Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28574
2026-09-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.54104
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring art. 59 Vw. Onderduikrisico mag worden aangenomen, geen lichter middel, duur overbrenging niet onredelijk lang. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2004:AS2587 Raad van State 31-12-2004
- ECLI:NL:RVS:2023:4808 Raad van State 22-12-2023
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.994 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.54104
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.H. van Wingerden, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eiser betoogt dat de minister de gronden a, b, g en r ten onrechte heeft tegengeworpen.
4.3.
Voor zover eiser daarmee bedoelt te betogen dat de minister ten onrechte aanneemt dat het risico bestaat dat hij zal onderduiken, is de rechtbank van oordeel dat zijn beroepsgrond niet slaagt. Eiser is bij besluit van 5 april 2022 ongewenst verklaard en is sindsdien meerdere malen uitgezet naar Polen. Eiser is echter telkens weer teruggekeerd en heeft dat niet gemeld bij de autoriteiten. De minister mag hem daarom tegenwerpen dat hij Nederland niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn heeft verlaten, dat hij niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat hij zich enige tijd heeft onttrokken aan het toezicht. Dat eiser een Unieburger is maakt dat niet anders, hij is immers ongewenst verklaard en mag daarom sowieso niet in Nederland zijn. Dat eiser niet op de juiste wijze op de hoogte zou zijn gebracht van zijn ongewenstverklaring leidt evenmin tot een ander oordeel. Daargelaten of eiser destijds met behulp van een tolk op de hoogte is gebracht van dat besluit, is eiser sindsdien meerdere malen uitgezet naar Polen en blijkt uit zijn eigen verklaringen dat hij weet dat hij niet in Nederland mag zijn. De minister mag eiser daarnaast tegenwerpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Dat eiser af en toe slaapt in een inloophuis van AMOC is in dat verband onvoldoende. Ook de niet betwiste grond s heeft de minister kunnen tegenwerpen. Deze vijf gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
5. Eiser betoogt ook dat de inbewaringstelling onrechtmatig is, omdat hij voorafgaand daaraan te lang is opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw.
5.1.
Uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding blijkt dat eiser op
11 september 2026 om 11:18 uur is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor aan de [adres]. Eiser is daar om 15:15 uur aangekomen en is vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De ophouding is beëindigd omstreeks 19:56 uur, omdat aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd.
5.2.
De tijdstippen zijn door eiser niet betwist, maar hij stelt dat de overbrenging te lang heeft geduurd, zodat het er voor moet worden gehouden dat de ophouding al eerder is aangevangen en dus langer heeft geduurd dan wettelijke termijn van zes uren. De rechtbank volgt dat betoog niet. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter kan, gelet op alle omstandigheden die bij het vervoer een rol kunnen spelen, een totale duur van de overbrenging, inclusief eventuele wachttijd, van een vreemdeling van maximaal tien uren als redelijk worden aangemerkt. Omdat in het geval van de eiser de totale duur van de overbrenging vier uren bedroeg, is hier sprake van een redelijke duur. De duur van de overbrenging vormt daarom geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Eiser betoogt verder dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. Eiser kan een treinkaartje regelen met stichting Barka en kan dan zelfstandig vertrekken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. De minister heeft in de maatregel overwogen dat het gedrag en de uitspraken van eiser geen aanleiding geven tot het toepassen van een lichter middel. De minister heeft daarbij betrokken dat eiser niet uit eigen beweging binnen de hem gestelde termijn uit Nederland is vertrokken, dat hij sinds juni 2020 zes keer is overgedragen en steeds weer is teruggekeerd, dat eiser steeds geen mededeling van zijn onrechtmatige verblijf heeft gedaan, dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en een zwervend bestaan leidt en dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De minister heeft in dat verband kunnen overwegen dat het succesvol uitvoeren van toezicht op eisers vertrek door middel van een meldplicht vereist dat eiser op zijn minst traceerbaar is en beschikt over de financiële middelen om zijn verblijf tot
zijn uitreis te bekostigen en dat dit hier niet het geval is. De minister kon volstaan met die motivering en heeft geen lichter middel hoeven opleggen. Eisers enkele stelling dat hij nu met stichting Barka kan vertrekken maakt dat niet anders.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. De rechtbank ziet verder in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
31 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AS2587, en 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4808.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.54104
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.H. van Wingerden, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eiser betoogt dat de minister de gronden a, b, g en r ten onrechte heeft tegengeworpen.
4.3.
Voor zover eiser daarmee bedoelt te betogen dat de minister ten onrechte aanneemt dat het risico bestaat dat hij zal onderduiken, is de rechtbank van oordeel dat zijn beroepsgrond niet slaagt. Eiser is bij besluit van 5 april 2022 ongewenst verklaard en is sindsdien meerdere malen uitgezet naar Polen. Eiser is echter telkens weer teruggekeerd en heeft dat niet gemeld bij de autoriteiten. De minister mag hem daarom tegenwerpen dat hij Nederland niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn heeft verlaten, dat hij niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat hij zich enige tijd heeft onttrokken aan het toezicht. Dat eiser een Unieburger is maakt dat niet anders, hij is immers ongewenst verklaard en mag daarom sowieso niet in Nederland zijn. Dat eiser niet op de juiste wijze op de hoogte zou zijn gebracht van zijn ongewenstverklaring leidt evenmin tot een ander oordeel. Daargelaten of eiser destijds met behulp van een tolk op de hoogte is gebracht van dat besluit, is eiser sindsdien meerdere malen uitgezet naar Polen en blijkt uit zijn eigen verklaringen dat hij weet dat hij niet in Nederland mag zijn. De minister mag eiser daarnaast tegenwerpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Dat eiser af en toe slaapt in een inloophuis van AMOC is in dat verband onvoldoende. Ook de niet betwiste grond s heeft de minister kunnen tegenwerpen. Deze vijf gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
5. Eiser betoogt ook dat de inbewaringstelling onrechtmatig is, omdat hij voorafgaand daaraan te lang is opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw.
5.1.
Uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding blijkt dat eiser op
11 september 2026 om 11:18 uur is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor aan de [adres]. Eiser is daar om 15:15 uur aangekomen en is vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De ophouding is beëindigd omstreeks 19:56 uur, omdat aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd.
5.2.
De tijdstippen zijn door eiser niet betwist, maar hij stelt dat de overbrenging te lang heeft geduurd, zodat het er voor moet worden gehouden dat de ophouding al eerder is aangevangen en dus langer heeft geduurd dan wettelijke termijn van zes uren. De rechtbank volgt dat betoog niet. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter kan, gelet op alle omstandigheden die bij het vervoer een rol kunnen spelen, een totale duur van de overbrenging, inclusief eventuele wachttijd, van een vreemdeling van maximaal tien uren als redelijk worden aangemerkt. Omdat in het geval van de eiser de totale duur van de overbrenging vier uren bedroeg, is hier sprake van een redelijke duur. De duur van de overbrenging vormt daarom geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Eiser betoogt verder dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. Eiser kan een treinkaartje regelen met stichting Barka en kan dan zelfstandig vertrekken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. De minister heeft in de maatregel overwogen dat het gedrag en de uitspraken van eiser geen aanleiding geven tot het toepassen van een lichter middel. De minister heeft daarbij betrokken dat eiser niet uit eigen beweging binnen de hem gestelde termijn uit Nederland is vertrokken, dat hij sinds juni 2020 zes keer is overgedragen en steeds weer is teruggekeerd, dat eiser steeds geen mededeling van zijn onrechtmatige verblijf heeft gedaan, dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en een zwervend bestaan leidt en dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De minister heeft in dat verband kunnen overwegen dat het succesvol uitvoeren van toezicht op eisers vertrek door middel van een meldplicht vereist dat eiser op zijn minst traceerbaar is en beschikt over de financiële middelen om zijn verblijf tot
zijn uitreis te bekostigen en dat dit hier niet het geval is. De minister kon volstaan met die motivering en heeft geen lichter middel hoeven opleggen. Eisers enkele stelling dat hij nu met stichting Barka kan vertrekken maakt dat niet anders.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. De rechtbank ziet verder in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
31 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AS2587, en 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4808.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.