Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28782

2026-09-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.2444
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.2444
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

afwijzing mvv Eritrea nareis bij vader, stappen naar zelfstandigheid gezet, gezinsband verbroken. Ook Geen BEVA.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.007 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.2444


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D.N. Dutscher).




Procesverloop


Namens eiseres is op 16 december 2021 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam referent] (referent), [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Overwegingen



(Totstandkoming van) het bestreden besluit




1. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. Zij wenst verblijf bij referent, haar vader. Referent heeft sinds 26 september 2011 een asielvergunning in Nederland. Referent heeft in 2011 voor het eerst een mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend voor zijn vrouw en hun zeven kinderen, waaronder eiseres, welke op 31 januari 2012 is afgewezen. Op 16 december 2021 heeft referent alleen voor eiseres de nu voorliggende aanvraag ingediend.



1.1.
Omdat eiseres ten tijde van de huidige mvv-aanvraag 23 jaar oud was en dus een jongvolwassen leeftijd had, heeft verweerder opnieuw beoordeeld of zij in aanmerking komt voor nareis op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals dit artikel gold ten tijde van belang.


1.2.
Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk zijn gemaakt. Eiseres heeft het voordeel van de twijfel gekregen, waardoor zij een identificerend interview heeft gekregen, maar er is geen DNA-onderzoek aangeboden omdat uit het interview is gebleken dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken. Verweerder heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet en dat evenmin sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Verder heeft verweerder zich – om dezelfde redenen – op het standpunt gesteld dat de eiseres geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) krijgt.



Beoordeling door de rechtbank




2. Eiseres betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen haar en referent geen sprake meer is van een feitelijke gezinsband. Het jongvolwassenenbeleid is wel degelijk van toepassing. Als dat niet zo is, dan zijn er in elk geval bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens eiseres is zij volledig afhankelijk van referent. Toen referent Nederland inreisde in 2011 woonde eiseres nog bij haar moeder in Eritrea. In 2021, toen zij 23 jaar was, heeft zij noodgedwongen het ouderlijk huis en haar land moeten verlaten omdat zij gevaar liep in Eritrea. Verweerder heeft in strijd met Werkinstructie 2020/16 deze vluchtsituatie onvoldoende meegewogen. Eiseres is naar Soedan gevlucht. Dat eiseres in de jaren daarna perioden zelfstandig heeft gewoond en heeft gewerkt, komt enkel voort uit haar noodgedwongen vlucht. Deze zelfstandigheid was bovendien slechts relatief. Eiseres heeft in Soedan eerst met hulp van referent bij verre familie kunnen wonen, waar zij op een gegeven moment niet langer terecht kon. In 2023 moest eiseres naar Ethiopië vluchten. Referent heeft haar reis en onderdak daar geregeld. Eiseres heeft weliswaar een aantal maanden gewerkt in Soedan, maar haar inkomen was onvoldoende om in haar onderhoud te kunnen voorzien, en in Ethiopië heeft zij helemaal niet kunnen werken vanwege taalproblemen en haar illegale status. Zij is altijd financieel afhankelijk geweest van familieleden, onder wie referent. Eiseres heeft al met al geen belangrijke stappen naar zelfstandigheid gezet. Referent heeft ook gelijk in 2021, toen eiseres haar land van herkomst is ontvlucht, een nareisaanvraag voor haar gedaan. Dit onderstreept de afhankelijkheid van eiseres van referent.




Het jongvolwassenenbeleid





2.1.
Toen het bestreden besluit werd genomen, gold het jongvolwassenenbeleid. Dit beleid was bedoeld om vast te stellen of tussen een jongvolwassene en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid waren vereist. Het jongvolwassenenbeleid was opgenomen in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, en bevatte vier cumulatieve vereisten: het meerderjarige kind moest jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Omdat de rechtbank het bestreden besluit ex tunc toetst, wordt in deze uitspraak getoetst aan het jongvolwassenenbeleid.



2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan alle voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder heeft in dit verband aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij sinds 2021 niet meer in gezinsverband met haar ouders samenwoont. Hoewel het aanvankelijk een onvrijwillige scheiding betrof, omdat eiseres Eritrea is ontvlucht uit angst voor de militaire dienstplicht, stelt verweerder terecht dat eiseres sindsdien belangrijke stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Hoewel eiseres in eerste instantie in Sudan bij verre familie in huis heeft gewoond (of dorpsgenoten zoals ter zitting werd gezegd door referent), heeft zij vervolgens ook een behoorlijke tijd, eerst nog in Sudan en later in Ethiopië, zelfstandig gewoond. Dat eiseres’ vertrek bij de dorpsgenoten te maken had met de omstandigheid dat deze mensen moesten vluchten uit Sudan vanwege de beginnende oorlog aldaar en het dus niet een eigen keus van eiseres was om zelfstandig te gaan wonen, is eerst ter zitting aangevoerd en op geen enkele manier onderbouwd, zodat dit niet zonder meer wordt gevolgd. Eiseres heeft er in ieder geval voor gekozen om alleen verder te reizen. Zij is vanuit Sudan zelfstandig naar Ethiopië gereisd. In beroep is gesteld dat referent deze reis, en ook de huisvesting in Ethiopië, voor haar had geregeld, maar verweerder heeft dat niet hoeven volgen. Uit het verslag van het interview blijkt immers dat eiseres heeft verklaard de reis naar Ethiopië per bus zelfstandig te hebben geregeld. De stelling dat dit anders is gegaan, is geenszins onderbouwd.
Verweerder heeft naast het zelfstandig wonen terecht waarde gehecht aan de omstandigheid dat eiseres in Sudan gedurende negen maanden heeft gewerkt als huishoudelijke hulp voor zes dagen in de week. Verweerder heeft er vanuit kunnen gaan dat zij hiermee in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Dat dit inkomen onvoldoende was en eiseres in die periode afhankelijk bleef van financiële steun van referent en andere familieleden, heeft verweerder niet hoeven volgen omdat deze stelling niet met bewijsstukken is onderbouwd. De stelling dat eiseres in bewijsnood verkeert omdat de betalingen via ‘hawale’ zijn verstrekt, maakt niet dat verweerder het gebrek aan bewijs niet aan haar kan tegenwerpen. De rechtbank ziet niet in waarom eiseres de gestelde financiële steun niet op andere wijze had kunnen onderbouwen. Verweerder heeft daarnaast terecht opgemerkt dat, los van het gebrek aan bewijs, ook geen duidelijkheid is gegeven over de omvang van de financiële ondersteuning. Ook daarom heeft verweerder de gestelde financiële afhankelijkheid niet hoeven volgen. Dat verweerder hierover meer had moeten doorvragen in het interview, zoals eiseres stelt, volgt de rechtbank niet. Het ligt op de weg van eiseres, voor wie de mvv-aanvraag is ingediend, om voldoende aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor nareis wordt voldaan. Zij had na het interview zelf ook nog nadere informatie kunnen verstrekken. Eiseres heeft er nog op gewezen dat zij in Ethiopië niet heeft gewerkt. Dit laat echter onverlet dat zij eerder in Sudan wel in haar eigen onderhoud heeft voorzien, wat ook aantoont dat zij hiertoe in staat is. De redenen die eiseres heeft gegeven voor het niet werken in Ethiopië – te weten dat zij de taal van dat land niet spreekt en dat zij daar illegaal verblijft – duiden er op zichzelf ook niet op dat zij niet langer in staat zou zijn zelf in haar onderhoud te voorzien.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres, ondanks de noodgedwongen vlucht uit Eritrea, zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat, zoals eiseres stelt, verweerder Werkinstructie 2020/16 niet goed heeft nageleefd.




2.3.
Uit het voorgaande volgt dat aan twee cumulatieve vereisten van het jongvolwassenenbeleid niet wordt voldaan. Verweerder heeft dit beleid daarom terecht niet van toepassing geacht.




Bijkomende elementen van afhankelijkheid





3.1.
Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, volgt dat familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen meerderjarigen kan bestaan, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig zijn. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst, voor zover die zijn aangevoerd, moeten in die beoordeling een rol spelen. Verder kan de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.



3.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid alle relevante door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden heeft betrokken. Eiseres heeft in haar interview aangegeven in Nederland graag met referent te willen samenwonen. Dit laat echter onverlet dat zij sinds referents vertrek uit Eritrea in 2011, dus lange tijd, niet met hem heeft samengewoond. Zij heeft, op een korte periode in 2021 na, zelfstandig gewoond in zowel Sudan als Ethiopië. Verwezen wordt naar hetgeen hierboven over de woonsituatie van eiseres is overwogen. Dat eiseres in materiële zin afhankelijk is van referent is evenmin gebleken. Eiseres heeft tijdens het interview verklaard volledig zelfstandig te zijn in haar persoonlijke verzorging en haar huishouden. De omstandigheid dat zij ten tijde van het bestreden besluit al enkele jaren zelfstandig woonde onderstreept dat eiseres in staat is voor zichzelf te zorgen. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in financiële zin afhankelijk is van referent. Verwezen wordt naar wat daarover hiervoor is overwogen. Daarbij geldt dat verweerder haar in dit kader nog heeft kunnen tegenwerpen dat voor zover er al financiële ondersteuning wordt geboden door referent, deze hulp op afstand voortgezet kan worden. Voorts heeft eiseres ook wat betreft de emotionele verbinding tussen haar en referent geen elementen benoemd waaruit bijzondere afhankelijkheid blijkt. Verweerder heeft verder terecht betrokken dat eiseres geen banden heeft met Nederland. De stelling van eiseres dat verweerder de banden die eiseres met Eritrea heeft, ten onrechte heeft meegewogen omdat zij dat land is ontvlucht, kan de rechtbank op zichzelf volgen, maar dat maakt niet dat de beoordeling anders uitvalt. Dit aspect is slechts een (gedeelte van) een element dat bij de toets aan de bijkomende elementen van afhankelijkheid kan worden betrokken. De door verweerder gemaakte integrale beoordeling van de andere elementen is ook zonder dit (gedeelte van dit) element voldoende om tot de conclusie te komen dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en referent.
4. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Het standpunt van eiseres dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt, slaagt niet. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 27 maart 2024 geoordeeld dat in zaken waar geen familie- of gezinsleven wordt aangenomen, verweerder geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM hoeft te verrichten. De rechtbank komt daarom niet toe aan de stelling van eiseres dat ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken dat het gezinsleven buiten Nederland nergens uitgeoefend kan worden.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent als verbroken kan worden beschouwd. Dat er geruime tijd tussen de aanvraag en het bestreden besluit zit, doet daaraan niet af. De beoordeling of sprake is van familie- of gezinsleven is immers een feitenkwestie, waarbij ook feiten en omstandigheden van ten tijde van het bestreden besluit mogen worden betrokken.

6. De beroepsgrond slaagt niet.



Horen



7. Eiseres betoogt dat verweerder haar had moeten horen in bezwaar. Het op 27 november 2024 gehouden interview met eiseres volstond niet. Verweerder had daarnaast een hoorzitting moeten houden. Verweerder heeft ook ten onrechte nagelaten het verslag van het interview aan (de gemachtigde van) eiseres te verstrekken voor er op het bezwaar werd beslist. Dit maakt de besluitvorming onzorgvuldig.



7.1.
De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van horen kan worden afgezien om een aantal redenen, die uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van de Awb. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.



7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres zelf in de bezwaarfase is gehoord tijdens een interview op 27 november 2024. Eiseres heeft daarin de mogelijkheid gehad om haar aanvraag en de gestelde afhankelijkheid van referent toe te lichten. Er gold voor verweerder geen verplichting om het verslag van dit gehoor eerst voor te leggen aan (de gemachtigde van) eiseres alvorens een beslissing op bezwaar te nemen. In die zin is er dus ook geen sprake van een gebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat verweerder na het interview nog een hoorzitting had moeten houden. Zoals hiervoor is overwogen is er reeds tijdens het interview gelegenheid geweest om relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Nu eiseres bovendien in bezwaar geen nieuwe stukken had overgelegd ter onderbouwing van de gestelde afhankelijkheidsrelatie met referent, bijvoorbeeld over de gestelde financiële steun, heeft verweerder kunnen menen dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander standpunt dan in het primaire besluit was vervat, zodat van (nader) horen kon worden afgezien. Daarbij is van belang dat ook geen sprake was van een situatie waarin ondanks kenbaar gedane inspanningen niet aan onderbouwende stukken kon worden gekomen.



7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.