Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28661
2026-09-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.55093
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring; volgberoep.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21094 Rechtbank Den Haag 28-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:4156 Raad van State 01-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21094 Rechtbank Den Haag 28-07-2026
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2026:148
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.858 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55093
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: A.N. Sap).
Inleiding
1. De minister heeft op 17 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 17 september 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel op 21 september 2026 opgeheven.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op
21 september 2026 gereageerd. De minister heeft op 24 september 2026 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 28 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 24 juli 2026.
2.1.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat de minister tot aan de opheffing van de maatregel onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Het laatste vertrekgesprek was op 8 september 2026 en er is volgens eiser onvoldoende gerappelleerd. Daarnaast voert eiser aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting, omdat hij van meet af aan heeft aangegeven dat hij zijn Libische vader niet kent en in Marokko is opgegroeid. De lp-aanvraag die is verzonden naar de Libische autoriteiten was daarom bij voorbaat zinloos. Verder voert eiser aan dat een lichter middel in de rede lag. Eiser heeft steeds aangegeven terug te willen keren naar Marokko en heeft zelf meegewerkt aan zijn terugkeer, onder meer door meerdere keren te bellen met de ambassade van Marokko. Dat blijkt volgens hem uit de verslagen van de vertrekgesprekken.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 5 augustus 2026, op 20 augustus 2026 en op 8 september 2026 is gerappelleerd bij de Libische autoriteiten. Daarnaast is er op 18 augustus 2026 en op 9 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
4.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Libië, zowel in het algemeen als in het geval van eiser, niet op enig moment ontbrak. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Dat eiser zijn Libische vader niet kent en in Marokko is opgegroeid, maakt niet dat de verzonden lp-aanvraag bij voorbaat zinloos was. Zoals de minister in zijn verweerschrift heeft toegelicht, hebben de Marokkaanse autoriteiten in 2023 de nationaliteit van eiser niet bevestigd en heeft eiser bovendien zelf verklaard in Libië te zijn geboren en daarom de Libische nationaliteit te bezitten. Voor de conclusie dat Libië geen lp zou hebben afgegeven, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
4.2.
Verder overweegt de rechtbank dat zij in de eerdergenoemde uitspraak van 28 juli 2026 al heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om aan te nemen dat wel met een lichter middel had kunnen worden volstaan of dat de voortduring van de bewaring onevenredig of anderszins niet langer gerechtvaardigd was. Dat eiser meerdere keren telefonisch contact heeft opgenomen met de ambassade van Marokko, maakt dit niet anders, nu de uitzetting is gericht op Libië. Bovendien hebben de Marokkaanse autoriteiten, zoals hiervoor onder 4.1 ook is overwogen, in 2023 de nationaliteit van eiser niet bevestigd en heeft eiser zelf verklaard in Libië te zijn geboren.
5. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en de opheffing van de maatregel onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 28 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21094.
Laissez-passer.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 28 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21094, onder 12.
Zie onder andere het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55093
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: A.N. Sap).
Inleiding
1. De minister heeft op 17 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 17 september 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel op 21 september 2026 opgeheven.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op
21 september 2026 gereageerd. De minister heeft op 24 september 2026 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 28 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 24 juli 2026.
2.1.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat de minister tot aan de opheffing van de maatregel onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Het laatste vertrekgesprek was op 8 september 2026 en er is volgens eiser onvoldoende gerappelleerd. Daarnaast voert eiser aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting, omdat hij van meet af aan heeft aangegeven dat hij zijn Libische vader niet kent en in Marokko is opgegroeid. De lp-aanvraag die is verzonden naar de Libische autoriteiten was daarom bij voorbaat zinloos. Verder voert eiser aan dat een lichter middel in de rede lag. Eiser heeft steeds aangegeven terug te willen keren naar Marokko en heeft zelf meegewerkt aan zijn terugkeer, onder meer door meerdere keren te bellen met de ambassade van Marokko. Dat blijkt volgens hem uit de verslagen van de vertrekgesprekken.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 5 augustus 2026, op 20 augustus 2026 en op 8 september 2026 is gerappelleerd bij de Libische autoriteiten. Daarnaast is er op 18 augustus 2026 en op 9 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
4.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Libië, zowel in het algemeen als in het geval van eiser, niet op enig moment ontbrak. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Dat eiser zijn Libische vader niet kent en in Marokko is opgegroeid, maakt niet dat de verzonden lp-aanvraag bij voorbaat zinloos was. Zoals de minister in zijn verweerschrift heeft toegelicht, hebben de Marokkaanse autoriteiten in 2023 de nationaliteit van eiser niet bevestigd en heeft eiser bovendien zelf verklaard in Libië te zijn geboren en daarom de Libische nationaliteit te bezitten. Voor de conclusie dat Libië geen lp zou hebben afgegeven, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
4.2.
Verder overweegt de rechtbank dat zij in de eerdergenoemde uitspraak van 28 juli 2026 al heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om aan te nemen dat wel met een lichter middel had kunnen worden volstaan of dat de voortduring van de bewaring onevenredig of anderszins niet langer gerechtvaardigd was. Dat eiser meerdere keren telefonisch contact heeft opgenomen met de ambassade van Marokko, maakt dit niet anders, nu de uitzetting is gericht op Libië. Bovendien hebben de Marokkaanse autoriteiten, zoals hiervoor onder 4.1 ook is overwogen, in 2023 de nationaliteit van eiser niet bevestigd en heeft eiser zelf verklaard in Libië te zijn geboren.
5. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en de opheffing van de maatregel onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 28 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21094.
Laissez-passer.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 28 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21094, onder 12.
Zie onder andere het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).