Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28235
2026-09-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.14345 en NL25.14347
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de afwijzing voor een verblijfsdocument EU/EER ongegrond. Geen zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in arrest K.A.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2022:354
- ECLI:EU:C:2018:308
- ECLI:NL:RVS:2017:1986 Raad van State 24-07-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.202 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.14345 (beroep)
NL25.14347 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres]
, geboren op [geboortedatum] 1985, van Surinaamse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiseres heeft digitaal via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 4 oktober 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het VWEU. Eiseres beoogt verblijf bij haar gestelde tante, [referente] (hierna: referente). Eiseres stelt haar neefjes, de minderjarige kinderen van referente die de Nederlandse nationaliteit hebben, te ondersteunen bij hun verzorging en opvoeding. Zo helpt eiseres de kinderen met hun schoolwerk, begeleidt zij hen bij het sporten en past zij op hen wanneer referente moet werken.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag afgewezen en daaraan – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan de voorwaarden voldoet. Volgens de minister is onder meer onvoldoende aangetoond dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht (die meer dan marginaal zijn) en is niet aangetoond dat referente en haar kinderen zodanig van eiseres afhankelijk zijn dat zij, als eiseres het gevraagde verblijfsdocument niet krijgt, gedwongen zouden worden het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten. De minister heeft in zijn besluitvorming verder opgemerkt dat de ingediende aanvraag niet is bedoeld voor verblijf als au pair en dat eiseres in dat geval een daarvoor specifiek bestemde verblijfsvergunning dient aan te vragen.
3. Eiseres kan zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat namens haar is aangevoerd.
Artikel 20 van het VWEU
4. Eiseres voert in de eerste plaats aan dat de minister het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de Vw. Eiseres heeft immers geen aanvraag gedaan als gemeenschapsonderdaan. De aanvraag berust op artikel 20 VWEU, zijnde primair Unierecht. Primair Unierecht leent zich niet voor omzetting in nationaal recht. Het besluit berust daarom volgens eiseres op een nationale bepaling die, voor zover deze wordt toegepast ter uitvoering van artikel 20 van het VWEU, wegens strijd met het Unierecht buiten toepassing dient te blijven.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet duidelijk heeft gemaakt wat zij met deze beroepsgrond wil bereiken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De minister heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiseres getoetst of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Dit blijkt ondubbelzinnig uit de besluitvorming. Uit de enkele omstandigheid dat de minister ook artikel 9, eerste lid, van de Vw heeft genoemd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiseres heeft, onder verwijzing naar een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), het volgens haar toepasselijke toetsingskader uiteengezet. Zij voert – samengevat – aan dat zij wel degelijk aan de voorwaarden voldoet. Zij verricht daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen en om die reden bestaat tussen haar en de kinderen een afhankelijkheidsverhouding. Uit het arrest XU en QP volgt dat, wanneer een ouder duurzaam samenwoont met de andere ouder van een minderjarige, een afhankelijkheidsverhouding wordt vermoed. Volgens eiseres blijkt uit de overgelegde foto’s van een affectieve band tussen haar en de kinderen. De foto’s ondersteunen bovendien de door haar verrichte zorg- en opvoedingstaken als lid van het gezin. Zo kookt zij voor de kinderen, eet zij met hen, helpt zij hen met hun schoolwerk, brengt zij hen naar hun voetbalwedstrijden en past zij op hen wanneer hun moeder moet werken.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet de juridische of biologische ouder is van de kinderen. Ook is niet in geschil dat eiseres geen gezag heeft over de kinderen. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk zorgtaken voor de kinderen verricht. De minister heeft daarbij van belang kunnen vinden dat de overgelegde foto’s slechts momentopnames zijn. Uit de foto’s blijkt weliswaar dat eiseres activiteiten met de kinderen onderneemt, maar niet dat zij een structurele rol in hun dagelijkse leven vervult. Daarbij heeft de minister kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiseres bij haar tante inwoonde, zodat het niet bijzonder is dat zij af en toe met de kinderen at, hen hielp met huiswerk of naar voetbalwedstrijden reed. Verder heeft de minister erop kunnen wijzen dat de kinderen ten tijde van de aanvraag al veertien en zestien jaar oud waren. Zij waren op dat moment daardoor al in zekere mate zelfstandig en minder afhankelijk van zorg. De verklaring van referente dat haar kinderen door de aanwezigheid van eiseres meer rust ervaren en zich beter kunnen concentreren, heeft de minister niet als bijzonder of doorslaggevend hoeven vinden.
5.3
Wat betreft de gestelde afhankelijkheidsrelatie is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en de kinderen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de kinderen gedwongen zouden worden eiseres te volgen en daarmee de EU te verlaten als haar een verblijfsrecht wordt geweigerd. De rechtbank betrekt hierbij dat de minister van belang heeft mogen vinden dat eiseres geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen verricht. Voor zover zij dergelijke taken heeft verricht, heeft dit gelet op de korte periode van de samenwoning slechts gedurende een beperkte periode kunnen zijn. De kinderen zijn bovendien al geruime tijd hoofdzakelijk door hun eigen moeder, referente, verzorgd. Daarbij heeft de minister van belang kunnen vinden dat de kinderen nog steeds met referente samenwonen en dat zij de daadwerkelijke zorg voor hen kan blijven dragen.
5.4
De rechtbank overweegt verder als volgt. Het is de rechtbank niet gebleken dat door de minister niet wordt erkend, hetgeen de gemachtigde van eiseres lijkt te suggereren, dat verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU voor derdelanders - hoewel primair gericht op ouders en hun minderjarige Nederlandse kinderen - ook een situatie kan omvatten dat een meerderjarige derdelander afhankelijk is van een meerderjarige Unieburger of andersom. Het Hof overweegt dat “volwassenen (…) in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Het is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar dat wordt erkend dat er tussen twee volwassenen die behoren tot een en dezelfde familie, een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan, namelijk in gevallen waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is.” De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A., waarbij, gelet op alle relevante omstandigheden, sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente dat zij op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De rechtbank heeft er oog voor dat referente, als erkend slachtoffer van de toeslagenaffaire, door de aanwezigheid en ondersteuning van eiseres rust ervaart. Dit betekent echter niet dat kan worden gesproken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat eiseres en referente op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De minister heeft daarom terecht overwogen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A.
Artikel 7 van het Handvest
6. Tot slot voert eiseres aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 7 van het Handvest. Volgens eiseres biedt dit artikel verdergaande waarborgen dan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
6.1.
Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de Toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Artikel 7 van het Handvest biedt dan ook geen verdergaande bescherming aan eiseres dan artikel 8 van het EVRM, waardoor de minister niet gehouden was nog een afzonderlijke beoordeling op grond van artikel 7 van het Handvest te maken. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op de vorenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft.
7.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank in de zaak met nummer NL25.14345:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL25.14347:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Vreemdelingenwet 2000 zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit.
Arrest van het Hof van 5 mei 2022, XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354.
Zie het arrest van het Hof van 8 mei 2018, K.A., ECLI:EU:C:2018:308.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie het arrest Dereci en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.14345 (beroep)
NL25.14347 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres]
, geboren op [geboortedatum] 1985, van Surinaamse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiseres heeft digitaal via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 4 oktober 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het VWEU. Eiseres beoogt verblijf bij haar gestelde tante, [referente] (hierna: referente). Eiseres stelt haar neefjes, de minderjarige kinderen van referente die de Nederlandse nationaliteit hebben, te ondersteunen bij hun verzorging en opvoeding. Zo helpt eiseres de kinderen met hun schoolwerk, begeleidt zij hen bij het sporten en past zij op hen wanneer referente moet werken.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag afgewezen en daaraan – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan de voorwaarden voldoet. Volgens de minister is onder meer onvoldoende aangetoond dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht (die meer dan marginaal zijn) en is niet aangetoond dat referente en haar kinderen zodanig van eiseres afhankelijk zijn dat zij, als eiseres het gevraagde verblijfsdocument niet krijgt, gedwongen zouden worden het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten. De minister heeft in zijn besluitvorming verder opgemerkt dat de ingediende aanvraag niet is bedoeld voor verblijf als au pair en dat eiseres in dat geval een daarvoor specifiek bestemde verblijfsvergunning dient aan te vragen.
3. Eiseres kan zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat namens haar is aangevoerd.
Artikel 20 van het VWEU
4. Eiseres voert in de eerste plaats aan dat de minister het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de Vw. Eiseres heeft immers geen aanvraag gedaan als gemeenschapsonderdaan. De aanvraag berust op artikel 20 VWEU, zijnde primair Unierecht. Primair Unierecht leent zich niet voor omzetting in nationaal recht. Het besluit berust daarom volgens eiseres op een nationale bepaling die, voor zover deze wordt toegepast ter uitvoering van artikel 20 van het VWEU, wegens strijd met het Unierecht buiten toepassing dient te blijven.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet duidelijk heeft gemaakt wat zij met deze beroepsgrond wil bereiken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De minister heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiseres getoetst of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Dit blijkt ondubbelzinnig uit de besluitvorming. Uit de enkele omstandigheid dat de minister ook artikel 9, eerste lid, van de Vw heeft genoemd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiseres heeft, onder verwijzing naar een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), het volgens haar toepasselijke toetsingskader uiteengezet. Zij voert – samengevat – aan dat zij wel degelijk aan de voorwaarden voldoet. Zij verricht daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen en om die reden bestaat tussen haar en de kinderen een afhankelijkheidsverhouding. Uit het arrest XU en QP volgt dat, wanneer een ouder duurzaam samenwoont met de andere ouder van een minderjarige, een afhankelijkheidsverhouding wordt vermoed. Volgens eiseres blijkt uit de overgelegde foto’s van een affectieve band tussen haar en de kinderen. De foto’s ondersteunen bovendien de door haar verrichte zorg- en opvoedingstaken als lid van het gezin. Zo kookt zij voor de kinderen, eet zij met hen, helpt zij hen met hun schoolwerk, brengt zij hen naar hun voetbalwedstrijden en past zij op hen wanneer hun moeder moet werken.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet de juridische of biologische ouder is van de kinderen. Ook is niet in geschil dat eiseres geen gezag heeft over de kinderen. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk zorgtaken voor de kinderen verricht. De minister heeft daarbij van belang kunnen vinden dat de overgelegde foto’s slechts momentopnames zijn. Uit de foto’s blijkt weliswaar dat eiseres activiteiten met de kinderen onderneemt, maar niet dat zij een structurele rol in hun dagelijkse leven vervult. Daarbij heeft de minister kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiseres bij haar tante inwoonde, zodat het niet bijzonder is dat zij af en toe met de kinderen at, hen hielp met huiswerk of naar voetbalwedstrijden reed. Verder heeft de minister erop kunnen wijzen dat de kinderen ten tijde van de aanvraag al veertien en zestien jaar oud waren. Zij waren op dat moment daardoor al in zekere mate zelfstandig en minder afhankelijk van zorg. De verklaring van referente dat haar kinderen door de aanwezigheid van eiseres meer rust ervaren en zich beter kunnen concentreren, heeft de minister niet als bijzonder of doorslaggevend hoeven vinden.
5.3
Wat betreft de gestelde afhankelijkheidsrelatie is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en de kinderen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de kinderen gedwongen zouden worden eiseres te volgen en daarmee de EU te verlaten als haar een verblijfsrecht wordt geweigerd. De rechtbank betrekt hierbij dat de minister van belang heeft mogen vinden dat eiseres geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen verricht. Voor zover zij dergelijke taken heeft verricht, heeft dit gelet op de korte periode van de samenwoning slechts gedurende een beperkte periode kunnen zijn. De kinderen zijn bovendien al geruime tijd hoofdzakelijk door hun eigen moeder, referente, verzorgd. Daarbij heeft de minister van belang kunnen vinden dat de kinderen nog steeds met referente samenwonen en dat zij de daadwerkelijke zorg voor hen kan blijven dragen.
5.4
De rechtbank overweegt verder als volgt. Het is de rechtbank niet gebleken dat door de minister niet wordt erkend, hetgeen de gemachtigde van eiseres lijkt te suggereren, dat verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU voor derdelanders - hoewel primair gericht op ouders en hun minderjarige Nederlandse kinderen - ook een situatie kan omvatten dat een meerderjarige derdelander afhankelijk is van een meerderjarige Unieburger of andersom. Het Hof overweegt dat “volwassenen (…) in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Het is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar dat wordt erkend dat er tussen twee volwassenen die behoren tot een en dezelfde familie, een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan, namelijk in gevallen waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is.” De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A., waarbij, gelet op alle relevante omstandigheden, sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente dat zij op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De rechtbank heeft er oog voor dat referente, als erkend slachtoffer van de toeslagenaffaire, door de aanwezigheid en ondersteuning van eiseres rust ervaart. Dit betekent echter niet dat kan worden gesproken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat eiseres en referente op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De minister heeft daarom terecht overwogen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A.
Artikel 7 van het Handvest
6. Tot slot voert eiseres aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 7 van het Handvest. Volgens eiseres biedt dit artikel verdergaande waarborgen dan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
6.1.
Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de Toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Artikel 7 van het Handvest biedt dan ook geen verdergaande bescherming aan eiseres dan artikel 8 van het EVRM, waardoor de minister niet gehouden was nog een afzonderlijke beoordeling op grond van artikel 7 van het Handvest te maken. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op de vorenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft.
7.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank in de zaak met nummer NL25.14345:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL25.14347:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Vreemdelingenwet 2000 zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit.
Arrest van het Hof van 5 mei 2022, XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354.
Zie het arrest van het Hof van 8 mei 2018, K.A., ECLI:EU:C:2018:308.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie het arrest Dereci en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.