Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28339

2026-08-26 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/680072 / FA RK 25-1018
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-09-26
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/680072 / FA RK 25-1018
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontbinding geregistreerd partnerschap. Hoofdverblijf, zorgregeling, kinderalimentatie. Voortgezet gebruik woning. Verdeling gemeenschap - beroep op art. 3:194 BW slaagt. Overige vorderingen t.a.v. kosten afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (70.806 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummers: FA RK 25-1018 en FA RK 25-5335
Zaaknummers: C/09/680072 en C/09/688492
Datum beschikking: 26 augustus 2026


Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 11 februari 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.M. Vessies te Haarlem.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: eerst mr. A. Krim, nu mr. H.R. Carrière te Haarlem.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift met producties 1 t/m 27;


het bericht van 24 februari 2025, met bijlage, van de man;


het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met producties 1 t/m 31, van 6 mei 2025 van de vrouw;


het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met producties 1 t/m 18, van 2 juli 2025 van de man;


het bericht van 15 juli 2026 inhoudende aanvullende verzoeken, met producties 19 t/m 49, van de man;


het bericht van 16 juli 2026, met producties uit de voorlopige voorzieningenprocedure, van de man;


het bericht van 23 juli 2026, met productie 32, van de vrouw.




Op 29 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.




Feiten


De man en de vrouw zijn op [datum] 2015 in [plaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan.


Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:



o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ;
o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] .



De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.


Deze rechtbank heeft op 30 december 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang inhoudende dat:



o een voorlopige zorgregeling op basis van birdnesting geldt als volgt: de kinderen zijn de even weken vanaf maandagmiddag tot woensdag 18.30 uur met de moeder; vanaf woensdag 18.30 uur tot vrijdag naar school zijn ze met de vader; vanaf vrijdagmiddag tot donderdag naar school in de oneven week, zijn ze met de moeder; vanaf donderdag uit school tot maandag naar school zijn ze met de vader;
o de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026, voorlopig een kinderalimentatie zal betalen van € 132,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.




Verzoek en verweer
De rechtbank houdt hierna bij de weergave van de verzoeken de nummering van partijen aan.


De man verzoekt – na wijziging en aanvulling – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :

2. het geregistreerd partnerschap te ontbinden;
3. te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man en tevens te bepalen dat de opvoeding en verzorgingstaken tussen partijen aldus worden verdeeld dat, uitgaande van een twee wekelijks schema, in week één de kinderen van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vrouw verblijven en van woensdag uit school tot maandagochtend naar school bij de man. In de tweede week zijn de kinderen van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vrouw en van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de man en van vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school bij de vrouw en vervolgens begint het schema van week 1, daarna week 2 etc.
4. te bepalen dat de vakanties worden verdeeld conform het voorstel van de man;
5. het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderalimentatie af te wijzen voor zover de kinderalimentatie meer bedraagt dan primair € 20,- per kind per maand, subsidiair € 61,- per kind per maand;
6. de man vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vrouw vervangt, om een paspoort en een Europese ID kaart aan te vragen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
7. te bepalen dat de vrouw 50% van de kosten van de afgifte van de paspoorten en ID bewijzen op eerste verzoek van de man dient te voldoen;
8. te bepalen dat na afgifte van de paspoorten en ID bewijzen, deze zullen worden beheerd door de man;
9. te bepalen dat de man jegens de vrouw bevoegd is om de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats] , en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking voort te zetten;
10. de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen aldus vast te stellen:

o de echtelijke woning aan de [adres 1] in [plaats] wordt voor een bedrag van € 536.000,- toegedeeld aan de man, onder verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid inzake de op de woning rustende Aegon hypotheek, hypotheeknummer [nummer 1] en onder de verplichting om de helft van de netto overwaarde te vergoeden aan de vrouw;
o het saldo van de Aegon bankspaarhypotheek [nummer 2] toe te delen aan de man, onder de verplichting om de helft van de netto waarde van deze rekening te vergoeden aan de vrouw;
o te bepalen dat de saldi van de door partijen aangehouden bankrekeningen zoals ad 13 t/m 20 in het inleidend verzoekschrift echtscheiding bedoeld aldus worden verdeeld dat ieder der partijen de op zijn/haar naam gestelde bankrekeningen behoudt, onder de verplichting om de helft van de zich daarop bevindende banksaldi te vergoeden aan de andere partij en gemeenschappelijke rekening(en) word(t)(en) opgeheven en de zich daarop bevindende saldi 50/50 tussen partijen worden verdeeld;
o te bepalen dat de inhoud van der partijen kluis ter hoogte van € 28.050,- wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van dat bedrag te vergoeden;
o te bepalen dat de aandelen in de besloten vennootschap onder beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam 1] B.V. worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van de waarde, met inachtneming van de belastinglatentie aanmerkelijk belang, van de aandelen te vergoeden;
o te bepalen dat de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2] wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van de waarde van de onderneming te vergoeden;
o te bepalen dat de Nissan Qashqai, kenteken [kenteken 1] , wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van de waarde van de auto te vergoeden;
o te bepalen dat de Kia Piccanto, kenteken [kenteken 2] , wordt toegedeeld aan de vrouw, met de verplichting om de man de helft van de waarde van de auto te vergoeden;
o te bepalen dat de computer aan de man wordt toegedeeld en de vrouw te veroordelen tot afgifte van de computer aan de man binnen twee dagen na betekening van de in deze zaak af te geven beschikking, zulks onder een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
o en voorts naar aanleiding van de (pin)opnames, althans de bankmutaties door de vrouw in de periode vanaf 1 oktober 2024, tlv. de door haar aangehouden bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] en/of mogelijke andere bankrekeningen:

Primair

 te bepalen dat de vrouw op de voet van art. 3:194 lid 2 BW de door haar in de periode van 18 oktober 2024 t/m 25 november 2024 van de ING betaalrekening [rekeningnummer 1] opgenomen bedragen ter hoogte van in totaal € 56.150,- verbeurt aan de man;
 te bepalen dat de vrouw op de voet van art. 3:194 lid 2 BW de door haar in de periode van 14 t/m 11 november 2024 van de rekening [rekeningnummer 2] opgenomen bedragen ter hoogte van in totaal € 26.008,70 verbeurt aan de man;

Subsidiair

 de vrouw op de voet van art. 1:164 BW te veroordelen om de door haar door middel van haar opnames in de periode van 18 oktober 2024 t/m 25 november 2024 van de ING betaalrekening [rekeningnummer 1] aan de gemeenschap aangerichte schade ter hoogte van € 56.150,-, na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de gemeenschap te vergoeden en dat dit bedrag bij helfte dient te worden verdeeld, althans de vrouw de helft van deze waarde (€ 28.075,-) dient te vergoeden aan de man;
 de vrouw op de voet van art. 1:164 BW te veroordelen om de door haar door middel van haar opnames in de periode van 14 t/m 11 november 2024 van de rekening [rekeningnummer 2] aan de gemeenschap aangerichte schade ter hoogte van € 26.008,70, na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de gemeenschap te vergoeden, en dat dit bedrag bij helfte dient te worden verdeeld, althans de vrouw de helft van dit bedrag (€ 13.004,35) dient te vergoeden aan de man;

11. en voorts naar aanleiding van de betalingen door de man en de non-, althans onvoldoende betalingen door de vrouw gedurende de periode van birdnesting:


primair: de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 14.715,41, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 15 juli 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede € 694,- per maand, voor het eerst met ingang van 1 juli 2026, maandelijks telkens bij vooruitbetaling door de vrouw aan de man te voldoen, als bijdrage in de kosten van de eigenaars- en gebruikerslasten van de gemeenschappelijke woning, zolang als de birdnesting regeling voortduurt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van de eerste van iedere maand waarop de termijn die betrekking heeft op die maand opeisbaar is geworden, tot aan de dag van de algehele voldoening;

subsidiair: voor recht te verklaren, althans te bepalen, dat aan de man toekomt een bedrag van € 4.944,83 uit de overwaarde van de gemeenschappelijke woning vanwege de hypotheek aflossingen die de man sedert de peildatum alleen heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode d.d. 15 juli 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en voor zover noodzakelijk de vrouw te veroordelen dit bedrag aan de man te voldoen.



De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.
Verder heeft de vrouw zelfstandig verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken;


te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;



een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, zoals onder
punt 21 van het verweerschrift is verwoord;




te bepalen dat na elke wisseling van de kinderen van de ene ouder naar de
andere ouder de ouder bij wie de kinderen het laatst hebben verbleven, de
ontvangende ouder informeert over het verloop van het verblijf van de kinderen bij hem of bij haar;




te bepalen dat de man aan de vrouw zal dienen te betalen een bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 268,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;




te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het gehele bedrag aan kinderbijslag
voor de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;




de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen aldus vast te stellen:
o te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats] voor een bedrag van € 510.000,- aan de vrouw wordt toegedeeld, onder verplichting om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid inzake de op de woning rustende Aegon hypotheek met hypotheeknummer [nummer 1] en onder de verplichting om de helft van de netto overwaarde te vergoeden aan de man;
o het saldo van de Aegon bankspaarhypotheek [nummer 2] toe te delen aan de vrouw, onder de verplichting om de helft van de netto waarde van deze rekening te vergoeden aan de man;
o te bepalen dat de inhoud van der partijen kluis ter hoogte van € 56.050,- wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van dat bedrag te vergoeden;
o te bepalen dat de aandelen in de besloten vennootschap onder beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam 1] B.V. worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van de waarde van de aandelen te vergoeden;
o te bepalen dat de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2] wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting om de vrouw de helft van de waarde van de onderneming te vergoeden;
o te bepalen dat de Nissan Qashqai, kenteken [kenteken 1] , wordt toegedeeld aan de man primair voor de aankoopadviesprijs van € 10.432,-, subsidiair voor het gemiddelde bedrag van € 9.281,66 onder de verplichting om de vrouw de helft van de waarde van de auto te vergoeden;
o te bepalen dat de Kia Picanto, kenteken [kenteken 2] , wordt toegedeeld aan de vrouw primair voor de aankoopadviesprijs van € 5.218,-, subsidiair voor het gemiddelde bedrag van € 4.618,- onder de verplichting om de man de helft van de waarde van de auto te vergoeden;
o te bepalen dat de bankrekening [rekeningnummer 3] (SNS Internet Sparen) onder verrekening van het saldo van € 0,18 wordt opgeheven of indien de man dat wil, deze aan hem wordt toegescheiden;
o te bepalen dat het saldo op peildatum op de bankrekening [rekeningnummer 4] (SNS compleet) bij helfte wordt gedeeld en te bepalen dat partijen deze rekening opheffen of als de man dat wil, deze rekening aan hem wordt toegescheiden;
o te bepalen dat het saldo op de Spaanse bankrekening Openbank klant-rekeningcode [rekeningnummer 2] bij helfte wordt verdeeld en de rekening aan de vrouw wordt toegescheiden;
o te bepalen dat het saldo op peildatum van de bankrekening [rekeningnummer 5] (de Oranje Spaarrekening op naam van de vrouw) bij helfte wordt verdeeld, waarbij deze rekening aan de vrouw wordt toegescheiden;
o te bepalen dat het saldo op peildatum van de bankrekening [rekeningnummer 1] Betaalrekening bij helfte wordt verdeeld tussen partijen, waarbij deze rekening aan de vrouw wordt toegescheiden;
o te bepalen dat ten aanzien van de bankrekening [rekeningnummer 6] Rabo Direct Betaalrekening op naam van de man, de man het saldo op peildatum in het geding dient te brengen, waarbij de vrouw verzoekt om deze bankrekening aan de man toe te scheiden onder de voorwaarde dat hij de helft van het saldo aan de vrouw vergoedt;
o te bepalen dat ten aanzien van de bankrekening [rekeningnummer 7] Rabo Spaarrekening op naam van de man, de man het saldo op peildatum in het geding dient te brengen, waarbij de vrouw verzoekt om deze bankrekening aan de man toe te scheiden onder de voorwaarde dat hij de helft van het saldo aan de vrouw vergoedt;
o te bepalen dat het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 8] ING Groei Groter Rekening op naam van [minderjarige 2] buiten de verdeling blijft;
o te bepalen dat het saldo op peildatum van de [rekeningnummer 5] ING Oranje spaarrekening bij helfte te verdelen en de rekening aan de vrouw toe te scheiden;
o te bepalen dat het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 9] ING Groei Groter Rekening op naam van [minderjarige 1] buiten de verdeling blijft;
o te bepalen dat het saldo op peildatum van de [rekeningnummer 10] Oranje spaarrekening bij helfte wordt gedeeld en dat de rekening aan de vrouw wordt toegescheiden;
o te bepalen dat het saldo op peildatum op de [rekeningnummer 11] Oranje spaarrekening bij helfte dient te worden verdeeld en de rekening aan de vrouw wordt toegescheiden;
o te bepalen dat het saldo op peildatum op de bankrekening [rekeningnummer 12] bij helfte dient te worden verdeeld en de rekening aan de vrouw wordt toegescheiden;
o te bepalen dat aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt van € 3.825,- ter zake de onder uitsluiting verkregen schenking;
o de verdeling van de inboedel vast te stellen op de wijze waarop de vrouw dit nog nader zal voorstellen;
o te bepalen dat de man 8 fotoboeken binnen één week na afgifte van de beschikking in deze aan de vrouw dient te vertrekken op verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat de man nalaat om de 8 fotoboeken aan de vrouw af te geven;
o te bepalen dat de man de helft van de onterecht ontvangen toeslag kindgebonden budget aan de vrouw dient te vergoeden ad € 1.337,-;




te bepalen dat de vrouw uitsluitend gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de
echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats] en de zich daarin bevindende inboedelgoederen gedurende tenminste zes maanden na de inschrijving van de in deze te geven beschikking.



De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.





Beoordeling
Ontbinding geregistreerd partnerschap



Ontvankelijkheid / ouderschapsplan

Bij het indienen van een verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen (artikel 815 lid 2 Rv). De ouders hebben dat niet gedaan.



De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om samen afspraken te maken over de kinderen. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv en beoordeelt de rechtbank het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.




Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist. De over en weer gedane verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap kunnen dus als op de wet gegrond worden toegewezen.

Vervangende toestemming aanvraag paspoort en ID-kaart


[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei een geldige ID-kaart. De vrouw heeft deze ID-kaarten op dit moment in beheer. Tijdens de zitting is besproken dat de vrouw een foto van de ID-kaarten zal maken en dit naar de man zal toesturen (via WhatsApp). Zo hebben beide ouders altijd een kopie van de ID-kaarten van de kinderen beschikbaar. Verder is afgesproken dat de vrouw de ID-kaarten aan de man zal meegeven op de momenten dat de man met de kinderen op vakantie gaat. De rechtbank gaat ervanuit dat deze afspraken worden nagekomen.
De rechtbank is van oordeel dat de man verder geen belang heeft bij zijn verzoek voor het aanvragen van een paspoort (en ID-kaart). Daarom worden de verzoeken op dat punt (nummer 6, 7 en 8) afgewezen.




Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

De ouders hebben sinds het feitelijk verbreken van hun relatie in september 2024 de zorg voor de kinderen ongeveer gelijk verdeeld. Het tweewekelijkse schema ziet er nu als volgt uit:


















Ma


Di


Woe


Do


Vrij


Za


Zo




oneven


V


V


V


V/M


M


M


M




even


M/V


V


V / M


M


M/V


V


V







De kinderen zijn dus in de oneven weken van maandag uit school tot donderdag naar school bij de vrouw en vanaf donderdag uit school tot maandag naar school (in de even weken) bij de man. Vervolgens zijn de kinderen in de even weken van maandag uit school tot woensdag 18.30 uur bij de vrouw, vanaf woensdag 18.30 uur tot vrijdag naar school bij de man en vanaf vrijdag uit school het weekend bij de vrouw (tot donderdag naar school in de oneven weken).
Deze zorgregeling wordt nu anderhalf jaar uitgevoerd. De kinderen zijn aan deze zorgregeling gewend en de ouders hebben hun werk op deze verdeling afgestemd. De rechtbank ziet geen doorslaggevende redenen om deze zorgregeling nu te wijzigen. De rechtbank zal wel het wisselmoment op de woensdagen in de even weken aanpassen. Het huidige wisselmoment is om 18.30 uur. Dat vindt de rechtbank, omdat de birdnesting zal stoppen, gelet op de bedtijd van de kinderen tussen 19.00 uur en 20.00 uur relatief laat voor de kinderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de man wil, het wisselmoment op woensdag uit school vast te stellen, omdat de vrouw op woensdag vrij is en de man moet werken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het wisselmoment in de even weken wijzigen naar woensdag 17.00 uur. De rechtbank neemt de zorgregeling op in het dictum van de beschikking.



De rechtbank moet ook een beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De man verzocht in zijn inleidende verzoekschrift aanvankelijk om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Dit standpunt is gedurende de procedure veranderd. De man lijkt zich nu vooral vanuit emotie te verzetten tegen vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw. Dat is naar het oordeel van de rechtbank echter niet doorslaggevend. De rechtbank is ervan overtuigd dat de zorg voor de kinderen bij beide ouders in goede handen is. De ouders hebben de zorg voor de kinderen de afgelopen periode ongeveer gelijk verdeeld en dit zal ook zo blijven. De vast te stellen hoofdverblijfplaats zal daarom in de praktijk met name financiële consequenties hebben. De rechtbank zal aansluiten bij het oorspronkelijke idee van beide ouders om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Dat betekent dat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en dat het verzoek van de man wordt afgewezen.




Verdeling vakanties en feestdagen

De ouders zijn het met elkaar eens hoe zij de zomervakantie, de feestdagen, de verjaardagen van de kinderen en de verjaardagen van de ouders willen verdelen. De rechtbank zal die verdeling opnemen in het dictum van de beschikking.



De rechtbank zal verder een beslissing nemen over de meivakantie, de voorjaarsvakantie, de herfstvakantie, de kerstvakantie en Hemelvaartsdag, omdat de ouders daarover nog van mening verschillen.



De rechtbank zal voor de kerstvakantie bepalen dat in beginsel de reguliere zorgregeling geldt, zoals beide ouders hebben aangegeven. Voor de kerstdagen en oud en nieuw wordt wel een verdeling vastgesteld. Omdat de kinderen in 2025 op kerstavond en eerste kerstdag bij de man waren, vindt de rechtbank het redelijk dat de kinderen dit jaar op kerstavond en eerste kerstdag bij de vrouw zijn. Daarom zal de rechtbank voor de kerstdagen de volgende verdeling vaststellen: in de even jaren zijn de kinderen kerstavond en eerste kerstdag tot 13.00 uur bij de vrouw, eerste kerstdag van 13.00 uur tot tweede kerstdag 13.00 uur bij de man en op tweede kerstdag van 13.00 uur tot 27 december 17.00 uur bij de vrouw en in de oneven jaren andersom. Voor oud en nieuw geldt dat de kinderen in de even jaren oudjaarsdag vanaf 13.00 uur tot nieuwjaarsdag 13.00 uur bij de vrouw zijn, nieuwjaarsdag van 13.00 uur tot 2 januari 13.00 uur bij de man en in de oneven jaren andersom.



Voor de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de even jaren bij de man zijn en in de oneven jaren bij de vrouw. Hierbij geldt als de ouders geen vakantieplannen hebben voor die vakantieweken dat de reguliere zorgregeling wordt gevolgd.



In de meivakantie zijn de kinderen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Voor Hemelvaart bepaalt de rechtbank dat de kinderen in de oneven jaren bij de vrouw zijn en in de even jaren bij de man.




Informeren

De vrouw wil dat de rechtbank bepaalt dat na elke wisseling van de kinderen van de ene ouder naar de andere ouder de ouder bij wie de kinderen het laatst hebben verbleven, de ontvangende ouder informeert over het verloop van het verblijf van de kinderen bij hem of haar. Tijdens de zitting is besproken dat de ouders elkaar via WhatsApp informeren over hoe de dagen met de kinderen verlopen, maar dat zij elkaar ook vooraf moeten informeren over vakantieplannen met de kinderen en andere belangrijke zaken zoals medische afspraken waar beide ouders van op de hoogte moeten zijn. Dit is de afgelopen periode niet altijd goed verlopen, omdat het contact tussen de ouders niet goed is en zij het lastig vinden om met elkaar te communiceren. Het voorgaande leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders het contact vanaf nu op deze manier gaan onderhouden met elkaar. Verder geeft de rechtbank de ouders mee dat de manier van elkaar informeren ook een onderwerp van gesprek kan zijn tijdens het traject ouderschapsbemiddeling waar zij een verwijzing voor krijgen.




Doorverwijzing hulpverlening

De rechtbank heeft op de zitting met de ouders gesproken over een verwijzing naar ouderschapsbemiddeling, omdat het contact tussen de ouders niet goed is en zij het lastig vinden om met elkaar te communiceren (over de kinderen). Hierbij is ook besproken dat het voor de kinderen fijn kan zijn om deel te nemen aan een groepsprogramma zoals Stoere Schildpadden of Dappere Dino’s, waar zij leren omgaan met gevoelens na de scheiding van hun ouders. De ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap en om de kinderen deel te laten nemen aan een training voor kinderen van gescheiden ouders. De rechtbank zal de ouders en de kinderen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan voornoemde trajecten en/of trainingen en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams [regio] .



De rechtbank verwijst de ouders bij eindbeschikking naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.




Kinderalimentatie

De rechtbank zal hierna een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vaststellen, omdat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben.
Hierbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de vrouw aanspraak maakt op de gehele kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat de vrouw dit geld ten behoeve van de kinderen zal ontvangen. De rechtbank neemt conform het verzoek van de vrouw ook in het dictum van deze beschikking op dat de vrouw gerechtigd is tot het gehele bedrag aan kinderbijslag voor de kinderen. Zo kan daarover richting de SVB geen misverstand ontstaan.



Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank verder de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2025 in totaal € 1.459,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.526,- per maand. Dat is
€ 763,- per kind per maand.




Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank de salarisstroken van april, mei en juni 2026 als uitgangspunt. Daar blijkt een inkomen uit van € 2.113,39 bruto per maand te vermeerderen met vakantiegeld. Hiernaast ontvangt de vrouw een ‘toeslag bedrijfsleider’ van € 422,68 bruto per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 164,34 per maand en de premie sociaal fonds van € 7,09 per maand.
De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat de vrouw hiernaast inkomen heeft uit zwart werk. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hoger inkomen dan uit de overgelegde stukken blijkt.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.244,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)].



De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 634,- per maand.

Draagkracht man

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen uitgaande van de salarisstroken januari tot en met juni 2026, omdat de man tijdens de zitting onweersproken heeft gesteld dat zijn contract na juni 2026 is verlengd met behoud van hetzelfde salaris. Het inkomen van de man is € 3.750,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 247,51 per maand en de premie WIA van
€ 9,77 per maand.



De rechtbank zal bij de man ook rekening houden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat er sprake is van een co-ouderschap.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.328,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)].



De draagkracht van de man bedraagt dan € 676,- per maand.




Gezamenlijke draagkracht

De draagkracht bedraagt gezamenlijk € 1.310,- per maand (€ 634,- + € 676,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 216,- per maand.




Zorgkorting

Gelet op de zorgregeling geldt een percentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 534,- per maand (35% van € 1.526,-).



Omdat sprake is van een tekort van € 216,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 426,- per maand
(€ 534,- -/- € 108,-). Gelet op het voorgaande bedraagt de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen dan € 250,- per maand (€ 676,- -/- € 426,-).

Ingangsdatum

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat dit niet in geschil is tussen partijen.




Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van deze beschikking een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw moet betalen van € 250,- per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.




Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.




Voortgezet gebruik echtelijke woning

Op dit moment maken partijen vanwege de birdnesting regeling om en om gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen en partijen dat de ouders niet meer om en om in de echtelijke woning verblijven. Omdat beide partijen verzoeken om het voortgezet gebruik van de woning met uitsluiting van de ander, zal de rechtbank een belangenafweging maken. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voor de korte termijn meer belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning. De man kan, hoewel dat niet ideaal is, tijdelijk bij zijn moeder die in de buurt woont, verblijven. De rechtbank zal wel een kortere termijn verbinden aan het voortgezet gebruik dan de verzochte zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De rechtbank vindt het redelijk dat de vrouw vanaf 1 september 2026 tot 1 februari 2027 het (uitsluitend) voortgezet gebruik van de echtelijke woning krijgt. Dit betekent dat de vrouw uiterlijk op 31 januari 2027 de woning moet verlaten, zodat de man per 1 februari 2027 zijn intrek kan nemen in de woning. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit de vrouw voldoende tijd om andere woonruimte te zoeken. Dit betekent dat het verzoek van de man wordt afgewezen en dat het verzoek van de vrouw deels wordt toegewezen.




Verdeling

Partijen zijn in 2015 een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben geen
partnerschapsvoorwaarden gemaakt, waardoor sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Het uitgangspunt is dat de ontbonden gemeenschap bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.




Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoek op 11 februari 2025. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen of de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Daarbij geldt dat voor een saldo van een bankrekening, een schuld of een vordering geen waardering plaatsvindt. Daarvoor wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo, de schuld of de vordering op de datum dat de gemeenschap is ontbonden, zijnde de datum van indiening van verzoek.


Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:



de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening ( [nummer 1] ) en Bankspaarhypotheek bij Aegon ( [nummer 2] );


bank- en spaarrekeningen:



a. gezamenlijke rekening (SNS Internet Sparen) [rekeningnummer 3] ;
b. gezamenlijke rekening (SNS compleet) [rekeningnummer 4] ;
c. Maxi spaarrekening (SNS Internet Sparen) [rekeningnummer 13] op naam van de vrouw;
d. bankrekening Openbank [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
e. Oranje spaarrekening [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw;
f. Oranje betaalrekening [rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;
g. [rekeningnummer 14] op naam van de vrouw;
h. Rabo Direct Betaalrekening [rekeningnummer 6] op naam van de man;
i. Rabo Spaarrekening [rekeningnummer 7] op naam van de man;
j. [rekeningnummer 8] ING Groei Groter Rekening;
k. [rekeningnummer 9] ING Groei Groter Rekening;
l. [rekeningnummer 10] Oranje spaarrekening op naam van de vrouw;
m. [rekeningnummer 11] Oranje spaarrekening op naam van de vrouw;
n. SNS Internet Sparen [rekeningnummer 12] op naam van de vrouw;

3. contant geld in de kluis;
4. aandelen [bedrijfsnaam 1] B.V.;
5. rekening-courant schuld aan [bedrijfsnaam 1] B.V.;
6. activa eenmanszaak [bedrijfsnaam 2] ;
7. Nissan Qashqai (kenteken [kenteken 1] );
8. Kia Picanto (kenteken [kenteken 2] );
9. inboedel;
10. fotoboeken;
11. computer;
12. schuld Belastingdienst.



Beroep op artikel 3:194 BW en artikel 1:164 BW

De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw door haar opgenomen geldbedragen aan de man verbeurt op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. In dat artikel is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot verbeurt.



Vaststaat dat de vrouw – zoals de man stelt – in de periode oktober 2024 tot en met december 2024 een bedrag van € 56.150,- contant heeft opgenomen van haar betaalrekening bij de ING ( [rekeningnummer 1] ) en € 26.008,70 contant heeft opgenomen van de bankrekening bij Openbank ( [rekeningnummer 2] ). De vrouw heeft dat immers erkend.
Volgens de man houdt de vrouw dit geld voor hem verborgen. Hij beroept zich daarom primair op artikel 3:194 lid 2 BW en verzoekt te bepalen dat de vrouw het totale bedrag aan hem verbeurt. De vrouw heeft in reactie hierop gesteld dat zij in die periode uit boosheid en in paniek € 67.000,- contant heeft uitgegeven aan dure kleding, cadeaus, luxe restaurants, hotelovernachtingen, beautybehandelingen, weekendjes weg en aan normale uitgaven die vallen onder kosten van de huishouding. Verder heeft zij naar eigen zeggen € 10.000,- ‘veilig gesteld’ voor de kinderen en € 4.000,- ‘veilig gesteld’ omdat dit onder uitsluiting aan haar is geschonken. Volgens de vrouw dient de consequentie voor haar te zijn dat zij de schade die zij aan de gemeenschap heeft toegebracht, aan de gemeenschap moet vergoeden.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw in totaal € 82.158,70 heeft opgenomen. Het ligt op de weg van de vrouw te stellen en, in geval van betwisting, te onderbouwen waar dat bedrag aan besteed is en/of ondergebracht is. De vrouw heeft echter tegenover de betwisting door de man op geen enkele wijze aangetoond dat zij (bijna) al het geld heeft uitgegeven aan kleding, cadeaus, luxe restaurants, hotelovernachtingen, beautybehandelingen, weekendjes weg en aan normale uitgaven die vallen onder kosten van de huishouding. Zij had dit kunnen doen door het indienen van bonnetjes, facturen of reserveringen doch zij heeft hier niets van laten zien. Dit geldt temeer dat het op het eerste gezicht niet erg aannemelijk is dat zij in een periode van twee maanden een zodanig groot bedrag alleen voor consumptiedoeleinden heeft uitgegeven. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de vrouw de door haar opgenomen bedragen verborgen houdt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw op grond van artikel 3:194 lid 2 BW in totaal (€ 56.150,- + € 26.008,70 =) € 82.158,70 verbeurt aan de man.



De rechtbank wijst hiermee het primaire verzoek van de man toe. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het subsidiaire verzoek van de man dat is gebaseerd op artikel 1:164 BW. Verder ziet de rechtbank, omdat het primaire verzoek van de man wordt toegewezen, geen aanleiding om daarnaast nog te bepalen dat de vrouw alle bankmutaties over de periode vanaf 1 januari 2024 moet indienen.




Vergoedingsrecht

De vrouw stelt dat aan haar een bedrag van € 4.000,- is geschonken, wat niet in de gemeenschap van goederen valt. Na verrekening met wat kosten heeft zij € 3.825,- op haar bankrekening ontvangen. De vrouw verzoekt daarom te bepalen dat zij op de gemeenschap een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van € 3.825,-.



De man betwist bij gebrek aan wetenschap dat er een schenking onder uitsluitingsclausule heeft plaatsgevonden.



De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft als productie 27 een verklaring van 9 september 2024 ingediend waaruit blijkt dat € 4.000,- wordt geschonken. In die verklaring is opgenomen: ‘Het geschonken, met inbegrip van de opbrengsten daarvan en alles wat door zaaksvervanging daarvoor in de plaats komt, zal niet vallen in enige huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap die ontstaat of is ontstaan als gevolg van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap.’ De vrouw heeft verder als productie 28 een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat op 15 september 2024 een bedrag van € 3.825,- op haar betaalrekening bij de ING ( [rekeningnummer 1] ) is gestort. De vrouw heeft hierbij onweersproken gesteld dat het verschil tussen het genoemde bedrag in de verklaring en het ontvangen bedrag komt doordat er nog kosten zijn verrekend. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee voldoende heeft onderbouwd dat zij een schenking onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen. Dat de man aangeeft dat hij niet op de hoogte was dat er een schenking onder uitsluitingsclausule heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt van € 3.825,-.






De echtelijke woning

Partijen willen allebei de echtelijke woning toegedeeld krijgen. De rechtbank begrijpt ook dat partijen daar allebei belang bij hebben. Bij de beoordeling van dit geschilpunt weegt de rechtbank mee of het financieel gezien mogelijk is om de woning over te nemen en de ander te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in staat zal zijn om de overname van de woning te kunnen financieren. Uit de ‘beheertoets’ die haar hypotheekadviseur heeft gemaakt wordt uitgegaan van een inkomen van de vrouw van € 45.000,- per jaar wat niet overeenkomt met haar inkomen zoals dat blijkt uit de door haar overgelegde loonstroken. Daarnaast heeft de vrouw een verklaring van haar ouders overgelegd waarin zij verklaren dat zij bereid zijn om haar te helpen met een lening voor het behoud van de woning door hun hypotheek te verhogen. Een dergelijke verklaring is echter onvoldoende bewijs dat een dergelijke financierings- constructie daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. De man heeft – rekening houdend met zijn hogere inkomen – wel aannemelijk gemaakt dat hij in staat is de woning te financieren. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de man eerst in staat moet worden gesteld om te proberen de woning over te nemen. De man krijgt tot en met uiterlijk 1 december 2026 de tijd om aan te tonen dat hij de woning kan financieren.



Partijen verschillen verder van mening voor welke waarde de woning in de verdeling moet worden betrokken. De man stelt dat de waarde € 536.000,- moet zijn, conform de geactualiseerde taxatie van 1 juli 2026. De vrouw wil de woning opnieuw laten taxeren.
De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om aan te sluiten bij de waarde van
€ 536.000,-. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De woning is op 16 december 2024 getaxeerd op € 510.000,-. Uit de stukken blijkt dat partijen het eerst allebei redelijk vonden om uit te gaan van die waarde. De man heeft in aanloop naar de zitting de makelaar die de woning heeft getaxeerd verzocht om deze taxatie te actualiseren. De geactualiseerde taxatiewaarde is per 1 juli 2026 vastgesteld op € 536.000,-. Dat is een relatief recente taxatie waarbij rekening is gehouden met de prijsontwikkelingen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de woning opnieuw te laten taxeren. De vrouw heeft ook geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waarom dit bedrag niet realistisch zou zijn. Bovendien komt deze waarde de rechtbank niet onredelijk voor ten opzichte van de WOZ-waarde van de woning van € 523.000,- per 1 januari 2026 (zoals blijkt uit productie 49 van de man).



De rechtbank zal gelet op het voorgaande de wijze van verdeling van de echtelijke woning opnemen in een spoorboekje. Hierbij zal de echtelijke woning in eerste instantie aan de man worden toegedeeld op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Daarbij bepaalt de rechtbank ook dat indien de man niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de vrouw ook niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zal de woning worden verkocht aan een derde, op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.




Bank- en spaarrekeningen

De rechtbank stelt voorop dat de spaarrekeningen die op naam van de kinderen staan ( [rekeningnummer 8] ING Groei Groter Rekening en [rekeningnummer 9] ING Groei Groter Rekening) buiten de huwelijksgemeenschap van partijen vallen en dus niet in de verdeling worden betrokken.



Tussen partijen is niet in geschil dat zij de saldi van de andere rekeningen, hiervoor genoemd onder a t/m i en l t/m n, per peildatum (11 februari 2025) bij helfte met elkaar moeten delen. De gezamenlijke rekeningen worden vervolgens opgeheven. De rekeningen op naam van de vrouw worden voortgezet door de vrouw en de rekeningen op naam van de man worden voortgezet door de man.




Contant geld

De man verzoekt om de inhoud van de kluis – het bedrag van € 28.050,- dat hij uit de kluis heeft gehaald – aan hem toe te delen, onder de verplichting om de vrouw de helft van dat bedrag te vergoeden. De vrouw heeft in reactie op dit verzoek gesteld dat er € 56.050,- in de kluis lag en dat de rechtbank dat hogere bedrag in de verdeling moet betrekken. De rechtbank overweegt dat de bewijslast van deze stelling bij de vrouw ligt. Zij heeft na de betwisting door de man niet aangetoond dat er meer dan € 28.050,- in de kluis lag en dat de man dat geld heeft meegenomen. Daarom gaat de rechtbank aan het standpunt van de vrouw voorbij. De rechtbank zal conform het verzoek van de man bepalen dat hij de helft van
€ 28.050,- aan de vrouw moet betalen.





[bedrijfsnaam 1] B.V.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen aan de man worden toegedeeld en dat partijen de waarde bij helfte zullen verdelen.



Tijdens de zitting is afgesproken dat de waarde als volgt wordt berekend:
Eigen vermogen € 81.041,-
Oprichtingskosten -/- € 1.000,-
Aanmerkelijk belangclaim 31% -/- € 24.813,-



Totaal € 55.228,-



Er is ook sprake van een rekening-courant schuld aan [bedrijfsnaam 1] B.V. van
€ 21.739,-. De rechtbank acht het redelijk en praktisch om bij de verdeling van de netto waarde van de aandelen rekening te houden met de rekening-courantschuld, omdat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. aan de man toedelen tegen de netto waarde van € 55.228,-, te verminderen met de rekening-courant schuld van € 21.739,- – welke schuld de man voor zijn rekening zal nemen – zodat aan de vrouw ter zake toekomt (€ 55.228,- -/- € 21.739,- / 2 =) € 16.744,50.




Eenmanszaak [bedrijfsnaam 2]

Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij de activa van de eenmanszaak van de man ter hoogte van € 1.300,- bij helfte met elkaar zullen delen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de activa van de eenmanszaak worden toegedeeld aan de man, waarbij geldt dat de man € 650,- aan de vrouw moet betalen. Gelet op de afspraak tussen partijen gaat de rechtbank er vanuit dat er op de peildatum geen sprake (meer) was van passiva.




Nissan Qashqai

Tussen partijen is niet in geschil dat de Nissan Qashqai aan de man kan worden toegedeeld.
Partijen verschillen wel van mening over de waarde van deze auto. De rechtbank zal, rekening houdend met de standpunten van beide partijen, de waarde schattenderwijs vaststellen op € 8.500,-. De rechtbank zal de Nissan Qashqai voor die waarde toedelen aan de man en bepalen dat de man de helft van de waarde (€ 4.250,-) aan de vrouw moet betalen.

Kia Picanto

Tussen partijen is niet in geschil dat de Kia Picanto aan de vrouw moet worden toegedeeld.
Partijen verschillen wel van mening over de waarde van deze auto. De rechtbank zal de waarde schattenderwijs vaststellen op € 5.750,-. De rechtbank zal de Kia Picanto voor die waarde toedelen aan de vrouw en bepalen dat de vrouw de helft van de waarde (€ 2.875,-) aan de man moet betalen.




Inboedel

Partijen zijn het erover eens dat zij de inboedel in onderling overleg moeten gaan verdelen. Op dit punt is geen beslissing van de rechtbank nodig.

Fotoboeken

De vrouw stelt dat de man de 8 fotoboeken die zij heeft gemaakt van de kinderen heeft meegenomen. De vrouw wil deze fotoboeken graag terug en verzoekt daarom te bepalen dat de man alle fotoboeken aan haar moet afgeven. De man betwist dat hij de fotoboeken heeft meegenomen. De rechtbank kan gelet op deze uiteenlopende stellingen van partijen niet vaststellen waar de fotoboeken zijn. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af. De rechtbank geeft partijen wel, zoals ter zitting ook besproken, het volgende mee. Op beide partijen rust de morele verplichting om de foto’s die zij van de kinderen hebben te delen met de ander door het laten maken van extra afdrukken en die vervolgens via de advocaten met elkaar uit te wisselen. De foto’s van de kinderen hebben immers voor beide partijen emotionele waarde. Voor zover het gaat om digitale foto’s kunnen zij die ook met de ander delen.




Computer

De vrouw heeft op dit moment de computer van de man onder zich. Omdat tussen partijen vaststaat dat de computer aan de man toebehoort, is het uitgangspunt dat de vrouw deze computer aan de man moet afgeven. De rechtbank zal conform het verzoek van de man bepalen dat de computer aan de man wordt toegedeeld en dat de vrouw de computer binnen tien dagen na betekening van deze beschikking aan de man moet afgeven. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hier een dwangsom aan te verbinden. Hierbij zal de rechtbank wel bepalen dat de man verplicht is om, binnen tien dagen nadat hij de computer heeft ontvangen, de documenten en foto’s van de vrouw die op de harde schijf van deze computer staan aan de vrouw te verstrekken.




Schuld Belastingdienst

Tijdens de zitting is gebleken dat er geen sprake meer is van een schuld bij de Belastingdienst en dat er dus geen beslissing van de rechtbank nodig is. De rechtbank beschouwt het verzoek van de vrouw op dit punt als ingetrokken.




Tot slot
Alles wat meer of anders is verzocht over de (wijze van) verdeling van de huwelijks-gemeenschap wordt afgewezen.




Overige vorderingen

De man stelt dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 14.427,65, als volgt opgebouwd:



bedrag in verband met tekort bijdragen woning en vaste lasten woning € 5.391,98


helft openstaande hypotheektermijnen 2026 € 962,71


helft WOZ-aanslag € 656,67


helft kosten CV onderhoud € 135,-


helft naheffing Dunea € 49,65


helft naheffing Mega Energie € 64,36


helft voorlopige IB teruggave € 1.240,-


helft kinderbijslag 2025 € 1.180,28


helft kinderopvangtoeslag 2024 € 3.864,-


helft kindgebonden budget 2025 € 883,-


helft waterschapsbelasting € 287,76




De vrouw heeft de vordering betwist. De vrouw wijst er op dat in de voorlopige voorzieningenprocedure als uitgangspunt is genomen dat de vrouw kinderbijslag en hogere toeslagen zou krijgen, ervan uitgaande dat de man zich zou uitschrijven van het adres van de echtelijke woning. Dat is niet gebeurd. Daardoor was het inkomen van de vrouw niet toereikend. De vrouw heeft betaald wat zij kon. De man is zelf vanaf juli 2025 ook minder geld gaan overmaken naar de en/of rekening en hij is vanaf september 2025 zelfs gestopt met het overmaken van een bijdrage. Bovendien is het huwelijk tot op heden nog niet ontbonden en moeten zij elkaar financieel gezien het nodige verschaffen.



De rechtbank overweegt als volgt. De man stoelt zijn vordering op de stelling dat hij meer zou hebben bijgedragen dan waartoe hij gehouden was zodat het op zijn weg ligt om die stelling te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat het onvoldoende is om in zijn algemeenheid te verwijzen naar een mutatieoverzicht van de gezamenlijke rekening over de periode 1 januari 2025 tot en met 9 juli 2026 (productie 38) en een zelf opgesteld lijstje van de vaste lasten (productie 41). Het is niet aan de rechtbank om uit de af- en bijschrijvingen af te leiden wie van partijen wanneer welke kosten heeft betaald. De man had dat nader moeten duiden, maar heeft dat nagelaten. Verder geldt voor de gestelde bedragen voor openstaande hypotheektermijnen 2026, WOZ aanslag, CV onderhoud, Dunea, Mega Energie, Waterschapsbelasting en de voorlopige IB teruggave dat de man niet met stukken heeft onderbouwd dat hij die bedragen heeft betaald. De overgelegde producties 42, 43 en 49 tonen immers niet aan dat die kosten door de man zijn voldaan. Voor wat betreft de kinderbijslag 2025, kinderopvangtoeslag 2024 en het kindgebonden budget 2025 is uit de overgelegde stukken (productie 39 en 40) niet gebleken dat – zoals de man stelt – de vrouw dat onder zich heeft gehouden. Bovendien gaat de rechtbank er ten aanzien van de kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget vanuit dat dit ten goede is gekomen aan de kinderen. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw over het verleden nog een bedrag aan de man moet betalen.



Verder ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw met ingang van
1 juli 2026 € 694,- per maand aan de man moet voldoen als bijdrage in de kosten van de eigenaars- en gebruikerslasten, omdat de man dit deel van zijn verzoek – mede in het licht van de betwisting door de vrouw – onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Dit betekent dat de rechtbank het primaire verzoek van de man afwijst.



Het subsidiaire verzoek van de man – dat hem € 4.944,83 toekomt uit de overwaarde vanwege hypotheekaflossingen – wordt ook afgewezen. De man stelt dat hij na de peildatum de hypotheekaflossingen alleen heeft betaald. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet blijkt uit de overgelegde stukken. Uit productie 27 blijkt inderdaad dat er tussen 1 februari 2025 en 1 juli 2026 is afgelost op de hypotheek, maar uit dit overzicht kan de rechtbank niet opmaken door wie en van welke bankrekening de aflossingen zijn betaald. De man stelt dat hij de aflossingen heeft betaald vanaf de en/of rekening van partijen, waarop hij meer geld heeft gestort. Dat standpunt is echter gemotiveerd betwist door de vrouw, waarbij de vrouw erop heeft gewezen dat de man vanaf juli 2025 minder geld overmaakte naar de en/of rekening en vanaf september 2025 is gestopt met het overmaken van een bijdrage naar de en/of rekening. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd en zal dit verzoek dan ook afwijzen.




Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerde partnerschap tussen partijen, aangegaan op [datum] 2015 in [plaats] ;



*
bepaalt dat de minderjarigen:




[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ;



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ;


de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;


*
bepaalt dat de zorg- en opvoedingstaken volgens het volgende tweewekelijkse schema worden verdeeld:



de kinderen zijn in de oneven weken van maandag uit school tot donderdag naar school bij de vrouw en vanaf donderdag uit school tot maandag naar school (in de even weken) bij de man;


vervolgens zijn de kinderen in de even weken van maandag uit school tot woensdag 17.00 uur bij de vrouw, vanaf woensdag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de man en vanaf vrijdag uit school het weekend bij de vrouw (tot donderdag naar school in de oneven weken);




*
bepaalt dat de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:



Zomervakantie: in de even jaren week 1, 4 en 5 bij de vrouw en week 2, 3 en 6 bij de man, in de oneven jaren week 1, 4 en 5 bij de man en week 2, 3 en 6 bij de vrouw;


Herfstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij geldt als geen van beide ouders vakantieplannen heeft dat de reguliere zorgregeling wordt gevolgd;


Kerstvakantie: in de kerstvakantie geldt de reguliere zorgregeling, maar voor de kerstdagen en Oud en Nieuw geldt de volgende verdeling;



o Kerstdagen: in de even jaren kerstavond en eerste kerstdag tot 13.00 uur bij de vrouw, eerste kerstdag 13.00 uur tot tweede kerstdag 13.00 uur bij de man, tweede kerstdag 13.00 uur tot 27 december 17.00 uur bij de vrouw, in de oneven jaren andersom;
o Oud en Nieuw: in de even jaren oudjaarsdag vanaf 13.00 uur tot nieuwjaarsdag 13.00 uur bij de vrouw, nieuwjaarsdag 13.00 uur tot 2 januari 13.00 uur bij de man, in de oneven jaren andersom;



Voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij geldt dat als geen van beide ouders vakantieplannen heeft de reguliere zorgregeling wordt gevolgd;


Meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;


Pasen: reguliere zorgregeling;


Hemelvaart: in de oneven jaren bij de vrouw, in de even jaren bij de man;


Pinksteren: reguliere zorgregeling;


Koningsdag: reguliere zorgregeling;


Vaderdag: vanaf de zaterdag ervoor 17.00 uur tot maandag naar school bij de man;


Moederdag: vanaf de zaterdag ervoor 17.00 uur tot maandag naar school bij de vrouw;


Sint Maarten: reguliere zorgregeling;


Sinterklaas: reguliere zorgregeling;


Verjaardagen kinderen: reguliere zorgregeling, waarbij de ouder waar de kinderen niet zijn de gelegenheid krijgt om te videobellen met het jarige kind. De ouder waar het jarige kind is verzorgt de traktaties voor op school;


Verjaardagen ouders: reguliere zorgregeling, waarbij de kinderen de gelegenheid krijgen om te videobellen met de jarige ouder;




*
stelt vast dat de ouders, te weten:

[de man] ,
en

[de vrouw] ,



bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams [regio] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en een Training voor kinderen van gescheiden ouders, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie(s);



beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Jeugdteams [regio] , [adres 2] ;



stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van in totaal € 250,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
bepaalt dat de vrouw gerechtigd is tot het gehele bedrag aan kinderbijslag voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;



*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te [plaats] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten vanaf 1 september 2026 tot uiterlijk 1 februari 2027;



*
bepaalt ten aanzien van de (wijze van) verdeling van de huwelijksgemeenschap het volgende, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:


1. met betrekking tot de woning, gelegen aan het adres [adres 1] te [plaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon ( [nummer 1] ) en de Bankspaarhypotheek bij Aegon ( [nummer 2] ):


a) de woning wordt voor een bedrag van € 536.000,- toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
i. de man dient uiterlijk op 1 december 2026 aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon;
ii. de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde (€ 536.000,-), te vermeerderen met de waarde van de Bankspaarhypotheek bij Aegon ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
iii. de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
iv. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;



b) indien de man de woning niet kan overnemen onder de onder a) genoemde voorwaarden dan wordt de woning voor een bedrag van € 536.000,- toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
i. de vrouw dient voor 1 februari 2027 aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon;
ii. de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde (€ 536.000,-), te vermeerderen met de waarde van de Bankspaarhypotheek bij Aegon ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
iii. de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
iv. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;



c) indien geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
i. voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man binnen één week nadat de onder b) genoemde termijn is verstreken aan de vrouw drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en te verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest;
ii. partijen verstrekken vervolgens binnen één maand nadat de onder b) genoemde termijn is verstreken een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde;
iii. deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
iv. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de Bankspaarhypotheek bij Aegon ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
v. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;


2. de gezamenlijke rekeningen bij SNS (SNS Internet Sparen [rekeningnummer 3] en SNS compleet [rekeningnummer 4] ) worden opgeheven, waarbij geldt dat partijen de saldi op de peildatum 11 februari 2025 bij helfte zullen verdelen;

3. de volgende bank- en spaarrekeningen worden voortgezet door de vrouw:

- Maxi spaarrekening (SNS Internet Sparen) [rekeningnummer 13] op naam van de vrouw;
- bankrekening Openbank [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
- Oranje spaarrekening [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw;
- Oranje betaalrekening [rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;
- [rekeningnummer 14] op naam van de vrouw;
- [rekeningnummer 10] Oranje spaarrekening op naam van de vrouw;
- [rekeningnummer 11] Oranje spaarrekening op naam van de vrouw;
- SNS Internet Sparen [rekeningnummer 12] op naam van de vrouw;
waarbij de saldi op de peildatum 11 februari 2025 bij helfte met de man worden gedeeld;


4. de volgende bank- en spaarrekeningen worden voortgezet door de man:

- Rabo Direct Betaalrekening [rekeningnummer 6] op naam van de man;
- Rabo Spaarrekening [rekeningnummer 7] op naam van de man;
waarbij de saldi op de peildatum 11 februari 2025 bij helfte met de vrouw worden gedeeld;


5. de inhoud van de kluis ter hoogte van € 28.050,- wordt toegedeeld aan de man, waarbij hij de helft van dat bedrag (€ 14.025,-) aan de vrouw moet betalen;

6. de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. worden aan de man toegedeeld tegen de netto waarde van € 55.228,-, te verminderen met de rekening-courant schuld aan [bedrijfsnaam 1] B.V. van € 21.739,- – welke schuld de man voor zijn rekening zal nemen – zodat aan de vrouw ter zake toekomt (€ 55.228,- -/- € 21.739,- / 2 =) € 16.744,50;

7. de activa van de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2] worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting dat de man aan de vrouw een bedrag van € 650,- betaalt;

8. de Kia Picanto (kenteken [kenteken 2] ) wordt tegen een waarde van € 5.750,- aan de vrouw toegedeeld, waarbij de vrouw de helft van die waarde (€ 2.875,-) aan de man moet betalen;

9. de Nissan Qashqai (kenteken [kenteken 1] ) wordt tegen een waarde van € 8.500,- aan de man toegedeeld, waarbij de man de helft van die waarde (€ 4.250,-) aan de vrouw moet betalen;

10. de computer wordt aan de man toegedeeld en de vrouw wordt veroordeeld tot afgifte van deze computer aan de man binnen tien dagen na betekening van deze beschikking, met de verplichting voor de man om daarna binnen tien dagen nadat hij de computer heeft ontvangen, de documenten en foto’s van de vrouw die op de harde schijf van deze computer staan aan de vrouw te verstrekken;

11. de vrouw verbeurt op grond van artikel 3:194 lid 2 BW in totaal € 82.158,70 aan de man;

12. de vrouw komt een vergoedingsrecht toe van € 3.825,- ter zake de onder uitsluiting verkregen schenking;


*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 augustus 2026.