Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28806
2026-09-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42249
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMBV. Polen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:10889 Rechtbank Amsterdam 12-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9721 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.473 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42249
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.42250, op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is [naam tolk] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft op 27 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Uit het EU-Vis systeem is gebleken dat Polen hem een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 27 juni 2026 tot en met 21 juli 2026. Het visum was dus nog geldig ten tijde van de asielaanvraag van eiser in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 20 juli niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026. Dit betekent dat de bepalingen uit de AMbV van toepassing zijn.
Beroepsgronden van eiser
3. Eiser voert aan dat hij vreest voor schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vanwege zijn geaardheid voor een overdracht naar Polen. Volgens eiser ervaren LHBTQI+ personen in Polen aanhoudende discriminatie, heftige retoriek en fysiek geweld, aangewakkerd door politieke campagnes en conservatieve denkbeelden. Ter onderbouwing haalt eiser verschillende internetartikelen aan. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. In de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:10889) en 22 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9721) is geoordeeld dat niet zonder meer uitgegaan mag worden van dit vertrouwen omdat LHBTQI+ vluchtelingen in Polen te maken krijgen met aanzienlijke juridische obstakels in hun asielprocedure. Gebleken is dat er in Polen sprake is van systematische obstakels, een onjuist beoordelingskader, vernederende behandeling en risico op onwettige afwijzingen en refoulement. Ter onderbouwing wijst eiser ook op het rapport ‘Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ uit 2025.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van dit uitgangspunt slechts wordt afgeweken als de vreemdeling aannemelijk kan maken dat in Polen sprake is van structurele tekortkomingen of systeemfouten in de asielprocedure waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser moet aannemelijk maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet in zijn bewijslast is geslaagd. Ter onderbouwing wijst eiser op verschillende uitspraken van de rechtbank Den Haag en op een uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026. Een beroep op deze uitspraken slaagt echter niet, omdat de Afdeling in haar uitspraak van 24 juli 2026 heeft geoordeeld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgaan zonder dat de minister een nadere motivering hoeft te geven. Dit geldt dus ook voor LHBTQI+-personen, zoals eiser stelt te zijn. Ook heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom in zijn individuele geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen kan worden uitgegaan. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat eiser niet eerder is overgedragen als Dublinclaimant, waardoor hij niet kan verklaringen over zijn eigen ervaringen. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat hij, hoewel hij over een Pools visum beschikt, nog nooit in Polen is geweest. Verder heeft eiser geen andere concrete aanknopingspunten naar voren gebracht, die aanleiding geven om af te wijken van het oordeel van de Afdeling van 24 juli 2026. De rechtbank overweegt hierbij dat de Poolse autoriteiten middels het claimakkoord hebben gegarandeerd het (opvolgende) verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Poolse autoriteiten. Er is niet gebleken dat klagen bij de Poolse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding in zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42249
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.42250, op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is [naam tolk] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft op 27 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Uit het EU-Vis systeem is gebleken dat Polen hem een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 27 juni 2026 tot en met 21 juli 2026. Het visum was dus nog geldig ten tijde van de asielaanvraag van eiser in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 20 juli niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026. Dit betekent dat de bepalingen uit de AMbV van toepassing zijn.
Beroepsgronden van eiser
3. Eiser voert aan dat hij vreest voor schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vanwege zijn geaardheid voor een overdracht naar Polen. Volgens eiser ervaren LHBTQI+ personen in Polen aanhoudende discriminatie, heftige retoriek en fysiek geweld, aangewakkerd door politieke campagnes en conservatieve denkbeelden. Ter onderbouwing haalt eiser verschillende internetartikelen aan. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. In de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:10889) en 22 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9721) is geoordeeld dat niet zonder meer uitgegaan mag worden van dit vertrouwen omdat LHBTQI+ vluchtelingen in Polen te maken krijgen met aanzienlijke juridische obstakels in hun asielprocedure. Gebleken is dat er in Polen sprake is van systematische obstakels, een onjuist beoordelingskader, vernederende behandeling en risico op onwettige afwijzingen en refoulement. Ter onderbouwing wijst eiser ook op het rapport ‘Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ uit 2025.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van dit uitgangspunt slechts wordt afgeweken als de vreemdeling aannemelijk kan maken dat in Polen sprake is van structurele tekortkomingen of systeemfouten in de asielprocedure waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser moet aannemelijk maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet in zijn bewijslast is geslaagd. Ter onderbouwing wijst eiser op verschillende uitspraken van de rechtbank Den Haag en op een uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026. Een beroep op deze uitspraken slaagt echter niet, omdat de Afdeling in haar uitspraak van 24 juli 2026 heeft geoordeeld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgaan zonder dat de minister een nadere motivering hoeft te geven. Dit geldt dus ook voor LHBTQI+-personen, zoals eiser stelt te zijn. Ook heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom in zijn individuele geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen kan worden uitgegaan. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat eiser niet eerder is overgedragen als Dublinclaimant, waardoor hij niet kan verklaringen over zijn eigen ervaringen. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat hij, hoewel hij over een Pools visum beschikt, nog nooit in Polen is geweest. Verder heeft eiser geen andere concrete aanknopingspunten naar voren gebracht, die aanleiding geven om af te wijken van het oordeel van de Afdeling van 24 juli 2026. De rechtbank overweegt hierbij dat de Poolse autoriteiten middels het claimakkoord hebben gegarandeerd het (opvolgende) verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Poolse autoriteiten. Er is niet gebleken dat klagen bij de Poolse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding in zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.