Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28941

2026-09-30 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.56667
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
NL26.56667
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

spoedvovo, Syrische vreemdeling heeft te laat beroep ingediend waardoor hij verwijderbaar is en de opvang wordt beëindigd. Omdat het een Syrische vreemdeling betreft, kan niet vooraf worden uitgesloten dat het beroep, gelet op de Bahaddar-beoordeling, alsnog ontvankelijk zal worden verklaard. De belangen van verzoeker wegen zwaarder dan het belang van verweerder om hangende het beroep geen opvang te verlenen. Verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.326 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.56667


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. Drenth),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).




Procesverloop


Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Verzoeker heeft hier op 24 september 2026 beroep tegen ingediend (NL26.56666). Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 29 september 2026 te kennen gegeven zich tegen toewijzing van de voorlopige voorziening te verzetten.



De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 30 september 2026 gesloten.




Overwegingen



Inleiding



1. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.

2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken, nu de opvang van verzoeker eindigt op 1 oktober 2026. Partijen zijn daardoor niet in hun belangen geschaad, omdat zij van de voorzieningenrechter gelegenheid hebben gekregen hun standpunten schriftelijk toe te lichten.



Wat ging aan het verzoek vooraf?



3. Verzoeker heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij is geboren op [geboortedatum]. Met het bestreden besluit van 1 juli 2026 heeft verweerder verzoekers asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit kort samengevat op het standpunt gesteld dat de problemen van verzoeker met de familie [naam] vanwege zijn Koerdische afkomst en zijn problemen met een vriend van zijn neef geloofwaardig zijn. Verweerder meent echter dat verzoeker bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege deze problemen. Ook meent verweerder dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt op willekeurig geweld. Aan verzoeker is tevens een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. In het bestreden besluit is vermeld dat verzoeker binnen vier weken, dus uiterlijk 29 juli 2026, beroep kan instellen.


3.1.
Verzoeker heeft op 29 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op diezelfde dag heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.



Standpunten partijen



4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij zijn beroep in Nederland mag afwachten en zijn recht op opvang behoudt. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft namelijk medegedeeld dat de opvang van verzoeker op donderdag 1 oktober 2026 eindigt. Verzoeker wijst er in dit kader op dat hij een man van bijna zestig is. Volgens verzoeker heeft zijn beroep redelijke kans van slagen omdat hij Syrisch is. Dat het beroep te laat is ingediend doet hier volgens verzoeker niet aan af. Dit komt namelijk omdat er sprake was van problemen met notificaties van verweerder. Verzoeker wist daarom niet dat er een besluit was genomen.

5. Verweerder meent dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is. Verzoeker heeft namelijk (ruim) te laat beroep ingesteld en heeft hier geen verschoonbare reden voor. Het bestreden besluit is via het Portaal van Advocaten bekend gemaakt en daarnaast is er een e-mailnotificatie naar de gemachtigde van verzoeker verstuurd. Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat hij deze notificatie niet heeft ontvangen. Door het te laat indienen van het beroep is verzoeker verwijderbaar en heeft hij geen recht meer op opvang. De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (RVA) biedt geen mogelijkheid om verzoeker wel opvang te verlenen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheid dat zijn recht op opvang op 1 oktober 2026 zal eindigen aanleiding om aan te nemen dat verzoeker spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening heeft.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het beroep gericht tegen het bestreden besluit te laat is ingediend. Los van de vraag of verzoeker hier een verschoonbare reden voor heeft, laat dit onverlet dat in beroep een zogenoemde ‘Bahaddar-beoordeling’ dient te worden verricht door de rechtbank. Gelet op de omstandigheid dat het hier een Syrische vreemdeling betreft, kan niet vooraf worden uitgesloten dat het beroep alsnog ontvankelijk zal worden verklaard. De voorzieningenrechter wijst in dit kader op de door verzoeker in de zienswijze aangehaalde uitspraken waarin onder andere is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat er in Syrië sprake is van het laagste niveau van willekeurig geweld. De voorzieningenrechter acht het niet mogelijk, noch wenselijk om zich in deze procedure, die zich kenmerkt door een korte uitspraaktermijn, uit te laten over de uitkomst van de Bahaddar-beoordeling in beroep.

8. De voorzieningenrechter zal dus een belangenafweging maken tussen de belangen van verzoeker bij toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder bij afwijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze belangenafweging in het voordeel van verzoeker dient uit te vallen. Zij overweegt daartoe als volgt.

9. De belangen van verzoeker zijn primair gelegen in de omstandigheid dat hij per 1 oktober 2026 geen recht meer heeft op opvang en dat hij verwijderbaar is. Het niet toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening zou dus verstrekkende gevolgen hebben, namelijk feitelijke dakloosheid en mogelijke verwijdering uit Nederland.

10. Verweerder heeft in zijn verweerschrift enkel gesteld dat de RVA geen ruimte biedt om opvang te bieden aan verwijderbare vreemdelingen en dat verzoekers leeftijd hier niet aan afdoet. De voorzieningenrechter acht dit geen zwaarwegende belang van verweerder. Indien verzoeker(s gemachtigde) eerder beroep had ingediend, was het bestreden besluit immers ook opgeschort totdat de rechtbank uitspraak had gedaan op het beroep. Toewijzing van het verzoek heeft dus geen verstrekkende gevolgen voor verweerder. Van andere belangen dan het belang van verweerder om hangende het beroep geen opvang te verlenen, is niet gebleken. Dit belang weegt minder zwaar dan de reeds genoemde belangen van verzoeker.



Conclusie



11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Dit betekent dat verweerder het beroep van verzoeker moet behandelen alsof dit wel tijdig is ingediend en dat verzoeker de COA locatie niet zal hoeven te verlaten.

12. De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.




Beslissing


De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.


Onder andere ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 en ECLI:NL:RBDHA:2026:13165.