Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28936

2026-09-30 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.52379
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.52379
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin/Kroatië. Tekenbevoegdheid beslismedewerker.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.469 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.52379


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



Bij bericht van 3 juni 2026 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser, [naam toenmalige gemachtigde] , laten weten dat hij zich na het indienen van het beroep en aanvragen van een voorlopige voorziening onttrekt als gemachtigde van eiser. Vervolgens heeft mr. F. Boone op 7 september 2026 laten weten dat hij zich stelt als de nieuwe gemachtigde van eiser.



De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is [naam tolk] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen



Inleiding



1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 5 maart 2026 ingediend.

2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 10 augustus 2025 in Griekenland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op zijn asielaanvraag is niet beslist en eiser heeft na 8 maanden Griekenland verlaten. Vervolgens is eiser via Kroatië op 12 februari 2026 illegaal het Dublingebied ingereisd. Er zijn geen indicaties dat eiser het Dublingebied heeft verlaten. Nederland heeft op 30 maart 2026 aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 10 april 2026 heeft Kroatië laten weten dat zij het claimverzoek niet accepteren. Vervolgens heeft Nederland op 29 april 2026 een heroverwegingsverzoek aan de Kroatische autoriteiten verstuurd. Kroatië heeft dit verzoek op 12 mei 2026 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.




Het bestreden besluit



3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.



Beroepsgronden van eiser



4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat betwist moet worden of de registratie van zijn vingerafdrukken in Kroatië gelden als het indienen van een asielaanvraag. Verder voert eiser aan dat beoordeeld moet worden of ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Tijdens zijn verblijf in Kroatië is eiser geconfronteerd met detentie en slechte behandeling door de autoriteiten. Verder voert eiser aan dat hij op 8 juni 2025 een asielaanvraag in Griekenland heeft ingediend, waarmee de rechtbank rekening dient te houden bij de beoordeling van de verantwoordelijke lidstaat. Als laatste voert eiser aan dat niet kan worden nagegaan of het besluit door een bevoegde ambtenaar is genomen en verzoekt om de gegevens uit verweerders systeem Indigo te verstrekken. Volgens eiser komt het regelmatig voor dat in asielzaken besluiten door personen worden genomen die niet bevoegd zijn. Op basis van het bestreden besluit kan eiser dat niet nagaan, omdat de brief niet is ondertekend.



Beoordeling door de rechtbank





Kroatië als de verantwoordelijke lidstaat



5. Eiser voert aan dat de grondslag voor overdracht aan Kroatië onduidelijk is. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat door verweerder geen aandacht is besteed aan het feit dat Kroatië zich niet verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Volgens eiser is het onvoldoende duidelijk op welke grond hij wordt overgedragen aan Kroatië.

6. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat vermeld dat uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser asiel heeft aangevraagd in Kroatië. Hierbij is gebleken dat op de asielaanvraag van eiser in Kroatië nog niet is beslist. Kroatië heeft zich vervolgens gewend tot de Griekse autoriteiten, omdat de Kroatische autoriteiten Griekenland verantwoordelijk achten. Op dit verzoek van de Kroatische autoriteiten is vooralsnog geen akkoord gegeven. Om die reden zijn de Kroatische autoriteiten op 12 mei 2026 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening alsnog akkoord gegaan met het claimverzoek van Nederland. Gelet op het voorgaande berust het claimakkoord dan ook op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria. De beroepsgrond slaagt niet.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel



7. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635) geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.

8. Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

9. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij is geconfronteerd met detentie en slechte behandeling door de autoriteiten, acht de rechtbank onvoldoende. Temeer nu eiser niet heeft toegelicht welke problemen hij met de Kroatische autoriteiten heeft ondervonden. Daarom geldt dat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië mag uitgaan. De verklaring van eiser dat hij in Kroatië gedwongen vingerafdrukken moest afgeven, geeft geen beeld van structurele tekortkoming zoals hiervoor bedoeld onder 8. De rechtbank merkt daarbij op dat lidstaten op grond van de Eurodac-verordening verplicht zijn om vreemdelingen te registreren die het grondgebied van de lidstaten illegaal binnenkomen. Wat betreft de vrees van eiser om in bewaring te worden genomen in Kroatië geldt dat de bevoegdheid van Kroatië om vreemdelingen in bewaring te nemen in internationale afspraken is vastgelegd. Middels het claimakkoord hebben de Kroatische autoriteiten gegarandeerd het (opvolgende) verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Verweerder mag erop vertrouwen dat Kroatië zich daaraan houdt. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft ook niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorkomende problemen in Kroatië niet mogelijk of zinloos is. De enkele stelling dat eiser problemen heeft gehad met de Kroatische autoriteiten is in dat verband ook onvoldoende. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij voorkomende problemen in Kroatië daarover een klacht kan indienen bij de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.



Tekenbevoegdheid



10. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de medewerker wiens naam onder het bestreden besluit staat de beslismedewerker is en dat onvoldoende gegevens zijn verschaft om te kunnen controleren of deze medewerker bevoegd is te beslissen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de ondertekening in het bestreden besluit niet, zoals eiser stelt, dat de medewerker enkel verklaart dat de brief niet is ondertekend omdat die is verzonden in een geautomatiseerd systeem. Dit onderschrift – in het bijzonder de zinsnede ‘namens deze’ – wijst erop dat de betreffende medewerker het besluit in mandaat namens de minister heeft genomen. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat is nagegaan of de desbetreffende medewerker tekenbevoegd is en dit bleek het geval. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Hierbij acht de rechtbank, naast de verklaring van verweerder op zitting en de verwijzing naar het mandaatbesluit, van belang dat onder het bestreden besluit en in de colofon de naam van de medewerker is vermeld. Uit de colofon volgt in welk team deze medewerker werkzaam is. De enkele stelling van eiser dat niet meer na kan worden gegaan welke teams bevoegd zijn om te beslissen, dat ook niet tekenbevoegde ambtenaren stukken kunnen maken, acht de rechtbank onvoldoende om aan de in het besluit vermelde en de door verweerder verschafte informatie te twijfelen en tot het oordeel te leiden dat de desbetreffende medewerker niet bevoegd was het besluit te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.



Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de nationale wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.