Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28657

2026-07-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39127
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39127
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring; vervolgberoep; ongegrond; Somalische; zicht op uitzetting geen vereiste bij artikel 59b Vw; geen lichter middel door tijdsverloop;

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.764 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.39127

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Jankie),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: H. Toonders).




Procesverloop


De minister heeft op 2 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.





Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1995] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.30833) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het



voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.




Zicht op uitzetting


4. Eiser voert aan dat hij afkomstig is uit Somaliland. Om die reden zullen de Somalische autoriteiten geen laissez passer voor hem verstrekken. Mitsdien is er volgens hem geen zicht op uitzetting.

5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een zicht op uitzetting geen vereiste is voor (de voortduring van) bewaring op grond van artikel 59b van de Vw.1 De beroepsgrond slaagt daarom niet.



Lichter middel en belangenafweging


6. Eiser voert aan dat de minister kan volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, dan wel dat een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen en de maatregel mitsdien dient te worden opgeheven. De rechtbank heeft zich hierover al uitgelaten in rechtsoverweging 7 van haar genoemde uitspraak van

17 juni 2026 (in de zaak NL26.30833). Eiser heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Een enkele omstandigheid van het tijdsverloop sinds die uitspraak volstaat in dit verband niet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing


7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.



Conclusie


8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.











1. ECLI:NL:RVS:2026:2618.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




23 juli 2026



















Documentcode:















Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.