Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28586
2026-09-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.53545
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen bewaring art. 59 Vw en tegen verlengingsbesluit. Onderduikrisico mag worden aangenomen, geen motiveringsgebrek, voldoende voortvarend, zicht op uitzetting ontbreekt niet. Arrest Aroja, termijn zes maanden nog niet overschreden omdat bewaring ogv art. 59b Vw niet meetelt.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2026:148
- ECLI:NL:RVS:2026:4092 Raad van State 16-07-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.725 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.53545
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. De maatregel bevat tevens een verlengingsbesluit.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Ook wordt eiser met de kennisgeving van de maatregel geacht beroep te hebben ingesteld tegen het in de maatregel opgenomen verlengingsbesluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Majdoubi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingebesluit 2000 zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.1.
Eiser betwist niet dat de tegengeworpen gronden feitelijk juist zijn, maar hij stelt dat de minister de gronden niet heeft voorzien van de vereiste toelichting en dat hij onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.
4.2.2.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank wijst in dat verband op de opsomming van de gronden in de maatregel, waaruit blijkt dat alle gronden zijn voorzien van de vereiste feitelijke dan wel nadere toelichting. De rechtbank is van oordeel dat deze toelichting ook voldoende op eisers individuele situatie is toegespitst. Verder heeft de minister in de maatregel, onder verwijzing naar de gronden, overwogen dat het risico bij oplegging van een meldplicht te groot is en dat in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is om eiser eventueel aan de benodigde medicatie te helpen. De minister kon volstaan met die motivering, nu eiser verder ook geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Er is in die zin dus geen sprake van een motiveringsgebrek.
5. Eiser betoogt verder dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd welke relevante omstandigheden zijn gewijzigd sinds zijn vorige inbewaringstelling, die nog maar zeven weken geleden is opgeheven.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Voor zover in een dergelijk geval al sprake moet zijn van gewijzigde omstandigheden heeft de minister in dit geval in de maatregel toegelicht dat op 4 augustus 2026, dus na de opheffing van de vorige inbewaringstelling, bericht is ontvangen van de Marokkaanse autoriteiten dat voor eiser een laissez-passer zal worden afgegeven. Dit document is afgegeven op 5 augustus 2026 en geldig tot 5 oktober 2026. Ook in die zin is dus geen sprake van een motiveringsgebrek.
6. Eisers betoog dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt slaagt ook niet. Zoals hiervoor is overwogen is voor eiser al een laissez passer afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten, die geldig is tot 5 oktober 2026, en ter zitting heeft de minister verklaard dat voor eiser een vlucht is geboekt op 28 september 2026.
7. Eisers betoog dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt slaagt evenmin. Op 14 september 2026, de vijfde dag van de inbewaringstelling, is een vertrekgesprek gevoerd met eiser, op 15 september 2026 is een vlucht aangevraagd en op
17 september 2026 is bekendgemaakt dat voor eiser een vlucht is geboekt op 28 september 2026. Dat acht de rechtbank voldoende voortvarend. De minister was er niet toe gehouden om al voorafgaand aan de bewaring uitzettingshandelingen te verrichten. Eiser was toen immers niet in beeld bij de minister.
Het verlengingsbesluit
8. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat uit het arrest Aroja voortvloeit dat de minister een verlengingsbesluit moet nemen wanneer de duur van de verschillende periodes van bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld zes maanden bedraagt.
8.2.1
Eiser betoogt in dat verband dat de minister in het besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op basis waarvan nu een verlengingsbesluit moest worden genomen. Hij wijst er in dat verband op dat hij al meer dan zeven maanden in bewaring heeft gezeten.
8.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft in het besluit overwogen dat binnen twee weken de termijn van zes maanden van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw verstrijkt en dat de maatregel van bewaring daarom eveneens moet worden aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw. De minister heeft daarbij gewezen op de eerdere periodes van inbewaringstelling. Dat acht de rechtbank voldoende. Uit het dossier blijkt immers dat eiser van 18 tot en met 24 december 2025 en van 18 februari 2026 tot en met 27 juli 2026 ook al in bewaring zat op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw. Zoals de minister terecht heeft overwogen heeft eiser dus bijna zes maanden (167 dagen) op deze grondslag in bewaring gezeten en was daarom een verlengingsbesluit noodzakelijk. Dat eiser van 24 december 2025 tot en met 18 februari 2026 vanwege zijn asielaanvraag ook in bewaring zat op grond van artikel 59b van de Vw zat, maakt niet dat de minister al eerder een verlengingsbesluit had moeten nemen. De periode waarin hij op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring heeft verbleven, telt namelijk niet mee bij het berekenen van de maximale bewaringsduur, bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw. Het arrest Aroja gaat immers alleen over perioden van bewaring op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn ter uitvoering van een terugkeerbesluit.
9. Eiser betoogt verder dat de minister in het besluit onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom de bewaring met ten hoogste 12 maanden moest worden verlengd.
Eiser stelt dat de door de minister aangehaalde gedragingen uit het verleden in dat verband onvoldoende zijn.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. De minister heeft kunnen volstaan met de overweging dat de verlenging van de maximale bewaringsduur noodzakelijk is omdat eiser niet meewerkt aan zijn verwijdering. Hij heeft in dat verband kunnen verwijzen naar de in de maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de overweging dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is. Daaruit volgt dat eiser, gelet op de reeds verstrekte laissez passer, binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet en dat het niet aannemelijk is dat hij bij oplegging van bijvoorbeeld een meldplicht zelfstandig zal vertrekken. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat eiser desgevraagd heeft verklaard ‘niets te vinden’ van het voorgenomen verlengingsbesluit.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel en de verlenging van de maximale bewaringstermijn niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en tegen het verlengingsbesluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:4092.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.53545
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. De maatregel bevat tevens een verlengingsbesluit.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Ook wordt eiser met de kennisgeving van de maatregel geacht beroep te hebben ingesteld tegen het in de maatregel opgenomen verlengingsbesluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Majdoubi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingebesluit 2000 zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.1.
Eiser betwist niet dat de tegengeworpen gronden feitelijk juist zijn, maar hij stelt dat de minister de gronden niet heeft voorzien van de vereiste toelichting en dat hij onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.
4.2.2.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank wijst in dat verband op de opsomming van de gronden in de maatregel, waaruit blijkt dat alle gronden zijn voorzien van de vereiste feitelijke dan wel nadere toelichting. De rechtbank is van oordeel dat deze toelichting ook voldoende op eisers individuele situatie is toegespitst. Verder heeft de minister in de maatregel, onder verwijzing naar de gronden, overwogen dat het risico bij oplegging van een meldplicht te groot is en dat in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is om eiser eventueel aan de benodigde medicatie te helpen. De minister kon volstaan met die motivering, nu eiser verder ook geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Er is in die zin dus geen sprake van een motiveringsgebrek.
5. Eiser betoogt verder dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd welke relevante omstandigheden zijn gewijzigd sinds zijn vorige inbewaringstelling, die nog maar zeven weken geleden is opgeheven.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Voor zover in een dergelijk geval al sprake moet zijn van gewijzigde omstandigheden heeft de minister in dit geval in de maatregel toegelicht dat op 4 augustus 2026, dus na de opheffing van de vorige inbewaringstelling, bericht is ontvangen van de Marokkaanse autoriteiten dat voor eiser een laissez-passer zal worden afgegeven. Dit document is afgegeven op 5 augustus 2026 en geldig tot 5 oktober 2026. Ook in die zin is dus geen sprake van een motiveringsgebrek.
6. Eisers betoog dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt slaagt ook niet. Zoals hiervoor is overwogen is voor eiser al een laissez passer afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten, die geldig is tot 5 oktober 2026, en ter zitting heeft de minister verklaard dat voor eiser een vlucht is geboekt op 28 september 2026.
7. Eisers betoog dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt slaagt evenmin. Op 14 september 2026, de vijfde dag van de inbewaringstelling, is een vertrekgesprek gevoerd met eiser, op 15 september 2026 is een vlucht aangevraagd en op
17 september 2026 is bekendgemaakt dat voor eiser een vlucht is geboekt op 28 september 2026. Dat acht de rechtbank voldoende voortvarend. De minister was er niet toe gehouden om al voorafgaand aan de bewaring uitzettingshandelingen te verrichten. Eiser was toen immers niet in beeld bij de minister.
Het verlengingsbesluit
8. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat uit het arrest Aroja voortvloeit dat de minister een verlengingsbesluit moet nemen wanneer de duur van de verschillende periodes van bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld zes maanden bedraagt.
8.2.1
Eiser betoogt in dat verband dat de minister in het besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op basis waarvan nu een verlengingsbesluit moest worden genomen. Hij wijst er in dat verband op dat hij al meer dan zeven maanden in bewaring heeft gezeten.
8.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft in het besluit overwogen dat binnen twee weken de termijn van zes maanden van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw verstrijkt en dat de maatregel van bewaring daarom eveneens moet worden aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw. De minister heeft daarbij gewezen op de eerdere periodes van inbewaringstelling. Dat acht de rechtbank voldoende. Uit het dossier blijkt immers dat eiser van 18 tot en met 24 december 2025 en van 18 februari 2026 tot en met 27 juli 2026 ook al in bewaring zat op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw. Zoals de minister terecht heeft overwogen heeft eiser dus bijna zes maanden (167 dagen) op deze grondslag in bewaring gezeten en was daarom een verlengingsbesluit noodzakelijk. Dat eiser van 24 december 2025 tot en met 18 februari 2026 vanwege zijn asielaanvraag ook in bewaring zat op grond van artikel 59b van de Vw zat, maakt niet dat de minister al eerder een verlengingsbesluit had moeten nemen. De periode waarin hij op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring heeft verbleven, telt namelijk niet mee bij het berekenen van de maximale bewaringsduur, bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw. Het arrest Aroja gaat immers alleen over perioden van bewaring op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn ter uitvoering van een terugkeerbesluit.
9. Eiser betoogt verder dat de minister in het besluit onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom de bewaring met ten hoogste 12 maanden moest worden verlengd.
Eiser stelt dat de door de minister aangehaalde gedragingen uit het verleden in dat verband onvoldoende zijn.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. De minister heeft kunnen volstaan met de overweging dat de verlenging van de maximale bewaringsduur noodzakelijk is omdat eiser niet meewerkt aan zijn verwijdering. Hij heeft in dat verband kunnen verwijzen naar de in de maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de overweging dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is. Daaruit volgt dat eiser, gelet op de reeds verstrekte laissez passer, binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet en dat het niet aannemelijk is dat hij bij oplegging van bijvoorbeeld een meldplicht zelfstandig zal vertrekken. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat eiser desgevraagd heeft verklaard ‘niets te vinden’ van het voorgenomen verlengingsbesluit.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel en de verlenging van de maximale bewaringstermijn niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en tegen het verlengingsbesluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:4092.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.