Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28237
2026-09-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.24429 en NL26.24430
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Opvolgende asielaanvraag; ongegrond; Tanzania; seksuele gerichtheid; medisch advies horen en beslissen; referentiekader; problemen nav seksuele gerichtheid als zelfstandig asielmotief; tegenstrijdigheid tussen hetgeen tijdens het gehoor is gezegd en het besluit.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11019 Rechtbank Den Haag 26-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4180 Rechtbank Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2029 Raad van State 14-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2022:1584 Raad van State 07-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2020:1885 Raad van State 12-08-2020
- ECLI:NL:RVS:2023:1508 Raad van State 19-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2021:977 Raad van State 12-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:1508 Raad van State 19-04-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.373 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.24429 en NL26.24430
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2005, van Tanzaniaanse nationaliteit, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. M. van Kersbergen).
Inleiding
1. In deze uitspraak wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening behandeld.
1.1.
Eiser heeft op 26 oktober 2020 een eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 juni 2021 afgewezen. In de uitspraak van 26 augustus 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat de problemen van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, waarmee het asieldeel van het bestreden besluit is afgedaan.
1.2.
Op 4 februari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 2 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. In de uitspraak van 18 februari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, geoordeeld dat de opvolgende asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze uitspraak is op 14 april 2026 bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
1.3.
Op 9 april 2026 heeft eiser wederom een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij het beroep in Nederland mag afwachten.
1.5.
De voorzieningenrechter/rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, T.U. Takaki als tolk in de taal Swahili en de gemachtigde van de minister. Ook is [persoon] van LGBT+ Asylum Support verschenen. Het onderzoek is op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dit aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom afgewezen worden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Geldend recht
4. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. De Kwalificatierichtlijn is vanaf 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening. De Procedureverordening is daarentegen pas van toepassing op asielverzoeken die zijn ingediend na 12 juni 2026. Omdat het asielverzoek in de onderhavige zaak voor 12 juni 2026 is ingediend, zal de rechtbank de procedure toetsen aan de Procedurerichtlijn.
4.1.
In het kader van het Asiel- en Migratiepact is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met de ‘Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026’ gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Asielrelaas
5. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij dit sinds zijn veertiende levensjaar weet. Hij is op zijn veertiende betrapt met een vriend, genaamd [naam 1] . Eiser werd samen met [naam 1] gestraft in aanwezigheid van alle scholieren en zijn ouders. Ook in zijn buurt wisten mensen dat hij betrapt was. Op zijn vijftiende is eiser naar Nederland gevlucht. Op zijn zeventiende kon eiser zijn gevoelens niet meer controleren. Er was toen een meisje verliefd op hem, maar hij was niet verliefd op haar. Eiser realiseerde zich toen dat hij niet op vrouwen valt. Hij leerde [naam 2] en [naam 3] bij toeval kennen in een park. Zij adviseerden hem om ervoor uit te komen dat hij homoseksueel is. Eiser raakte bevriend met [naam 2] en [naam 3] . Hij kwam bij hen thuis en zij namen hem mee naar een homobar. Eiser wil in de toekomst een relatie met een man en als het goed gaat, samenwonen. Bij terugkeer naar Tanzania vreest eiser vervolgt te worden vanwege zijn seksuele gerichtheid.
Besluitvorming
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De seksuele gerichtheid.
6.1.
De identiteit, nationaliteit en herkomst zijn bij de eerste asielprocedure al geloofwaardig geacht. De minister acht de seksuele gerichtheid niet geloofwaardig.
6.2.
De verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister noemt hiertoe dat eiser oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard over de reden dat hij nu wel durft te praten over zijn homoseksualiteit en eerder niet, over het eerste moment waarop hij zich realiseerde dat hij mannen leuk vindt, over zijn eerste keer in een homobar en over zijn homoseksualiteit in relatie tot zijn geloofsovertuiging.
6.3.
De aanvraag is volgens de minister kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende asielaanvraag betreft en omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om de uitzetting uit te stellen of te verijdelen.
Medisch advies horen en beslissen
7. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat er voorafgaand aan het gehoor een medische beoordeling had moeten plaatsvinden. Dat eiser op vragen antwoord heeft kunnen geven, betekent niet dat hij geestelijk en emotioneel voldoende in staat was om over uiterst persoonlijke en beladen onderwerpen als zijn seksuele gerichtheid te verklaren. Door het gehoor voort te zetten en vervolgens de beperkte verklaringen tegen hem te gebruiken, heeft de minister gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en met
Werkinstructie 2024/9 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor vreemdelingen wordt bij een opvolgende asielaanvraag niet standaard een medisch advies horen en beslissen aangeboden. Dat laat onverlet dat de minister gedurende de hele procedure moet nagaan of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. Als informatie over de vreemdeling of het gedrag of uitlatingen van de vreemdeling voorafgaand of tijdens het gehoor daar aanleiding toe geven, moet alsnog een medisch advies worden gevraagd.
7.2.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat er in dit geval onvoldoende concrete aanknopingspunten aanwezig waren om medisch advies op te vragen. Uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag blijkt niet dat eiser medische problemen had die interfereerde met zijn vermogen om te verklaren. Eiser heeft aan het begin van het gehoor wel aangegeven dat hij zich niet goed voelde, maar de hoormedewerker is hierop ingegaan en heeft aangegeven dat eiser het kan aangeven als er problemen zijn. Tijdens het gehoor zijn er pauzes ingelast en eiser heeft na afloop van deze pauzes aangegeven dat het gehoor ‘normaal’ ging en dat hij zich soms wel en soms niet zo goed voelde. Uit het verslag van het gehoor blijkt niet dat eiser verward was en dat hij niet meer in staat was om de gestelde vragen te begrijpen of te beantwoorden. Ook blijkt uit het verslag dat de hoormedewerker heeft doorgevraagd wanneer een antwoord niet meteen duidelijk werd. Daarnaast heeft eiser in deze procedure geen medische stukken ingebracht waaruit blijkt van psychische problemen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan het gehoor aangegeven dat eiser voor het gehoor eerst een arts wilde spreken, maar hierbij is geenszins verduidelijkt wat er bij eiser speelt. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen waren dat er (aanvullende) procedurele waarborgen nodig waren. De minister heeft in zijn besluitvorming de verklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens het gehoor mogen gebruiken. De beroepsgrond slaagt niet.
Seksuele gerichtheid
Referentiekader
8. Volgens eiser is bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader. Eiser is afkomstig uit Tanzania, waar homoseksualiteit strafbaar en maatschappelijk onacceptabel is. Van eiser wordt verwacht dat hij diepgaande abstracte analyses geeft van zijn gevoelens en acceptatieproces, terwijl eiser juist heeft verklaard dat hij nooit eerder openlijk over deze gevoelens heeft gesproken en moeite heeft gevoelens onder woorden te brengen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser in beroep een rapport overgelegd van LGBT+ Asylum Support dat met name ingaat op het betrekken van het referentiekader bij de beoordeling van de verklaringen van eiser.
8.1.
De rechtbank wil aannemen dat eiser niet gemakkelijk over zijn gevoelens praat. Dat neemt echter niet weg dat de minister redelijkerwijs van eiser mag verlangen dat hij zijn authentieke verhaal naar voren brengt en zijn eigen ervaringen, gevoelens en keuzes inzichtelijk maakt. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in lijn met (de destijds geldende) Werkinstructie 2019/17 is bevraagd en dat de hoormedewerker open vragen heeft gesteld, heeft doorgevraagd en vragen nader heeft toegelicht om deze begrijpelijk te maken voor eiser. Eiser heeft uitgebreid de gelegenheid gekregen om zijn verhaal te doen. De rechtbank overweegt verder dat eiser weliswaar uit een cultuur komt en een religieuze achtergrond heeft waar niet open wordt gesproken over (homo)seksuele gerichtheid, maar dat hij inmiddels ook al ruim vijf jaar in Nederland woont. De minister heeft dit referentiekader uiteengezet in de besluitvorming en heeft hier bij de beoordeling rekening mee gehouden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister bij de beoordeling van eisers verklaringen en de geloofwaardigheid daarvan, onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader.
8.2.
De rechtbank ziet in de verklaring van LGBT+ Asylum Support die daags voor de zitting is overgelegd geen reden om anders te oordelen. In lhbti+-zaken ligt immers het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dat laat evenwel onverlet dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met verklaringen van derden en ander overgelegd bewijsmateriaal. Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt. Het is aan de minister om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, waarbij hij slechts beperkt gewicht hoeft toe te kennen aan rapporten waarin een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele gerichtheid op basis van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen. De minister betoogde op zitting daarom terecht dat de opsteller van het rapport grotendeels een eigen waardering van de verklaringen van de vreemdeling heeft gegeven, met daarbij een uiteenzetting waarom hij anders dan de minister tot het oordeel komt dat de gestelde seksuele gerichtheid wel geloofwaardig is. Dat de opsteller van het rapport op basis van deze eigen waardering kritiek levert op de geloofwaardigheidsbeoordeling, maakt nog niet dat de motivering van de minister ondeugdelijk is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de opsteller eiser niet zelf heeft gesproken, maar het rapport heeft gebaseerd op de gedingstukken. Uit het rapport volgt daarom ten opzichte van de verklaringen van eiser geen aanvullende informatie van feitelijke aard. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rapportage geen afbreuk doet aan de juistheid van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke beoordeling verklaringen over seksuele gerichtheid
9. Eiser stelt daarnaast dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid summier en oppervlakkig zijn. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het contact met [naam 2] en [naam 3] ervoor heeft gezorgd dat hij nadat hij jarenlang, ook in Nederland, zijn gevoelens onderdrukt heeft, ineens open kon zijn over zijn seksuele gerichtheid. Eiser verklaart hierover, ook na doorvragen door de hoormedewerker, enkel dat het vrienden zijn die hij vertrouwt en dat ze hem adviseerden om zijn gevoelens niet te verbergen. Daarnaast heeft de minister bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij zijn gevoelens voor mannen probeerde weg te stoppen, maar dat hij anderzijds niet heeft kunnen concretiseren wat voor gevoelens dit waren en hoe hij dit heeft ervaren. Ook heeft de minister bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over het eerste moment dat hij zich realiseerde dat hij mannen leuk vindt. Het lukte eiser niet om concreet en inzichtelijk te verklaren over zijn gevoelens voor [naam 1] met wie hij op veertienjarige leeftijd is betrapt. Ten aanzien van de nadere toelichting die eiser heeft gegeven in de correcties en aanvullingen over zijn gevoelens voor [naam 1] , mocht de minister opmerken dat hier sprake is van compleet nieuwe verklaringen en dat de correcties en aanvullingen daar niet voor bedoeld zijn. Ook de verklaringen over het bezoek aan de homobar heeft de minister als oppervlakkig en summier kunnen aanmerken. De minister mag van iemand die zo lang zijn geaardheid heeft onderdrukt verwachten dat hij inzichtelijker kan verklaren over de eerste keer dat hij naar een homobar ging. Ook ter zitting heeft eiser over dat eerste bezoek aan een homobar weinig kunnen verklaren en nauwelijks inzicht gegeven in zijn innerlijke beleving van dit belangrijke moment in zijn leven. Eiser zegt daar enkel over dat hij het fantastisch vond en zich daar welkom voelde. Dat het vervolgens bij een eenmalig bezoek is gebleven en eiser het contact met [naam 2] en [naam 3] ook niet heeft onderhouden kan de rechtbank niet goed rijmen. De verklaring van eiser daarover, dat hij geen zin had en twee bussen moest nemen, draagt naar het oordeel van de rechtbank niet bij aan zijn geloofwaardigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
9.2.
Reeds om bovenstaande redenen mocht de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. De rechtbank gaat daarom niet verder in op het standpunt van eiser dat zijn verklaringen over zijn geloofsovertuiging in relatie tot zijn seksuele gerichtheid niet als oppervlakkig aangemerkt hadden mogen worden.
Problemen met [naam 1] als zelfstandig asielmotief
10. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat de minister zijn problemen met [naam 1] als zelfstandig asielmotief had moeten aanmerken. De problemen ten gevolge van zijn seksuele gerichtheid kunnen immers zelfstandig vrees voor vervolging opleveren.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval de problemen met [naam 1] niet als apart asielmotief hoefde aan te merken. De minister heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag namelijk wel doorgevraagd naar deze problemen en heeft de verklaringen hierover vervolgens op geloofwaardigheid beoordeeld. Hierbij heeft de minister overigens wel mogen betrekken dat het feit dat de verklaringen over de seksuele gerichtheid als ongeloofwaardig zijn aangemerkt, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over het incident met [naam 1] . De beroepsgrond slaagt niet.
Tegenstrijdigheid tussen hetgeen tijdens het gehoor is gezegd en het besluit
11. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat er sprake is van tegenstrijdigheden tussen wat de gehoormedewerker tijdens het gehoor heeft gezegd en wat de beslismedewerker in het bestreden besluit heeft genoteerd. Eiser brengt in dit kader naar voren dat er een verplichting rust op de minister om eiser tijdens het gehoor in de gelegenheid te stellen om zijn relaas uiteen te zetten. Indien er sprake is van onduidelijkheden, moet daarop worden doorgevraagd.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er twee keer tijdens het gehoor is aangegeven dat eiser ergens iets van af weet of ergens al over heeft verklaard, niet maakt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld.
11.2.
Wat betreft het feit dat er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is aangegeven dat eiser op de hoogte is van de rechten en vrijheden van de lhbti+ gemeenschap en dat in het voornemen wel is tegengeworpen dat eiser hier onvoldoende over heeft verklaard, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit niet langer tegenwerpt dat eiser onvoldoende heeft verklaard over de situatie van de lhbti+ gemeenschap in Nederland en Tanzania. De minister heeft erkend dat er op dit thema onvoldoende is doorgevraagd tijdens het gehoor opvolgende aanvraag.
11.3.
Wat betreft het feit dat er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is genoemd dat eiser veel heeft verklaard over angst en schaamte en dat de minister in het bestreden besluit toch heeft tegengeworpen dat eiser hier summier over heeft verklaard, merkt de rechtbank op dat dit enkele feit niet maakt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij volgt de rechtbank de stellingname van de minister op zitting, namelijk dat de verklaringen van eiser over het algemeen aan te merken zijn als summier en oppervlakkig en dat uit het verslag van het gehoor blijkt dat er wel is doorgevraagd door de hoormedewerker. Het feit dat de hoormedewerker een keer heeft genoemd dat eiser veel heeft verklaard over angst een schaamte doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.24429:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.24430:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2021:11019.
ECLI:NL:RBDHA:2026:4180.
ECLI:NL:RVS:2026:2029.
Richtlijn (EU) 2011/95/EU.
Verordening (EU) 2024/1347.
Verordening (EU) 2024/1348.
Artikel 79, derde lid, Procedureverordening.
Richtlijn (EU) 2013/32/EU.
Artikel 30b, eerste lid, onder f en onder g, van de Vw.
Conform artikel 24 van de Procedurerichtlijn.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584.
Gehoor opvolgende aanvraag (GOA), pagina 3.
GOA, pagina’s 18 en 23.
Deze werkinstructie was geldig tot en met 29 juni 2026. Hij is vervangen door Werkinstructie 2026/24.
Zie bijvoorbeeld voornemen, pagina 2 en bestreden besluit, pagina 5.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, onder 6.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508, onder 3.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977, onder 5.10.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508.
GOA, pagina’s 7 en 8.
GOA, pagina 15. Bestreden besluit, pagina 3.
GOA, pagina’s 12 en 13.
Voornemen, pagina 5.
Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 maart 2026, NL25.51001 en NL25.51002, onder 7.
GOA, pagina 10.
GOA, pagina 19, onderaan.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.24429 en NL26.24430
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2005, van Tanzaniaanse nationaliteit, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. M. van Kersbergen).
Inleiding
1. In deze uitspraak wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening behandeld.
1.1.
Eiser heeft op 26 oktober 2020 een eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 juni 2021 afgewezen. In de uitspraak van 26 augustus 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat de problemen van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, waarmee het asieldeel van het bestreden besluit is afgedaan.
1.2.
Op 4 februari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 2 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. In de uitspraak van 18 februari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, geoordeeld dat de opvolgende asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze uitspraak is op 14 april 2026 bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
1.3.
Op 9 april 2026 heeft eiser wederom een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij het beroep in Nederland mag afwachten.
1.5.
De voorzieningenrechter/rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, T.U. Takaki als tolk in de taal Swahili en de gemachtigde van de minister. Ook is [persoon] van LGBT+ Asylum Support verschenen. Het onderzoek is op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dit aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom afgewezen worden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Geldend recht
4. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. De Kwalificatierichtlijn is vanaf 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening. De Procedureverordening is daarentegen pas van toepassing op asielverzoeken die zijn ingediend na 12 juni 2026. Omdat het asielverzoek in de onderhavige zaak voor 12 juni 2026 is ingediend, zal de rechtbank de procedure toetsen aan de Procedurerichtlijn.
4.1.
In het kader van het Asiel- en Migratiepact is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met de ‘Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026’ gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Asielrelaas
5. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij dit sinds zijn veertiende levensjaar weet. Hij is op zijn veertiende betrapt met een vriend, genaamd [naam 1] . Eiser werd samen met [naam 1] gestraft in aanwezigheid van alle scholieren en zijn ouders. Ook in zijn buurt wisten mensen dat hij betrapt was. Op zijn vijftiende is eiser naar Nederland gevlucht. Op zijn zeventiende kon eiser zijn gevoelens niet meer controleren. Er was toen een meisje verliefd op hem, maar hij was niet verliefd op haar. Eiser realiseerde zich toen dat hij niet op vrouwen valt. Hij leerde [naam 2] en [naam 3] bij toeval kennen in een park. Zij adviseerden hem om ervoor uit te komen dat hij homoseksueel is. Eiser raakte bevriend met [naam 2] en [naam 3] . Hij kwam bij hen thuis en zij namen hem mee naar een homobar. Eiser wil in de toekomst een relatie met een man en als het goed gaat, samenwonen. Bij terugkeer naar Tanzania vreest eiser vervolgt te worden vanwege zijn seksuele gerichtheid.
Besluitvorming
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De seksuele gerichtheid.
6.1.
De identiteit, nationaliteit en herkomst zijn bij de eerste asielprocedure al geloofwaardig geacht. De minister acht de seksuele gerichtheid niet geloofwaardig.
6.2.
De verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister noemt hiertoe dat eiser oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard over de reden dat hij nu wel durft te praten over zijn homoseksualiteit en eerder niet, over het eerste moment waarop hij zich realiseerde dat hij mannen leuk vindt, over zijn eerste keer in een homobar en over zijn homoseksualiteit in relatie tot zijn geloofsovertuiging.
6.3.
De aanvraag is volgens de minister kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende asielaanvraag betreft en omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om de uitzetting uit te stellen of te verijdelen.
Medisch advies horen en beslissen
7. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat er voorafgaand aan het gehoor een medische beoordeling had moeten plaatsvinden. Dat eiser op vragen antwoord heeft kunnen geven, betekent niet dat hij geestelijk en emotioneel voldoende in staat was om over uiterst persoonlijke en beladen onderwerpen als zijn seksuele gerichtheid te verklaren. Door het gehoor voort te zetten en vervolgens de beperkte verklaringen tegen hem te gebruiken, heeft de minister gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en met
Werkinstructie 2024/9 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor vreemdelingen wordt bij een opvolgende asielaanvraag niet standaard een medisch advies horen en beslissen aangeboden. Dat laat onverlet dat de minister gedurende de hele procedure moet nagaan of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. Als informatie over de vreemdeling of het gedrag of uitlatingen van de vreemdeling voorafgaand of tijdens het gehoor daar aanleiding toe geven, moet alsnog een medisch advies worden gevraagd.
7.2.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat er in dit geval onvoldoende concrete aanknopingspunten aanwezig waren om medisch advies op te vragen. Uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag blijkt niet dat eiser medische problemen had die interfereerde met zijn vermogen om te verklaren. Eiser heeft aan het begin van het gehoor wel aangegeven dat hij zich niet goed voelde, maar de hoormedewerker is hierop ingegaan en heeft aangegeven dat eiser het kan aangeven als er problemen zijn. Tijdens het gehoor zijn er pauzes ingelast en eiser heeft na afloop van deze pauzes aangegeven dat het gehoor ‘normaal’ ging en dat hij zich soms wel en soms niet zo goed voelde. Uit het verslag van het gehoor blijkt niet dat eiser verward was en dat hij niet meer in staat was om de gestelde vragen te begrijpen of te beantwoorden. Ook blijkt uit het verslag dat de hoormedewerker heeft doorgevraagd wanneer een antwoord niet meteen duidelijk werd. Daarnaast heeft eiser in deze procedure geen medische stukken ingebracht waaruit blijkt van psychische problemen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan het gehoor aangegeven dat eiser voor het gehoor eerst een arts wilde spreken, maar hierbij is geenszins verduidelijkt wat er bij eiser speelt. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen waren dat er (aanvullende) procedurele waarborgen nodig waren. De minister heeft in zijn besluitvorming de verklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens het gehoor mogen gebruiken. De beroepsgrond slaagt niet.
Seksuele gerichtheid
Referentiekader
8. Volgens eiser is bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader. Eiser is afkomstig uit Tanzania, waar homoseksualiteit strafbaar en maatschappelijk onacceptabel is. Van eiser wordt verwacht dat hij diepgaande abstracte analyses geeft van zijn gevoelens en acceptatieproces, terwijl eiser juist heeft verklaard dat hij nooit eerder openlijk over deze gevoelens heeft gesproken en moeite heeft gevoelens onder woorden te brengen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser in beroep een rapport overgelegd van LGBT+ Asylum Support dat met name ingaat op het betrekken van het referentiekader bij de beoordeling van de verklaringen van eiser.
8.1.
De rechtbank wil aannemen dat eiser niet gemakkelijk over zijn gevoelens praat. Dat neemt echter niet weg dat de minister redelijkerwijs van eiser mag verlangen dat hij zijn authentieke verhaal naar voren brengt en zijn eigen ervaringen, gevoelens en keuzes inzichtelijk maakt. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in lijn met (de destijds geldende) Werkinstructie 2019/17 is bevraagd en dat de hoormedewerker open vragen heeft gesteld, heeft doorgevraagd en vragen nader heeft toegelicht om deze begrijpelijk te maken voor eiser. Eiser heeft uitgebreid de gelegenheid gekregen om zijn verhaal te doen. De rechtbank overweegt verder dat eiser weliswaar uit een cultuur komt en een religieuze achtergrond heeft waar niet open wordt gesproken over (homo)seksuele gerichtheid, maar dat hij inmiddels ook al ruim vijf jaar in Nederland woont. De minister heeft dit referentiekader uiteengezet in de besluitvorming en heeft hier bij de beoordeling rekening mee gehouden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister bij de beoordeling van eisers verklaringen en de geloofwaardigheid daarvan, onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader.
8.2.
De rechtbank ziet in de verklaring van LGBT+ Asylum Support die daags voor de zitting is overgelegd geen reden om anders te oordelen. In lhbti+-zaken ligt immers het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dat laat evenwel onverlet dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met verklaringen van derden en ander overgelegd bewijsmateriaal. Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt. Het is aan de minister om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, waarbij hij slechts beperkt gewicht hoeft toe te kennen aan rapporten waarin een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele gerichtheid op basis van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen. De minister betoogde op zitting daarom terecht dat de opsteller van het rapport grotendeels een eigen waardering van de verklaringen van de vreemdeling heeft gegeven, met daarbij een uiteenzetting waarom hij anders dan de minister tot het oordeel komt dat de gestelde seksuele gerichtheid wel geloofwaardig is. Dat de opsteller van het rapport op basis van deze eigen waardering kritiek levert op de geloofwaardigheidsbeoordeling, maakt nog niet dat de motivering van de minister ondeugdelijk is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de opsteller eiser niet zelf heeft gesproken, maar het rapport heeft gebaseerd op de gedingstukken. Uit het rapport volgt daarom ten opzichte van de verklaringen van eiser geen aanvullende informatie van feitelijke aard. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rapportage geen afbreuk doet aan de juistheid van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke beoordeling verklaringen over seksuele gerichtheid
9. Eiser stelt daarnaast dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid summier en oppervlakkig zijn. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het contact met [naam 2] en [naam 3] ervoor heeft gezorgd dat hij nadat hij jarenlang, ook in Nederland, zijn gevoelens onderdrukt heeft, ineens open kon zijn over zijn seksuele gerichtheid. Eiser verklaart hierover, ook na doorvragen door de hoormedewerker, enkel dat het vrienden zijn die hij vertrouwt en dat ze hem adviseerden om zijn gevoelens niet te verbergen. Daarnaast heeft de minister bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij zijn gevoelens voor mannen probeerde weg te stoppen, maar dat hij anderzijds niet heeft kunnen concretiseren wat voor gevoelens dit waren en hoe hij dit heeft ervaren. Ook heeft de minister bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over het eerste moment dat hij zich realiseerde dat hij mannen leuk vindt. Het lukte eiser niet om concreet en inzichtelijk te verklaren over zijn gevoelens voor [naam 1] met wie hij op veertienjarige leeftijd is betrapt. Ten aanzien van de nadere toelichting die eiser heeft gegeven in de correcties en aanvullingen over zijn gevoelens voor [naam 1] , mocht de minister opmerken dat hier sprake is van compleet nieuwe verklaringen en dat de correcties en aanvullingen daar niet voor bedoeld zijn. Ook de verklaringen over het bezoek aan de homobar heeft de minister als oppervlakkig en summier kunnen aanmerken. De minister mag van iemand die zo lang zijn geaardheid heeft onderdrukt verwachten dat hij inzichtelijker kan verklaren over de eerste keer dat hij naar een homobar ging. Ook ter zitting heeft eiser over dat eerste bezoek aan een homobar weinig kunnen verklaren en nauwelijks inzicht gegeven in zijn innerlijke beleving van dit belangrijke moment in zijn leven. Eiser zegt daar enkel over dat hij het fantastisch vond en zich daar welkom voelde. Dat het vervolgens bij een eenmalig bezoek is gebleven en eiser het contact met [naam 2] en [naam 3] ook niet heeft onderhouden kan de rechtbank niet goed rijmen. De verklaring van eiser daarover, dat hij geen zin had en twee bussen moest nemen, draagt naar het oordeel van de rechtbank niet bij aan zijn geloofwaardigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
9.2.
Reeds om bovenstaande redenen mocht de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. De rechtbank gaat daarom niet verder in op het standpunt van eiser dat zijn verklaringen over zijn geloofsovertuiging in relatie tot zijn seksuele gerichtheid niet als oppervlakkig aangemerkt hadden mogen worden.
Problemen met [naam 1] als zelfstandig asielmotief
10. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat de minister zijn problemen met [naam 1] als zelfstandig asielmotief had moeten aanmerken. De problemen ten gevolge van zijn seksuele gerichtheid kunnen immers zelfstandig vrees voor vervolging opleveren.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval de problemen met [naam 1] niet als apart asielmotief hoefde aan te merken. De minister heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag namelijk wel doorgevraagd naar deze problemen en heeft de verklaringen hierover vervolgens op geloofwaardigheid beoordeeld. Hierbij heeft de minister overigens wel mogen betrekken dat het feit dat de verklaringen over de seksuele gerichtheid als ongeloofwaardig zijn aangemerkt, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over het incident met [naam 1] . De beroepsgrond slaagt niet.
Tegenstrijdigheid tussen hetgeen tijdens het gehoor is gezegd en het besluit
11. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat er sprake is van tegenstrijdigheden tussen wat de gehoormedewerker tijdens het gehoor heeft gezegd en wat de beslismedewerker in het bestreden besluit heeft genoteerd. Eiser brengt in dit kader naar voren dat er een verplichting rust op de minister om eiser tijdens het gehoor in de gelegenheid te stellen om zijn relaas uiteen te zetten. Indien er sprake is van onduidelijkheden, moet daarop worden doorgevraagd.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er twee keer tijdens het gehoor is aangegeven dat eiser ergens iets van af weet of ergens al over heeft verklaard, niet maakt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld.
11.2.
Wat betreft het feit dat er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is aangegeven dat eiser op de hoogte is van de rechten en vrijheden van de lhbti+ gemeenschap en dat in het voornemen wel is tegengeworpen dat eiser hier onvoldoende over heeft verklaard, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit niet langer tegenwerpt dat eiser onvoldoende heeft verklaard over de situatie van de lhbti+ gemeenschap in Nederland en Tanzania. De minister heeft erkend dat er op dit thema onvoldoende is doorgevraagd tijdens het gehoor opvolgende aanvraag.
11.3.
Wat betreft het feit dat er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is genoemd dat eiser veel heeft verklaard over angst en schaamte en dat de minister in het bestreden besluit toch heeft tegengeworpen dat eiser hier summier over heeft verklaard, merkt de rechtbank op dat dit enkele feit niet maakt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij volgt de rechtbank de stellingname van de minister op zitting, namelijk dat de verklaringen van eiser over het algemeen aan te merken zijn als summier en oppervlakkig en dat uit het verslag van het gehoor blijkt dat er wel is doorgevraagd door de hoormedewerker. Het feit dat de hoormedewerker een keer heeft genoemd dat eiser veel heeft verklaard over angst een schaamte doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.24429:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.24430:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2021:11019.
ECLI:NL:RBDHA:2026:4180.
ECLI:NL:RVS:2026:2029.
Richtlijn (EU) 2011/95/EU.
Verordening (EU) 2024/1347.
Verordening (EU) 2024/1348.
Artikel 79, derde lid, Procedureverordening.
Richtlijn (EU) 2013/32/EU.
Artikel 30b, eerste lid, onder f en onder g, van de Vw.
Conform artikel 24 van de Procedurerichtlijn.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584.
Gehoor opvolgende aanvraag (GOA), pagina 3.
GOA, pagina’s 18 en 23.
Deze werkinstructie was geldig tot en met 29 juni 2026. Hij is vervangen door Werkinstructie 2026/24.
Zie bijvoorbeeld voornemen, pagina 2 en bestreden besluit, pagina 5.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, onder 6.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508, onder 3.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977, onder 5.10.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508.
GOA, pagina’s 7 en 8.
GOA, pagina 15. Bestreden besluit, pagina 3.
GOA, pagina’s 12 en 13.
Voornemen, pagina 5.
Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 maart 2026, NL25.51001 en NL25.51002, onder 7.
GOA, pagina 10.
GOA, pagina 19, onderaan.