Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:29013

2026-09-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.16069
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.16069
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsdocument EU/EER, artikel 20 VWEU, geen zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in arrest K.A., geen onderbouwing met objectief verifieerbare informatie, bijzondere positie Surinamers die hun Nederlandse nationaliteit onvrijwillig zijn kwijtgeraakt, hoorplicht in bezwaar, SIS-signalering, terugkeerbesluit, beroep ongegrond.

Citeert (16)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.530 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.16069


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.A.L.F. van Halteren).





Procesverloop


Bij besluit van 22 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.



Bij besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.



Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting in Breda behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.





Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 21 oktober 2024 verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn vader, [referent] , referent.

2. Verweerder heeft de afwijzing van de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER bij het bestreden besluit gehandhaafd en ook geen ander verblijfsrecht toegekend om de volgende redenen. Eiser en referent zijn beiden meerderjarig, zodat de situatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez zich niet voordoet. Eiser heeft bovendien niet met objectieve, verifieerbare stukken aangetoond dat tussen eiser en referent een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestaat als bedoeld in het arrest K.A., zodat een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van de VWEU niet aan de orde is. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare documenten aangetoond dat referent medische problemen heeft die een bijzondere afhankelijkheid van uitsluitend eiser meebrengen of dat hij op geen enkele wijze van referent kan worden gescheiden. De eigen verklaring van eiser is hiervoor onvoldoende onderbouwing. De verwijzingen naar Unierechtelijke jurisprudentie en het EVRM zijn algemeen en niet toegespitst op zijn situatie. Het beroep dat eiser in dit verband doet op vrijstelling van het mvv-vereiste gaat niet op omdat voor de aanvraag om toetsing aan het EU-recht geen mvv-vereiste geldt. Verweerder heeft verder ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM getoetst en geconcludeerd dat uitzetting niet in strijd is met eisers recht op familie- en privéleven. Eiser heeft in dit verband niet aangetoond dat er tussen hem en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Voor zover eiser heeft gewezen op artikel 3 van het EVRM en artikel 64 van de Vw 2000 valt dit buiten het beoordelingskader van de aanvraag en ontbreekt bovendien een medische onderbouwing van de gestelde medische problemen van eiser. Dit geldt ook voor het beroep op het beleid voor Surinaamse ex-Nederlanders. Dit betreft een ander soort procedure waarvoor een aparte aanvraag kan worden ingediend. De onderbouwing voor een beroep op dit beleid ontbreekt bovendien. De signalering in het SIS is verder rechtmatig als gevolg van het in stand laten van het terugkeerbesluit. Tot slot heeft verweerder geen aanleiding gezien om eiser op zijn bezwaren te horen nu er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit zouden leiden. Deze overwegingen leiden tot afwijzing van de aanvraag, en oplegging van een terugkeerbesluit, waarbij is bepaald dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Suriname.

3. Eiser heeft in beroep dezelfde gronden aangevoerd als hij eerder ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft ingediend, en in zijn bezwaar tegen het primaire besluit. In zijn beroepschrift en ter zitting heeft hij voor een aantal onderdelen van zijn betoog extra of opnieuw aandacht gevraagd. Dit betreft in de eerste plaats het belang van de hoorplicht; uitgangspunt moet zijn dat een aanvrager gehoord wordt; met uitzonderingen dient verweerder terughoudend om te gaan. Daarnaast wijst eiser er nogmaals op dat alleen referent de Nederlandse nationaliteit heeft, maar dat ook eiser als Nederlander is opgegroeid, Nederlands spreekt en een Nederlandse levenswijze hanteert. Zijn beroep op het beleid voor verwesterde vreemdelingen is in het bestreden besluit onvoldoende geadresseerd. Er is in dit kader en in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM, gezien het gezamenlijke verleden van Nederland en Suriname, aanleiding om Surinamers (als ex-Nederlanders) niet helemaal gelijk te stellen aan andere derdelanders. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Eiser voert verder aan dat verweerder gehouden was om eerst na te gaan of aan eiser een verblijfsvergunning op nationale gronden kon worden verleend, vooraleerst het Unierecht te betrekken. Hij verwijst in dit verband naar het arrest van het HvJEU in de zaak C-836/18. Ten slotte vraagt eiser aandacht voor de prejudiciële vragen die zijn gesteld door de Afdeling op 16 juli 2025 over de toepassing van artikel 24, van de SIS-verordening. De SIS-signalering betreft een incriminerende maatregel die mogelijk leidt tot een schending van artikel 6 van het EVRM.


De rechtbank oordeelt als volgt.


4. Voor zover het beroep van eiser slechts een herhaling vormt van hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd en verweerder daar in het bestreden besluit zorgvuldig en volledig op is ingegaan, ziet de rechtbank geen aanleiding deze gronden inhoudelijk te behandelen. Zij merkt daarbij op dat de bewijsstukken ter onderbouwing van de gezondheidssituatie van eiser en van referent, en van hun onderlinge afhankelijkheid, waar eiser in bezwaar aan refereert, ook in beroep niet zijn overgelegd. De rechtbank beperkt zich tot de beoordeling van gronden die door eiser nader zijn onderbouwd, of waarvoor hij ter zitting de bijzondere aandacht van de rechtbank heeft gevraagd.



Hoorplicht in bezwaar



5. Van horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andere beslissing dan in het primaire besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan. Het is immers aan de vreemdeling om in bezwaar concreet toe te lichten waarom hij het niet eens is met het primaire besluit. Verweerder heeft in het bestreden besluit enerzijds gewezen op het belang van het recht om te worden gehoord, maar heeft ook uitgelegd waarom in het geval van eiser toch aan dit recht is voorbijgegaan. Verweerder wijst er in dit verband terecht op dat eiser geen begin van een onderbouwing heeft geleverd voor zijn aanvraag voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. Uit het arrest K.A., waar eiser zelf naar verwijst, volgt dat bij volwassenen sprake moet zijn van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat de betrokkenen, gelet op alle omstandigheden, op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Omdat deze lat heel hoog ligt en eiser geen enkel document ter staving van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie heeft overgelegd, kon verweerder in dit geval afzien van het horen van eiser in bezwaar. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit goed en uitvoerig gemotiveerd.



Beleid voor verwesterde vreemdelingen



6. De (internationale) jurisprudentie en het beoordelingskader dat verweerder heeft ontwikkeld voor ‘verwesterde vreemdelingen’ is relevant in het kader van verzoeken om internationale bescherming. Een dergelijke aanvraag ligt in deze zaak niet voor. Eiser heeft zijn beroep op dit beleid bovendien niet met objectieve en verifieerbare documenten of anderszins onderbouwd. Er was voor verweerder daarom geen aanleiding om dit standpunt van eiser nader te onderzoeken. Het gegeven dat eiser de Surinaamse nationaliteit bezit, is naar het oordeel van de rechtbank in dit kader niet relevant en maakt het oordeel niet anders.



Bijzondere situatie van Surinamers, ex-Nederlanders



7. Onder verwijzing naar het arrest Jeunesse van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere positie van Surinamers, zijnde voormalig Nederlanders. In het aangehaalde arrest heeft het EHRM in het kader van het onderzoek naar het familie- of gezinsleven van eiseres op grond van artikel 8 EVRM onder meer belang gehecht aan het gegeven dat verzoekster haar Nederlandse nationaliteit onvrijwillig had verloren toen Suriname onafhankelijk werd. Ook in de ter zitting aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 februari 2025 was sprake van Surinamers die de Nederlandse nationaliteit onvrijwillig waren verloren. De rechtbank wees in die uitspraak op de bijzondere positie die Surinaamse vreemdelingen hebben in het Nederlandse vreemdelingenrecht, waar het gaat om het inburgeringsvereiste en de vergunning op medische gronden.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat er tussen hem en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, en er dus geen afweging hoefde te worden gemaakt in het kader van eisers familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De enkele verwijzing naar de bijzondere positie van Surinamers die hun Nederlandse nationaliteit onvrijwillig zijn kwijtgeraakt noopt in dit geval niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat referent de Nederlandse nationaliteit heeft en niet gesteld noch gebleken is dat eiser ooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en deze onvrijwillig zou zijn verloren.



Voorrang toetsing aan nationale gronden



9. Eiser heeft terecht gewezen op het feit dat uit de rechtspraak van het HvJEU blijkt dat de erkenning van een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU moet worden beoordeeld aan de hand van de intensiteit van de afhankelijkheidsverhouding tussen de betrokken derdelander en de Unieburger die zijn gezinslid is. Er moet bij die beoordeling rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Voor een geslaagd beroep op artikel 20 van het VWEU is niet vereist dat eerst de familierechtelijke relatie tussen de Unieburger en de aanvrager uit een derde land aannemelijk is gemaakt, voordat kan worden beoordeeld of tussen beiden een afhankelijkheidsverhouding bestaat. Eiser heeft hiertoe gesteld dat in het bestreden besluit de verschillende mogelijke aanspraken op een verblijfsrecht in Nederland in de verkeerde volgorde zijn beoordeeld, nu verweerder eerst de aanvraag voor toetsing aan artikel 20 VWEU heeft beoordeeld, en daarna de mogelijke toepassing van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt dit betoog niet. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt hoe de volgorde van beoordeling in het bestreden besluit de uitkomst daarvan zou hebben beïnvloed. Daarbij heeft verweerder terecht geoordeeld dat de gestelde bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en referent niet met objectief verifieerbare informatie is onderbouwd. Dat tussen eiser en referent evenmin gebleken is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is los daarvan beoordeeld. Zodoende heeft de rechtbank geen schending van enige nationale of Europeesrechtelijke rechtsregel kunnen vaststellen.



SIS-signalering



10. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de SIS Verordening voeren de lidstaten een signalering voor terugkeer in voor een derdelander aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd. Het doel is om na te gaan of aan de terugkeerverplichting wordt voldaan en om de uitvoering van dat besluit te ondersteunen. Afwijking is alleen mogelijk in de in het tweede en derde lid van het artikel genoemde gevallen, zoals wanneer het terugkeerbesluit nog niet uitvoerbaar is of een vrijwillige vertrektermijn loopt, dan wel wanneer signalering onevenredig zou zijn. Eiser heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat zich een van die uitzonderingen voordoet. Nu het terugkeerbesluit in stand blijft, was verweerder gehouden de bijbehorende signalering in te voeren. Eisers stelling dat de signalering in strijd is met diverse internationale bepalingen (artikelen 6, 8 en 14 van het EVRM, artikelen 7, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de EU, Richtlijn 2000/43/EG en de AVG) leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet toegelicht waarom de signalering in strijd zou zijn met deze bepalingen. Voor de gegevensverwerking bestaat bovendien een specifiek Unierechtelijke grondslag in Verordening 2018/1860. Eiser heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit een onevenredige inmenging volgt.

11. Het beroep op de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het HvJEU slaagt evenmin. In die zaak gaat het over de toepassing van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) 2018/1861, die gaat om de uitleg van het begrip ‘bedreiging voor de openbare orde’. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser niet op die grond in het SIS wordt gesignaleerd, maar omdat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd zoals bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b van de genoemde verordening.



Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser moet terugkeren naar Suriname.

13. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan op 29 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.


Arrest van het HvJEU van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308.


Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Machtiging tot voorlopig verblijf.


Schengen Information System.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918 en van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541.


Uitspraak van 11 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2548.


Arrest van het HvJEU van 27 februari 2020 in de zaak Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real tegen RH, ECLI:EU:C:2020:119.


ECLI:NL:RVS:2025:3254.


Verordening (EU) 2018/1861.


Zie bv. de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:536.


Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.


Zie de vaste lijn in jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat de plicht om te horen in bezwaar afhankelijk is van wat een vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd; ECLI:NL:RVS:2012:3474, ECLI:NL:RVS:2022:1918 en ECLI:NL:RVS:2024:2541.


Zie voetnoot 2.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het HvJEU van 11 juni 2024 in de zaak C-646/21 (ECLI:C:EU:2024:487) en de interne werkinstructie van de IND, WBV 2024/23.


Arrest van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.


ECLI:NL:RBDHA:2025:2548.


Zie bij voorbeeld de arresten van het HvJEU van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (EU:C:2017:3547), 7 september 2022, E.K. (ECLI:EU:C:2022:639), 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (EU:C:2020:119).


Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:888, onder punt 2.1 en 2.2.


(EU) 2018/1860.


Algemene verordening gegevensbescherming.


ECLI:NL:RVS:2025:3254.