronden en dat hij het aanvullend bezwaarschrift van 29 januari 2024 nooit heeft ontvangen, waarna hij op 10 juli 2024 is overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit.



4.2.
Uit het voorgaande volgt dat beide partijen stellen stukken van elkaar niet te hebben ontvangen. De rechtbank ziet echter aanleiding om in het midden te laten of aannemelijk is dat partijen de gestelde stukken naar elkaar hebben verzonden en of zij de stukken van de ander hebben ontvangen. Immers, wat hiervan ook zij – dus ook als wordt aangenomen dat verweerder zijn brief van 14 november 2023 heeft verzonden en eisers aanvullend bezwaarschrift van 29 januari 2024 niet heeft ontvangen – de rechtbank is van oordeel dat het in dit specifieke geval op de weg van verweerder had gelegen om voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit (kort) navraag te doen bij eiser(s gemachtigde) of er inderdaad geen nadere gronden en bewijsstukken waren ingediend. De rechtbank acht hiertoe vooral redengevend dat eiser bij zijn aanvraag reeds een aanzienlijke hoeveelheid bewijsstukken heeft overgelegd, waarmee hij heeft laten zien dat hij zijn aanvraag kan en wil onderbouwen, en dat eiser in zijn bezwaarschrift uitdrukkelijk heeft aangekondigd dat hij nog meer bewijsstukken wil en zal inbrengen. Hierbij speelt ook mee dat verweerder het bestreden besluit pas op 10 juli 2024, ruim een maand na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, heeft genomen en dat er op dat moment geen aanleiding bestond om opeens met spoed het bezwaar af te doen. Ook betrekt de rechtbank hierbij dat het leggen van contact met eiser(s gemachtigde) een geringe inspanning van de zijde van verweerder vergt, terwijl de gevolgen van een ongegrondverklaring van het bezwaar, zonder de nadere gronden en bewijsstukken daarbij te betrekken, voor eiser groot zijn. Dat, zoals verweerder stelt, het initiatief tot contact ook van eiser(s gemachtigde) had kunnen uitgaan is op zichzelf juist, maar maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.



4.3.
Gelet op het vorenstaande, en nu er daadwerkelijk nadere gronden en bewijsstukken van de zijde van eiser waren, die nu niet bij het bestreden besluit zijn betrokken, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit door verweerder niet zorgvuldig is voorbereid. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.





Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder het hiervoor geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het vooralsnog aan verweerder is en blijft om te beoordelen of aan de voorwaarden van de gevraagde mvv op grond van artikel 8 van het EVRM is voldaan. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van het gebrek en de wijze waarop dit moet worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij dit nieuw te nemen besluit dient verweerder het aanvullend bezwaarschrift van 29 januari 2024, met bijbehorende bewijsstukken, te betrekken. Gelet op de inhoud van de bezwaargronden en de bewijsstukken acht de rechtbank het aangewezen dat verweerder eiser hoort voorafgaand aan het nieuw te nemen besluit (vgl. de Afdelingsuitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918). De rechtbank geeft verweerder hiervoor een beslistermijn van twaalf weken.

7. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft verweerder niet het griffierecht aan eiser te vergoeden.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.





De griffier is verhinderd deze uitspraak


mede te ondertekenen












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.