Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28577

2026-09-24 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.53539
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-24
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.53539
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring art. 59a Vw. Geen lichter middel ondanks gestelde duurzame relatie, zicht op overdracht ontbreekt niet, voldoende voortvarend. Beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.977 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.53539


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 10 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Majdoubi als tolk en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.



3.1.
Op grond van het Vreemdelingebesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.




4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.



4.2.1.
Eiser betwist de gronden van de maatregel niet, maar betoogt dat de minister desondanks met een lichter middel had moeten volstaan en dat hij in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom daarvan is afgezien. Eiser wijst in dat verband op het feit dat hij een bestendige relatie heeft met zijn in Nederland woonachtige partner, dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan en dat hij heeft meegewerkt aan het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel. Ook wijst eiser op zijn gezondheid, hij heeft veel stress door de wetenschap dat hij naar Spanje moet vertrekken.



4.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring weliswaar verklaard dat hij een partner heeft in Nederland, maar hij heeft ook verklaard dat hij bij haar op bezoek gaat maar niet bij haar verblijft en dat hij ‘her en der’ in auto’s slaapt. De minister heeft daaraan dan ook geen specifieke overweging hoeven te wijden, omdat hieruit niet blijkt dat sprake is van een duurzame relatie. Over het lichtere middel heeft de minister verder kunnen overwegen dat in het detentiecentrum medische zorg voor handen is, dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, dat hij zich niet uit eigen beweging heeft gemeld bij de autoriteiten en dat dientengevolge het risico bij het opleggen van een meldplicht te groot is. De minister kon volstaan met deze overweging en heeft geen lichter middel hoeven opleggen. Dat eisers identiteit en nationaliteit vaststaan maakt dat niet anders.


5. Eiser betoogt verder dat er geen zicht is op overdracht binnen een redelijke termijn en ook dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht aan Spanje.





5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden ook niet slagen. Op 14 september 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd en op dezelfde dag is aan de Kmar gevraagd om eisers overdracht aan Spanje in te plannen, de Spaanse autoriteiten waren immers eerder al akkoord gegaan met eisers overdracht. De Kmar heeft op 17 september 2026 te kennen gegeven dat voor eiser een vlucht met escorts is geboekt op 25 september 2026. Het zicht op overdracht ontbreekt dus niet en de minister heeft voldoende voortvarend gewerkt aan de daadwerkelijke overdracht.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van een onverwijlde kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw. De hoogste bestuursrechter heeft recent geoordeeld dat hiervan sprake is als de kennisgeving binnen zes uren na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Eiser is op 10 september 2026 om 19:32 uur in vreemdelingenbewaring gesteld en op 11 september 2026 om 10:14 uur heeft de minister de rechtbank daarvan in kennis gesteld. De minister heeft de rechtbank dus niet binnen zes uren in kennis gesteld van de bestreden maatregel. Dit gebrek leidt echter niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig moet worden geacht. De minister heeft immers wel binnen een aanvaardbare termijn kennisgegeven om het beroep tijdig te kunnen behandelen. De rechtbank heeft op 18 september 2026, dus acht dagen na de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, het beroep op een zitting behandeld, en heeft veertien dagen na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitspraak gedaan. Dat is dus binnen de termijn bedoeld in artikel 94, vijfde lid, van de Vw. Eiser heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door het niet onverwijld versturen van de kennisgeving in zijn verdediging is geschaad.



Leidt verdere ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


7. De rechtbank ziet verder in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.


Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.


Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Koninklijke Marechaussee


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
17 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5462.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.