Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28275

2026-09-23 Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht C/09/696283
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/696283
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uniemerken. Verkoop namaak-Labubu’s aan verschillende filialen van supermarktketen Jumbo. Merkinbreuk sub a en b. Geen belang meer bij beoordeling merkinbreuk sub c en auteursrechtinbreuk. Vordering tot inzage in schikkingsovereenkomst met Jumbo afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.333 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



zaak- / rolnummer: C/09/696283 / HA ZA 25-1132




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van





1POP MART NETHERLANDS B.V. te Hoofddorp,
hierna: Pop Mart Nederland,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht


POP MART (SINGAPORE) HOLDING PTE. LTD. te Singapore, Singapore,
hierna: Pop Mart Singapore,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht


BEIJING POP MART CULTURAL & CREATIVE CO., LTD. te Beijing, China,
hierna: Pop Mart China,
eiseressen in conventie, verweerders in reconventie,
hierna gezamenlijk: Pop Mart,
advocaten: mrs. L.M.A. Merkus en P.S. Trapman,



tegen





1
[gedaagde] B.V. te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna: [gedaagde],
advocaat: mr. W. Boeters.





1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 3 december 2025 met producties EP01 t/m EP21;
- de akte indienen aanvullende producties EP22 t/m EP25 van Pop Mart van 16 december 2025;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in incident en eis in reconventie van [gedaagde] van 28 januari 2026 met producties GP01 t/m GP03;
- de conclusie van antwoord in incident van Pop Mart van 11 februari 2026 met productie EP26;
- het vonnis in incident van 22 april 2026, waarin de rechtbank de incidentele vordering van [gedaagde] tot het stellen van zekerheid voor proceskosten door Pop Mart Singapore en Pop Mart China heeft afgewezen;
- de conclusie van antwoord in reconventie van Pop Mart van 3 juni 2026;
- de akte wijziging van eis in reconventie, tevens proceskostenspecificatie van [gedaagde] van 4 september 2026 met bijlage;
- de akte overlegging nadere producties GP04 en GP05 van [gedaagde] van 4 september 2026;
- het door Pop Mart op 11 september 2026 ingediende aanvullende proceskostenoverzicht;
- het door [gedaagde] op 14 september 2026 ingediende actuele urenoverzicht;
- de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.


1.2.
Op 14 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.





2De feiten


Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.



2.1.
Eiseressen maken onderdeel uit van de Pop Mart-groep, een wereldwijd actief entertainmentbedrijf dat zich richt op de promotie van de popcultuur, onder meer door de verkoop van exclusief designerspeelgoed. Pop Mart Singapore en Pop Mart China zijn houdster van de intellectuele eigendomsrechten. Pop Mart Nederland is een dochteronderneming van Pop Mart Singapore en is verantwoordelijk voor de distributie van producten en andere bedrijfsactiviteiten in Nederland.



2.2.
Pop Mart brengt sinds 2016 een fictief figuur onder de naam ‘Labubu’ op de markt als onderdeel van de Monsters-elfen-groep. De eerste Labubu is ontworpen (getekend) door kunstenaar [naam]. Hij heeft vervolgens in samenwerking met Pop Mart en How2Work Ltd. een Labubu-speelgoedknuffel van vinyl ontwikkeld. Pop Mart heeft inmiddels drie series (generaties) Labubu’s op de markt gebracht. Iedere serie bestaat uit zes figuren en één zogenaamde ‘hidden edition’. Ter illustratie zijn hieronder afbeeldingen weergegeven van de drie series Labubu’s en de verpakking waarin deze worden verkocht:



























2.3.
Pop Mart Singapore is houdster van de volgende merkregistraties:
- de op 4 juni 2024 onder nummer 1804852 voor waren in klassen 9, 14, 16, 20 en 21 ingeschreven internationale registratie waarbij de Europese Unie is aangewezen van het woordmerk ‘POP MART’;
- de op 17 september 2024 onder nummer 1822633 voor waren in klasse 28 ingeschreven internationale registratie waarbij de Europese Unie is aangewezen van het hierna weergegeven woord-/beeldmerk:





- de op 17 september 2024 onder nummer 1819536 voor waren in klasse 28 ingeschreven internationale registratie waarbij de Europese Unie is aangewezen van het woordmerk ‘LABUBU’.



2.4.

Pop Mart China is houdster van de volgende merkregistratie:
- het op 13 augustus 2019 onder nummer 018055571 voor waren in klassen 16, 25 en 28 ingeschreven Uniewoordmerk ‘POP MART’.



De onder 2.3 en 2.4 genoemde merken worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de Merken’.




2.5.
Pop Mart heeft een groot aantal namaak-Labubu’s in verschillende vormen aangetroffen bij filialen van supermarktketen Jumbo. Deze namaak-Labubu’s en de bijbehorende verpakking (hierna: de Namaakproducten) voldoen niet aan de echtheidskenmerken die Pop Mart aanbrengt op en aan haar producten. Op de Namaakproducten zijn de tekens ‘POP MART’, ‘POPMART’ en (hierna: de Tekens) aangebracht, zoals hieronder ter illustratie is weergegeven:





















2.6.
Pop Mart heeft een schikking met Jumbo getroffen. In de vaststellingsovereenkomst tussen Jumbo en [gedaagde] is als artikel 4 een schadebepaling opgenomen, die – voor zover hier van belang – als volgt luidt:


“4.1 Jumbo will recover the damages suffered by Pop Mart due to the trade in the Products, by surrendering the profit made in total EUR 22,057.14 to Pop Mart.




4.3

Jumbo will reimburse the legal costs made by Pop Mart due to the trade in the Products, amounting up to in total EUR 18,000.”



2.7.
Jumbo heeft in het kader van de schikking facturen aan Pop Mart verstrekt waaruit blijkt dat [gedaagde] meer dan 7.000 Namaakproducten heeft geleverd aan verschillende Jumbo-filialen. Op de facturen worden de producten aangeduid als ‘labubu’ of ‘lafufu’.



2.8.

[gedaagde] is een Nederlandse onderneming die zich bezinghout met de in- en verkoop van groenten, fruit en andere consumptiegoederen.



2.9.
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft Pop Mart [gedaagde] gesommeerd de inbreuk op de Merken en auteursrechten van Pop Mart te staken, maar daarop is geen reactie ontvangen.



2.10.
Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Pop Mart op 6 november 2025 conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekening van [gedaagde]. Vervolgens hebben partijen geprobeerd hun geschil buiten rechte op te lossen, maar dit is niet gelukt.





3Het geschil



in conventie




3.1.
Pop Mart vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



voor recht verklaart dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten van Pop Mart, meer specifiek op de Merken en auteursrechten, door de verhandeling van de Namaakproducten onder gebruikmaking van de Tekens;



[gedaagde] beveelt binnen zeven dagen na dit vonnis iedere inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van Pop Mart te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door:




het staken en gestaakt houden van het aanbieden, verkopen, importeren, exporteren en op voorraad houden van de Namaakproducten;


het staken en gestaakt houden van ieder gebruik van het Teken op producten, op de websites of op social media, en ieder gebruik van een teken dat identiek is aan of overeenstemt met het Merk voor identieke of soortgelijke waren en of diensten als waarvoor het Merk is ingeschreven;


3) [gedaagde] beveelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, te doen toekomen een schriftelijke, door een gediplomeerde, onafhankelijke administrateur gecontroleerde en gewaarmerkte opgave van de volgende informatie:


het aantal Namaakproducten dat [gedaagde] tot op heden heeft verkocht en aangeboden;


de eventueel aanwezige voorraad van Namaakproducten onder vermelding van de locatie(s) waar de Namaakproducten zich bevinden en welke hoeveelheden zich op welke locatie bevinden;


de verkoopkanalen via waar [gedaagde] de Namaakproducten heeft aangeboden;


e in- en verkoopprijs van de Namaakproducten en het totaalbedrag aan omzet, daaronder begrepen de winst die [gedaagde] heeft behaald met de verhandeling van de Namaakproducten;


4. [gedaagde] veroordeelt om aan Pop Mart te vergoeden de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de inbreuk van [gedaagde] op de Merken, een en ander te begroten volgens de door Pop Mart in te dienen productie, dan wel op te maken bij staat en te vereffenen zoals voorzien in de wet, vermeerderd met de wettelijke rente;
5. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Pop Mart van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 15.000 ineens voor iedere overtreding c.q. niet-nakoming van een of meer van de opgelegde bevelen, alsmede een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, danwel - zulks ter keuze van Pop Mart - voor iedere keer dat [gedaagde] in strijd met een opgelegd bevel handelt;
6. [gedaagde] veroordeelt in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met de wettelijke rente.



3.2.

Pop Mart legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de merk- en auteursrechten van Pop Mart door een groot aantal namaak-Labubu’s te verkopen aan verschillende filialen van supermarktketen Jumbo.
Door aldus te handelen heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op de Merken in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo, door de Tekens te gebruiken, die gelijk zijn aan de Merken, voor dezelfde waren als waarvoor de Merken zijn ingeschreven. Ook heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo door de Tekens te gebruiken, die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de Merken, voor dezelfde of soortgelijke waren als waarvoor de Merken zijn ingeschreven, waardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan. Bovendien heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt in de zin van artikel 9 lid 2 onder c UMVo, omdat de Merken bekend zijn en door het gebruik van de gelijke of overeenstemmende Tekens op de namaak-Labubu’s en de verpakking ongerechtvaardigd voordeel wordt gehaald uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van de Merken.
Daarnaast heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op de auteursrechten op de Labubu-figuren en de bijbehorende verpakking, waarvan Pop Mart Singapore medeauteursrechthebbende is en gerechtigd is om deze auteursrechten te handhaven. De vormgeving van de namaak-Labubu’s en de bijbehorende verpakking is ontleend aan die van de originele werken en vormen daarmee een onrechtmatige verveelvoudiging in de zin van artikel 1, 12 en 13 Aw.
Door het handelen van [gedaagde] lijdt Pop Mart schade, die [gedaagde] dient te vergoeden.




3.3.

[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, althans dat een eventuele schadevergoeding en/of winstafdracht wordt gematigd tot maximaal € 14.000 onder aftrek van reeds door Jumbo betaalde bedragen, met hoofdelijke veroordeling van Pop Mart in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.



3.4.


[gedaagde] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde] betwist dat (alle) eiseressen gerechtigd zijn tot (handhaving van) de ingeroepen merk- en auteursrechten. [gedaagde] erkent dat zij de Namaakproducten heeft geleverd, maar betwist dat sprake is van merkinbreuk, omdat de professionele inkopers van Jumbo expliciet hebben gevraagd om de levering van kopieën en dus geen verwarring kon ontstaan omtrent de commerciële herkomst van de producten. Bovendien heeft [gedaagde] de term ‘Lafufu’ niet als merk gebruikt, maar als productomschrijving in de handelsdocumentatie richting professionele afnemers en is de term verworden tot soortnaam, waartegen Pop Mart niet effectief heeft opgetreden, waardoor het merk haar onderscheidend vermogen heeft verloren.
Verder voert [gedaagde] dat de vorderingen disproportioneel zijn en dat Pop Mart hier geen belang meer bij heeft, gelet op de beperkte omvang van de handel, het feit dat [gedaagde] de handel direct heeft gestaakt na de sommatie, geen winst heeft gemaakt en vrijwillig alle beschikbare informatie heeft verstrekt. Indien al sprake is van inbreuk en/of schade, dient de schadebegroting te worden beperkt en reeds door Jumbo betaalde schadevergoeding in mindering te worden gebracht.




in reconventie





3.5.

[gedaagde] vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Pop Mart op de voet van artikel 195 Rv, althans artikel 22 Rv, beveelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een volledig en ongecensureerd afschrift van de schikkingsovereenkomst(en) tussen Pop Mart en Jumbo te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag dat Pop Mart hiermee in gebreke blijft, met hoofdelijke veroordeling van Pop Mart in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten.



3.6.

[gedaagde] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage in de schikkingsovereenkomst(en), omdat de inhoud daarvan direct relevant is voor de schadevordering van Pop Mart jegens [gedaagde]. Indien Jumbo reeds schadevergoeding, gederfde licentievergoedingen en/of winstafdracht heeft betaald, bevrijdt dit [gedaagde] mogelijk van haar aansprakelijkheid.



3.7.
Pop Mart voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten.



3.8.
Pop Mart legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] geen belang heeft bij inzage en niet in haar verdedigingsbelang wordt geschaad als de vordering wordt afgewezen, omdat de schikking met Jumbo niet ziet op het handelen van [gedaagde] en de door Jumbo betaalde schadevergoeding niet bevrijdend is jegens [gedaagde]. Bovendien mag Pop Mart de overeenkomsten niet (integraal) overleggen omdat zij deze heeft gesloten onder vertrouwelijkheidsafspraken.



3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Bevoegdheid





in conventie




4.1.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de Uniemerken, is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd om van de vorderingen jegens [gedaagde] kennis te nemen op grond van artikel 123 lid 1, artikel 124 aanhef en onder a en 125 lid 1 UMVo in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, aangezien [gedaagde] in Nederland is gevestigd. Op grond van artikel 126 lid 1 UMVo strekt de bevoegdheid van de rechtbank zich uit tot de hele Europese Unie.



4.2.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op auteursrechten is de rechtbank internationaal bevoegd om van de vorderingen jegens [gedaagde] kennis te nemen op grond van artikel 4 Brussel I bis-Vo, aangezien [gedaagde] in Nederland is gevestigd. Ook deze bevoegdheid is in de Europese Unie territoriaal onbeperkt. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 102 Rv.



in reconventie





4.3.
De rechtbank is tevens bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in reconventie jegens Pop Mart op grond van artikel 8 lid 3 Brussel I bis-Vo, aangezien de reconventionele vordering van [gedaagde] voortspruit uit het rechtsfeit waarop de vorderingen van Pop Mart in conventie gegrond zijn.



in conventie





Merkinbreuk





-Vorderingsbevoegdheid Pop Mart





4.4.

[gedaagde] betwist dat Pop Mart bevoegd is tot het instellen van een vordering op basis van de Merken, nu zij onvoldoende heeft onderbouwd dat ieder van de drie eisende entiteiten bevoegd houdster of licentienemer van de Merken zijn. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde merkregistraties blijkt dat Pop Mart Singapore houdster is van de internationale merken ‘POP MART’, ‘LABUBU’ en en dat Pop Mart China houdster is van het Uniewoordmerk ‘POP MART’. Op grond daarvan zijn Pop Mart Singapore respectievelijk Pop Mart China bevoegd tot handhaving van deze merken. De vorderingsbevoegdheid van Pop Mart Nederland is evenwel niet gebleken, aangezien zij geen merkhoudster is en Pop Mart geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat Pop Mart Nederland als licentiehoudster bevoegd is tot handhaving van de Merken. De rechtbank zal de vorderingen op basis van de Merken voor zover die zijn ingesteld namens Pop Mart Nederland dan ook afwijzen.



-Merkinbreuk sub a en b





4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] met het inkopen en verkopen van de Namaakproducten inbreuk heeft gemaakt in de zin van artikel 9 lid 2 sub a en b UMVo. Van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVo is sprake als het betrokken teken gelijk is aan het merk en wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven. Van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub b UMVo is sprake als het betrokken teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en wordt gebruikt met betrekking tot waren of diensten die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwarringsgevaar moet in aanmerking worden genomen dat dit globaal dient te worden beoordeeld volgens de indruk die merk en teken bij de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten achterlaten, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name (de onderlinge samenhang tussen) de overeenstemming van het merk en het teken en de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten.



4.6.
Op de namaak-Labubu’s en de verpakkingen die [gedaagde] aan Jumbo-filialen heeft geleverd staan de Tekens ‘POP MART’ ‘POPMART’ en (zoals weergegeven onder 2.5). Deze tekens zijn gelijk aan de Merken of stemmen daarmee (door het enkele ontbreken van een spatie) zeer sterk overeen. Bovendien heeft [gedaagde] de Namaakproducten aan Jumbo geleverd onder vermelding van de tekens ‘labubu’ of ‘lafufu’ op de facturen, welke tekens gelijk zijn aan of overeenstemmen met het woordmerk ‘LABUBU’.


4.7.

[gedaagde] heeft erkend dat sprake is van merkinbreuk, maar heeft evenwel aangevoerd dat geen sprake is van verwarringsgevaar, omdat de inkopers van Jumbo wisten dat het mogelijk om namaakproducten ging en hier zelf om vroegen, omdat de originele Labubu’s niet verkrijgbaar waren. Voor zover [gedaagde] dit verweer handhaaft, verwerpt de rechtbank dit. Op de Namaakproducten zijn tekens gebruikt die gelijk zijn aan de Merken, hetgeen merkinbreuk ‘sub a’ oplevert. Hierdoor is niet relevant of daardoor verwarring bij het publiek kon ontstaan. Nog afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat door de grote mate van overeenstemming tussen de Tekens en de Merken en de soortgelijkheid van de betrokken waren, gevaar voor verwarring bestond bij het in aanmerking komende publiek. Dat [gedaagde] de Namaakproducten aan de inkopers van Jumbo heeft geleverd en dat zij wellicht niet in verwarring konden raken over de commerciële herkomst daarvan, doet niet af aan het feit dat [gedaagde] er mede aan heeft bijgedragen dat de Namaakproducten in omloop zijn geraakt en gebleven en uiteindelijk terecht zijn gekomen bij consumenten, die konden menen dat de producten afkomstig zijn van Pop Mart.



4.8.
Daarnaast heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat het teken ‘lafufu’ is verworden tot soortnaam voor een categorie pluche figuren en dat [gedaagde] deze term niet als merk maar als productomschrijving heeft gebruikt. Voor zover [gedaagde] dit verweer handhaaft, gaat de rechtbank ook daaraan voorbij, alleen al omdat Pop Mart ook de term ‘labubu’ heeft gebruikt, welk teken gelijk is aan het woordmerk ‘LABUBU’ en derhalve merkinbreuk ‘sub a’ oplevert.



4.9.
Ten slotte heeft [gedaagde] betoogd dat hij de handel in de Namaakproducten niet heeft geïnitieerd; hij heeft slechts voldaan aan een verzoek van inkopers van de Jumbo hiertoe, zonder te weten of het ging om namaak of niet. Ook dit verweer slaagt niet. Voor de beoordeling van merkinbreuk als bedoeld in artikel 9 lid 2 UMVo is immers niet relevant of [gedaagde] een verwijt valt te maken ter zake van de handel in Namaakproducten (en daarmee het gebruik van de Tekens). Bepalend is alleen of [gedaagde] tekens gelijk aan de Merken heeft gebruikt. Dat hij dat heeft gedaan is onbetwist.



4.10.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub a en b UMVo en zal zij de vorderingen die hierop zijn gebaseerd toewijzen. Pop Mart heeft geen belang meer bij beoordeling van de vorderingen die gegrond zijn op merkinbreuk ‘sub c’ en auteursrechtinbreuk, zodat de rechtbank die onbesproken laat.



Vorderingen





-Inbreukverbod





4.11.
Hoewel [gedaagde] is gestopt met de verhandeling van de Namaakproducten en bereid is om een schriftelijke toezegging te doen om de producten niet meer aan te bieden, heeft Pop Mart belang bij oplegging van een inbreukverbod. [gedaagde] heeft immers geen met boete versterkte onthoudingsverklaring getekend. De rechtbank zal het gevorderde inbreukverbod dan ook toewijzen voor zover die ziet op de Merken. Voor het overige is het gevorderde inbreukverbod te onbepaald, aangezien dit ziet op alle intellectuele eigendomsrechten van Pop Mart, die niet zijn ingeroepen in deze procedure.





-Verklaring voor recht





4.12.
De rechtbank is van oordeel dat Pop Mart naast een inbreukverbod ook belang heeft bij een verklaring voor recht, opdat in het kader van de schadestaatprocedure in rechte vast komt te staan dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de Merken. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen voor zover die ziet op de merkinbreuk en voor het overige afwijzen, aangezien de vordering te onbepaald is (voor zover de verzochte verklaring ziet op de intellectuele eigendomsrechten) althans omdat Pop Mart geen belang heeft bij haar vordering (voor zover de verzochte verklaring ziet op de auteursrechten, zie 4.10 hiervoor).



-Opgave





4.13.
De vordering om [gedaagde] te bevelen opgave te doen van informatie over de verhandeling van de Namaakproducten zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft weliswaar vrijwillig alle verkoopfacturen en één inkoopfactuur aan Pop Mart verstrekt, maar dit betreft niet alle informatie waar Pop Mart om heeft verzocht. Vast staat dat in ieder geval alle overige inkoopfacturen nog niet aan Pop Mart zijn verstrekt en ook geen (schriftelijke) informatie is verstrekt over de voorraad en verkoopkanalen. Hierdoor heeft Pop Mart nog steeds belang heeft bij haar vordering. De verzochte controle door een onafhankelijke administrateur zal worden afgewezen, aangezien een administrateur – net als een registeraccountant – niet zonder meer conclusies kan trekken die zekerheid geven over de juistheid en volledigheid van de opgave.



-Schadevergoeding





4.14.
De rechtbank begrijpt dat Pop Mart (thans) schadevergoeding nader op te maken bij staat vordert. Deze vordering zal worden toegewezen, nu de mogelijkheid aannemelijk is geworden dat Pop Mart schade heeft geleden door het inbreukmakend handelen van [gedaagde]. Het enkele feit dat Jumbo in het kader van de schikking met Pop Mart al een bedrag aan Pop Mart heeft betaald, betekent niet dat daarmee alle schade voor Pop Mart is weggenomen. In de schadestaatprocedure kan het beroep van [gedaagde] op schadebeperking en eigen schuld aan de orde komen.



-Dwangsommen





4.15.
De rechtbank acht het opleggen van dwangsommen – als prikkel ter nakoming van de bevelen – aangewezen. De dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.



in renconventie





Inzage schikkingsovereenkomst





4.16.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende belang (in de zin van artikel 194 lid 1 Rv) heeft bij haar vordering om Pop Mart te bevelen de schikkingsovereenkomst met Jumbo in het geding te brengen. [gedaagde] heeft van Jumbo een afschrift van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst (zie 2.6) ontvangen in het kader van de doorbelasting van de kosten aan [gedaagde]. [gedaagde] beschikt daarmee over de delen van de overeenkomst die relevant kunnen zijn voor de vordering tot schadevergoeding van Pop Mart jegens [gedaagde]. Uit artikel 4 van de overeenkomst blijkt welk bedrag Jumbo aan Pop Mart heeft betaald en waar dat bedrag op ziet: € 22.057,14 uit hoofde van winstafdracht en € 18.000 ter vergoeding van de juridische kosten van Pop Mart. De rechtbank ziet niet in welk rechtmatig belang [gedaagde] heeft bij inzage in de overige delen van de overeenkomst. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit de tekst kan blijken of Jumbo heeft afgesproken dat zij het door haar betaalde bedrag wel of niet mag doorberekenen aan [gedaagde]. Het al dan niet mogen doorberekenen ziet echter op de relatie tussen Jumbo en [gedaagde], terwijl de vaststellingsovereenkomst enkel de verhoudingen tussen Jumbo en Pop Mart regelt. Of Jumbo de kosten mag doorberekenen aan [gedaagde] kan blijken uit hun onderlinge overeenkomst waarover [gedaagde] al beschikt. De rechtbank is dus van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat en waarom hij een belang heeft bij inzage in de overige delen van de schikkingsovereenkomst. De rechtbank wijst de vordering op grond van artikel 195 Rv daarom af en ziet geen reden om gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 22 Rv.



Proceskosten





in conventie, in reconventie en in het incident





4.17.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Pop Mart. Pop Mart maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Pop Mart heeft specificaties van haar advocaatkosten (exclusief BTW) van in totaal € 18.653,50 overgelegd. Gelet op de aard en inhoud van de vorderingen gaat de rechtbank ervan uit dat de gemaakte proceskosten zien op de procedure in zijn geheel en zal zij geen deel toerekenen aan de conventie dan wel reconventie.



4.18.
Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Nu de vorderingen volledig zijn gebaseerd op IE-rechten, zal de rechtbank de proceskosten volledig begroten aan de hand van de Indicatietarieven en niet – zoals door [gedaagde] is verzocht – deels op basis van het liquidatietarief.



4.19.

Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘eenvoudige bodemzaak’ met een maximumtarief van € 9.600, nu de zaak draait om namaakproducten en de merkinbreuk als zodanig niet door [gedaagde] is betwist. Het incident valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘eenvoudig incident’ met een maximumtarief van € 1.200. Deze bedragen worden vermeerderd met het griffierecht van
€ 714, de dagvaardingskosten van € 672,33, de beslagkosten van € 1.386,33 en de nakosten van € 296 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), waarmee het totaalbedrag uitkomt op € 13.868,66.




4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de Merken door de verhandeling van de Namaakproducten;



5.2.
verbiedt [gedaagde] met ingang van zeven dagen na heden in de Europese Unie inbreuk te maken op de Merken, in het bijzonder door gebruik te maken van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met ‘POP MART’, ‘LABUBU’ en met betrekking tot dezelfde of overeenstemmende waren of diensten waarvoor de Merken zijn ingeschreven;



5.3.
beveelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan Pop Mart te doen toekomen een schriftelijke opgave van de volgende informatie:


het aantal Namaakproducten dat [gedaagde] tot op heden heeft verkocht en aangeboden;


de eventueel aanwezige voorraad van Namaakproducten onder vermelding van de locatie(s) waar de Namaakproducten zich bevinden en welke hoeveelheden zich op welke locatie bevinden;


de verkoopkanalen via waar [gedaagde] de Namaakproducten heeft aangeboden;


e in- en verkoopprijs van de Namaakproducten en het totaalbedrag aan omzet, daaronder begrepen de winst die [gedaagde] heeft behaald met de verhandeling van de Namaakproducten;





5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan Pop Mart de schade te vergoeden die zij heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de inbreuk van [gedaagde] op de Merken, op te maken bij staat en te vereffenen zoals voorzien in de wet, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek als dit bedrag niet binnen veertien dagen na aanschrijving is voldaan;



5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Pop Mart van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000 ineens voor iedere overtreding of niet-nakoming van het onder 5.2, 5.3 en/of 5.4 opgelegde verbod, bevel of veroordeling, alsmede een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, danwel - zulks ter keuze van Pop Mart - voor iedere keer dat [gedaagde] in strijd met een opgelegd verbod, bevel of veroordeling handelt, met een maximum aan dwangsommen van € 100.000;



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;



in reconventie





5.7.
wijst de vordering af;




in conventie, in reconventie en in het incident





5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Pop Mart, tot op heden begroot op
€ 13.868,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;




5.9.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.10.
verklaart de beslissingen in 5.2 tot en met 5.5, 5.8 en 5.9 uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel, rechter, bijgestaan door mr. J.M.N. van Limpt-Schrover, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.





Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk​


Auteurswet


Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken