Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28236
2026-09-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.41624 en NL26.41625
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMbV Polen. LHBTI. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Polen nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook wat LHBTI’ers betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2026 af te wijken, nu eiser geen nieuwe informatie heeft aangedragen die de Afdeling niet ook al heeft betrokken in zijn uitspraak. Ook ambtshalve is geen landeninformatie bekend bij de rechtbank die tot nieuwe inzichten leidt. Beroep ongegrond, vovo afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:10889 Rechtbank Amsterdam 12-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9721 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4317 Raad van State 24-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.481 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.41624 (beroep)
NL26.41625 (vovo)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1998, stateloos,
eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. B. Snoeij)
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft eisers aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 29 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft (gelijktijdig) ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
2.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Kanaan als tolk in de taal Arabisch (Palestijns-Jordaans) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
Eiser heeft op 23 februari 2026 een Pools visum gekregen met een geldigheidsduur van 1 april 2026 tot 30 april 2026. Op het moment dat eiser asiel aanvroeg in Nederland was zijn visum minder dan achttien maanden verlopen De minister heeft daarom op 9 juli 2026 een overnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Polen. De autoriteiten van Polen hebben dit verzoek op 13 juli 2026 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Polen voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
Mag de minister ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
4. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, in ieder geval waar het LHBTI’ers betreft. Eiser is zelf homoseksueel en stelt dat hij als gevolg van de overdracht aan Polen een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Eiser wijst in dit kader op de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 december 2025 en 22 april 2026. Ook wijst eiser op het rapport Crossing Double Borders.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook wat betreft LHBTI’ers. De minister wijst op de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2026.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Polen nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook wat LHBTI’ers betreft. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat er weliswaar kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de manier waarop in Polen seksuele oriëntatie als beschermingsgrond wordt geïnterpreteerd, maar dat daaruit niet volgt dat deze beschermingsgrond niet wordt getoetst of niet tot inwilliging van een verzoek tot internationale bescherming kan leiden. Ook het gebrek in gespecialiseerde rechtshulp, betekent niet dat er totaal geen rechtshulp beschikbaar is. De rechtbank overweegt dat de Afdeling ook het rapport Crossing Double Borders heeft betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit oordeel af te wijken, nu eiser geen nieuwe informatie heeft aangedragen die de Afdeling niet ook al heeft betrokken in zijn uitspraak.
4.3.
Eisers betoog dat de rechtbank een eigen afweging moet maken is juist, maar dan moet eiser wel landeninformatie aanvoeren waaruit kan volgen dat het oordeel van de Afdeling niet langer houdbaar is. De enkele verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank overweegt verder dat ook ambtshalve geen landeninformatie bekend is die tot nieuwe inzichten leidt. De beroepsgrond slaagt niet
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft.
6. Nu de rechtbank op eisers beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.41624:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL6.41625
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RBAMS:2025:10889.
ECLI:NL:RBDHA:2026:9721.
Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance, Konsorcjum Migracyjne, 2025.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:4317.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.41624 (beroep)
NL26.41625 (vovo)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1998, stateloos,
eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. B. Snoeij)
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft eisers aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 29 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft (gelijktijdig) ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
2.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Kanaan als tolk in de taal Arabisch (Palestijns-Jordaans) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
Eiser heeft op 23 februari 2026 een Pools visum gekregen met een geldigheidsduur van 1 april 2026 tot 30 april 2026. Op het moment dat eiser asiel aanvroeg in Nederland was zijn visum minder dan achttien maanden verlopen De minister heeft daarom op 9 juli 2026 een overnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Polen. De autoriteiten van Polen hebben dit verzoek op 13 juli 2026 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Polen voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
Mag de minister ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
4. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, in ieder geval waar het LHBTI’ers betreft. Eiser is zelf homoseksueel en stelt dat hij als gevolg van de overdracht aan Polen een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Eiser wijst in dit kader op de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 december 2025 en 22 april 2026. Ook wijst eiser op het rapport Crossing Double Borders.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook wat betreft LHBTI’ers. De minister wijst op de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2026.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Polen nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook wat LHBTI’ers betreft. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat er weliswaar kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de manier waarop in Polen seksuele oriëntatie als beschermingsgrond wordt geïnterpreteerd, maar dat daaruit niet volgt dat deze beschermingsgrond niet wordt getoetst of niet tot inwilliging van een verzoek tot internationale bescherming kan leiden. Ook het gebrek in gespecialiseerde rechtshulp, betekent niet dat er totaal geen rechtshulp beschikbaar is. De rechtbank overweegt dat de Afdeling ook het rapport Crossing Double Borders heeft betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit oordeel af te wijken, nu eiser geen nieuwe informatie heeft aangedragen die de Afdeling niet ook al heeft betrokken in zijn uitspraak.
4.3.
Eisers betoog dat de rechtbank een eigen afweging moet maken is juist, maar dan moet eiser wel landeninformatie aanvoeren waaruit kan volgen dat het oordeel van de Afdeling niet langer houdbaar is. De enkele verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank overweegt verder dat ook ambtshalve geen landeninformatie bekend is die tot nieuwe inzichten leidt. De beroepsgrond slaagt niet
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft.
6. Nu de rechtbank op eisers beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.41624:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL6.41625
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RBAMS:2025:10889.
ECLI:NL:RBDHA:2026:9721.
Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance, Konsorcjum Migracyjne, 2025.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:4317.