Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28800

2026-09-30 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.55624
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.55624
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, grensdetentie, artikel 6 derde lid Vw, lichter middel, ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.843 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.55624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),



en



de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).




Procesverloop


Bij besluit van 20 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen



Toetsingskader



1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan verweerder de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing op het asielverzoek is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.

3. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. De maatregel wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.



Beoordeling door de rechtbank



Lichter middel




4. Eiser voert aan dat de belangenafweging die heeft plaatsgevonden onvoldoende is en dat er een lichter middel moet worden toegepast. Eiser heeft zich bij aankomst gelijk voor asiel aangemeld, zijn paspoort afgegeven en aangegeven 700 dollar bij zich te hebben. Hij lijdt aan astma en daarvoor ontvangt hij in detentie geen dan wel onvoldoende medicatie.



4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard in beginsel dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied aan een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken en daarom maken dat de maatregel in een concreet geval niet moet worden opgelegd.



4.2.
Verweerder stelt terecht dat het grensbewakingsbelang enkel wordt prijsgegeven in hele bijzondere omstandigheden waarvan bij eiser geen sprake is. In dat verband verwijst verweerder ter zitting naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077). Hieruit volgt dat verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, en dat de beoordeling van verweerder of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Verweerder stelt terecht dat het feit dat eiser zich heeft aangemeld voor asiel, een paspoort heeft afgegeven en over 700 dollar beschikt onvoldoende is om dit grensbewakingsbelang te overstijgen en te concluderen dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Ook in de gestelde medische problemen heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om te volstaan met een lichter middel. Uit de maatregel blijkt dat verweerder een beoordeling van bijzondere omstandigheden heeft verricht en eisers medische problemen – zijn astma en verschillende voedselallergieën - heeft meegewogen. Ter zitting heeft verweerder terecht gesteld dat in het Justitieel Complex Schiphol een medische dienst aanwezig is die eiser kan voorzien van medicijnen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij om medicijnen heeft gevraagd en deze niet heeft gekregen. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat de aanwezige medische dienst toereikend is.



4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Ambtshalve toetsing




5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.






Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.