Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28233
2026-09-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.38291
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’, onvoldoende gemotiveerd waarom is overgegaan tot een DNA-onderzoek en de resultaten hiervan moeten buiten beschouwing worden gelaten, ook juridische kinderen vallen onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn, verder zijn de gevolgen van het bestreden besluit niet evenredig, beroep gegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:3231 Raad van State 09-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:2357 Raad van State 19-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.012 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.38291
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2006, van Palestijnse afkomst, staatloos, eiser
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als familie- of gezinslid”.
1.2.
Eiser beoogt verblijf bij [referent] (referent), geboren op [geboortedatum 2] 1977, van Palestijnse afkomst en staatloos. Referent is de juridische vader van eiser en is vanaf 13 maart 2021 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.3.
De minister heeft met zijn besluit van 7 november 2022 (het primaire besluit) de aanvraag afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit is met besluit van 2 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend. Dit beroep is op 22 februari 2024 door deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, gegrond verklaard omdat de minister niet tot de conclusie kon komen dat termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
1.4.
Op 4 september 2024 heeft de minister opnieuw op het bezwaar besloten en dit bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
1.5.
Eiser heeft tegen dit besluit op 1 oktober 2024 beroep ingesteld.
1.6.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, A. Abdullah als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister op goede gronden de mvv-aanvraag in het kader van nareis heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Referent is van Palestijnse afkomst en komt uit Syrië. In Syrië is hij getrouwd geweest met de moeder van eiser. Tijdens dit huwelijk is eiser geboren. Referent is in 2012 gescheiden van de moeder van eiser en naar Thailand vertrokken. Hier heeft hij zijn huidige echtgenote ontmoet. Referent heeft ten behoeve van zijn echtgenote, van Russische nationaliteit, en eiser op 12 april 2021 een aanvraag voor een mvv in het kader van nareis ingediend. De echtgenote van referent is niet de moeder van eiser. De aanvraag voor de echtgenote van referent is ingewilligd. De aanvraag voor eiser, zijn zoon, is afgewezen.
3.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond. Referent heeft verklaard dat eiser zijn biologisch kind is. Om dit te onderbouwen heeft referent een uittreksel van het geboorte- en familieregister voor Palestijnen overgelegd. Deze documenten zijn volgens de minister geen officiële door de Syrische autoriteiten afgegeven documenten en daarom onvoldoende om de gestelde familierelatie aan te tonen. De minister heeft vervolgens een DNA-onderzoek opgestart. Uit het rapport van het NFI blijkt dat eiser niet het biologisch kind is van referent. De minister heeft referent vervolgens gehoord. Referent heeft hierbij aangegeven geen verklaring te kunnen geven voor de uitslag van het DNA-onderzoek. Ook heeft referent benadrukt dat hij eiser blijft zien als zijn zoon. De minister stelt echter dat deze verklaringen niet kunnen afdoen aan de uitslag van het DNA-onderzoek, omdat het rapport van het NFI een deskundigenrapport is. Daarom concludeert de minister dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond.
3.2.
In het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft doorgetoetst aan het pleegouder-pleegkind beleid, maar referent niet aangemerkt als pleegouder. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat er afgeweken moet worden van de beleidsregels. Vervolgens is doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM. Er is sprake van familieleven in de zin van dat artikel, omdat de minister aanneemt dat er hechte persoonlijke banden zijn tussen eiser en referent. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat er onvoldoende aanleiding was voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek en dat de resultaten hiervan buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Eiser wijst onder andere op de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn waaruit volgt dat DNA-onderzoek een laatste redmiddel dient te zijn. Vervolgens stelt eiser dat nu er wel sprake is van juridisch ouderschap hij onder de werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt en dat daaruit niet volgt dat enkel biologische ouders of adoptieouders hieronder zouden moeten vallen. Als dat niet het geval zou zijn, zou de uitkomst in deze zaak onevenredig zijn. Daarnaast stelt eiser dat het pleegouder-pleegkind beleid contra legem is, en als dat niet zo is dat hij aan de voorwaarden voldoet voor dit beleid. Tot slot stelt eiser dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet zorgvuldig is geweest.
Standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat het besluit rechtens juist is. De minister kan eiser niet volgen in de stelling dat het DNA-onderzoek ten onrechte is verricht en dat de resultaten buiten beschouwing gelaten moeten worden. Het feit dat eiser documenten heeft overgelegd om dit te onderbouwen betekent niet dat de minister gehouden is de familierechtelijke relatie zonder meer aan te nemen. De door eiser overgelegde documenten worden aangemerkt als een begin van bewijs van de gestelde familierechtelijke relatie, maar deze documenten waren onvoldoende om de gestelde gezinsband aannemelijk te achten. Daarbij is van belang dat geen enkel document persoonsnummers bevat die te herleiden zijn en, met uitzondering van het uittreksel uit het geboorteregister en de voogdij akte, de documenten niet door de Syrische autoriteiten zijn afgegeven. Bovendien heeft eiser zelf aan het DNA-onderzoek meegewerkt. Ook valt eiser niet onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit artikel 4 en 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn blijkt niet dat kinderen van juridische ouders hieronder vallen. Verder volgt de minister eiser niet in zijn standpunt dat het pleegouder-pleegkindbeleid contra legem is en stelt dat de minister dat eiser niet voor toepassing van dit beleid in aanmerking komt. Tenslotte is de minister van oordeel dat er wel een zorgvuldige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden.
DNA-onderzoek
6. De rechtbank ziet aanleiding om de vraag of er voldoende twijfel was voor het uitvoeren van het DNA-onderzoek door de minister als eerste te beantwoorden. Eiser heeft de volgende documenten ingebracht om de familieband te onderbouwen:
een gelegaliseerde geboorteakte van eiser, afgegeven door de burgerlijke stand in Damascus waar de naam van referent wordt genoemd als vader;
een gelegaliseerd voogdijbewijs afgegeven door de rechtbank in Damascus, waaruit blijkt dat referent de voogdij over eiser heeft, het volledig gezag krijgt en hij als vader van eiser wordt genoemd;
de verklaring van de huwelijksinschrijving van referent en de moeder van eiser, waaruit blijkt dat zij in 1999 zijn getrouwd;
een gelegaliseerde scheidingsakte van de burgerlijke stand in Damascus waaruit blijkt dat referent en de moeder van eiser in 2012, dus na de geboorte van eiser, zijn gescheiden;
een UNWRA Family Registration Card waarin eiser staat aangemerkt als ‘son’ en referent als ‘husband’;
een uittreksel uit het geboorteregister voor Palestijnen; en,
en een uittreksel uit het familieregister voor Palestijnen.
Verder heeft eiser bij de aanvraag een instemmingsverklaring van zijn moeder overgelegd waaruit blijkt dat eiser mocht vertrekken. Verder zijn er documenten ingebracht waaruit de identiteit van de moeder van eiser, referent en eiser blijkt.
6.1.
Voor de beantwoording van de vraag of een DNA-onderzoek mocht plaatsvinden, zijn de door eiser aangehaalde richtsnoeren van de Europese Commissie van belang. De Europese Commissie heeft bepaald dat enkel kan worden overgegaan tot een DNA-onderzoek indien er sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de overgelegde documenten en informatie. Dit blijkt onder andere uit de volgende passages:
“De lidstaten hebben een zekere beoordelingsmarge bij de beslissing of het wenselijk en noodzakelijk is om het bewijs van de gezinsband te verifiëren door middel van gesprekken en andere vormen van onderzoek, zoals DNA-tests. De criteria van wenselijkheid en noodzakelijkheid impliceren dat dergelijk onderzoek niet is toegestaan wanneer er andere passende en minder beperkende manieren zijn om een gezinsband aan te tonen.”
“De Commissie meent dat indien er gerede twijfels bestaan nadat andere soorten bewijs zijn onderzocht, of er duidelijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van fraude, als laatste middel DNA-tests kunnen worden gebruikt. De Commissie is van mening dat de lidstaten in voorkomend geval de UNHCR-beginselen inzake DNA-tests in acht moeten nemen.”
6.2.
In de UNHCR beginselen inzake DNA-tests staat vervolgens het volgende:
“13. In line with the above, UNHCR considers that DNA testing to verify family relationships may be resorted to only where serious doubts remain after all other types of proof have been examined, or, where there are strong indications of fraudulent intent and DNA testing is considered as the only reliable recourse to prove or disprove fraud.”
6.3.
Uit bovenstaande bronnen blijkt dus dat enkel kan worden overgegaan tot DNA-onderzoek als laatste middel wanneer er gerede twijfel bestaat over de juistheid van de overgelegde documenten en informatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit de verkeerde maatstaf gehanteerd door enkel te spreken over twijfel. Het bestreden besluit kan reeds daarom niet in stand blijven.
6.4.
In het verweerschrift heeft de minister voorts wel aangegeven dat er sprake was van gerede [cursivering door de rechtbank] twijfel. Dat hiervan sprake is, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Gelet op al de documenten, die grotendeels al bij de aanvraag zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de minister geen gerede twijfel had kunnen hebben over de vraag of referent de biologische vader was van eiser en daardoor over kon gaan tot een DNA-onderzoek.
6.5.
Dat, zoals de minister heeft betoogd, niet ook het familieboekje was overgelegd, maakt dit niet anders. De minister heeft namelijk niet gemotiveerd waarom dit familieboekje een dermate belangrijk document is dat aan alle andere documenten onvoldoende bewijswaarde toekomt. Uit die documenten blijkt namelijk in ieder geval al dat eiser is geboren tijdens het huwelijk van referent en de moeder van eiser en dat referent het gezag heeft over eiser. Bovendien staat referent ook in meerdere documenten benoemd als de vader van eiser.
Dat, zoals de minister in het besluit eveneens heeft aangegeven, op de documenten niet een identificerend nummer is te vinden, maakt het voorgaande evenmin anders. Wat daar verder ook van zij, het ontbreken van identificerende nummers neemt niet weg dat de overgelegde documenten sowieso al te herleiden zijn tot eiser en referent. Dit heeft de minister ter zitting ook niet betwist.
Tot slot heeft de minister op zitting nog aangegeven dat het voogdijbewijs vragen oproept nu eiser stelt de biologische vader te zijn. De minister heeft desgevraagd echter niet kunnen onderbouwen dat voogdij en het biologisch ouder zijn volgens het Syrische familierecht elkaar uitsluitende grootheden zijn.
6.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij over kon gaan tot een DNA-onderzoek in deze zaak. Dit maakt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
7. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat gedaan moet worden met de uitkomst van het DNA-onderzoek en of dit nog meegenomen mag worden in de besluitvorming. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt namelijk dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in een bestuursrechtelijk geding alleen dan niet is toegestaan als het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het DNA-onderzoek niet ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Een DNA-onderzoek is een forse inbreuk op iemands privé- en familieleven. Het is niet voor niets enkel toegestaan in geval van gerede twijfel. De minister heeft niet kunnen onderbouwen waarom er objectief gezien reden was voor twijfel aan de vele overgelegde en elkaar ondersteunende documenten, laat staan dat er reden was voor gerede twijfel. Gelet op de te lichtvaardige wijze waarop door de minister is overgegaan tot een forse inbreuk op eisers en referents recht op privé- en familieleven is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie als onder r.o. 7. omschreven.
Een andere uitkomst zou ook betekenen dat de minister in de toekomst bij enkel twijfel wederom zou kunnen overgaan tot een DNA-test, zonder dat hier consequenties aan te verbinden zijn. Daarvoor is de inbreuk op een grondrecht in de ogen van de rechtbank te groot.
Dat referent met de DNA-test heeft ingestemd maakt het voorgaande overigens niet anders. Referent wist ten tijde van de toestemming niet beter dan dat hij de biologische vader van eiser was.
7.2.
De resultaten van dit onderzoek moeten dus buiten beschouwing worden gelaten. Vanwege de rechtsbescherming had de minister de aanvraag moeten oppakken als ware referent de biologische vader.
8. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Ten overvloede en in het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank nog wel enkele andere gronden bespreken.
Gezinsherenigingsrichtlijn
9. Ook als de resultaten van het DNA-onderzoek wel meegenomen hadden mogen worden in de besluitvorming, is de rechtbank van oordeel dat het besluit geen stand kan houden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de juridische band tussen eiser en referent wel onder het toepassingsbereik valt van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De eis die de minister stelt dat er tussen eiser en referent sprake moet zijn van een biologische band dan wel enkel adoptie, blijkt niet uit de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister wijst daarbij op artikel 4 en artikel 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en stelt dat de Nederlandse wetgever [de rechtbank begrijpt: de minister zelf] ervoor heeft gekozen om biologische kinderen, en in geval van niet-biologische kinderen, adoptie- of pleegkinderen in aanmerking te laten komen voor nareis. De rechtbank kan deze uitleg echter niet volgen nu deze noch uit de bewoordingen noch uit het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan worden afgeleid.
In artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn staat onder meer het volgende:
“1. De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden:
(…)
b) de minderjarige kinderen van de gezinshereniger en diens echtgenoot, met inbegrip van kinderen die zijn geadopteerd overeenkomstig een beslissing van de bevoegde autoriteit in de betrokken lidstaat, dan wel overeenkomstig een beslissing die van rechtswege uitvoerbaar is uit hoofde van internationale verplichtingen van die lidstaat of die in overeenstemming met internationale verplichtingen moet worden erkend;
c) de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;
d) de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de echtgenoot, indien de echtgenoot het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;
(…)”
9.1.
Dat er tussen eiser en referent dus sprake moet zijn van een biologische band blijkt niet uit deze richtlijn. Er wordt nergens gesproken van een biologisch minderjarig kind. Sterker noch, in de richtlijn wordt onder het begrip minderjarig kind ook verstaan geadopteerde kinderen. Dat een (anderszins) juridisch kind dan niet onder de Gezinsherenigingsrichtlijn zou vallen kan de rechtbank dan ook niet volgen. De Gezinsherenigingsrichtlijn is juist bedoeld om de eenheid van het gezin te beschermen en de mogelijkheid te bieden het gezinsleven in een lidstaat voort te zetten. De leden van het kerngezin – de echtgenoot en de minderjarige kinderen - hebben daarbij steeds recht op gezinshereniging.
9.2.
Dat de minister hier een andere uitleg aan heeft gegeven, maakt dit niet anders. De minister dient immers te handelen naar de letter en de geest van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister heeft zijn standpunt dat indien er een niet-biologisch kind is én er geen sprake is van adoptie, dit kind niet onder de Gezinsherenigingsrichtlijn valt, ook niet nader onderbouwd met jurisprudentie of andere Europese regelgeving.
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank vallen dus ook juridische kinderen – en daarmee de situatie van referent en eiser - onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
10. Vervolgens moet worden beoordeeld of de situatie van referent en eiser ook aan de overige voorwaarden van, in dit geval, artikel 4, eerste lid sub c van de Gezinsherenigingsrichtlijn voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval nu referent het gezag over eiser heeft en niet in geschil is dat eiser financieel ten laste komt van referent.
10.1.
De minister heeft op de zitting nog gesteld dat als eiser en referent onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn zouden moeten vallen, de gezinsband verbroken is, omdat er al lang geen fysiek contact meer is geweest tussen eiser en referent. Hierdoor komen zij toch niet op grond van deze richtlijn voor gezinshereniging in aanmerking.
10.2.
Dit standpunt kan de rechtbank echter niet volgen. De rechtbank stelt vast dat eiser is geboren staande het huwelijk tussen referent en eisers moeder en dat zij als gezin hebben samengewoond tot aan de echtscheiding in 2012. Niet is in geschil dat referent, nadat hij Syrië heeft verlaten in 2012, nog steeds dagelijks contact heeft onderhouden met eiser. Waarbij zij de dag doorspreken, maar ook de voor eiser bij zijn leeftijd passende, meer levensomvattende vragen bespreken, waar referent dan vaderlijk advies over geeft. Ook is niet in geschil dat voor belangrijke beslissingen als schoolkeuze de moeder van eiser en referent dit onderling bepalen en dat referent zowel tijdens de samenwoning als daarna financieel verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de opvoeding en verzorging van eiser. Voorts heeft referent tot aan de uitslag van de DNA-test in de veronderstelling geleefd dat hij de biologische vader van eiser was. Referent en de moeder hebben eiser hier nog niet van op de hoogte gebracht en zijn, zo begrijpt de rechtbank referent, ook niet van plan dit te doen. Naar de rechtbank uit het gehoor van de moeder begrijpt, is eiser geboren uit het voor de moeder eenmalig en gedwongen ondergaan van seks met een ander, waar zij referent en eiser nooit over heeft verteld.
10.3.
Van de buitenkant bezien is er dus sprake van een gezin waarbij de ouders op enig moment zijn gescheiden en de moeder en de vader beiden op hun manier hun gezinsband met het kind hebben voortgezet. Ondanks de uitslag van de DNA-test beschouwt referent eiser nog steeds als zijn zoon. Dat eiser als gevolg van een gebroken gezinsband niet onder artikel 4, sub c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt, heeft de minister dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dit klemt overigens temeer nu de minister wel heeft aangenomen dat er sprake is van hechte persoonlijk banden tussen eiser en referent, en dus gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft de minister op de zitting ook erkend dat volgens WI 2020/16 er in deze situatie waar vader dagelijks contact heeft onderhouden met zijn zoon geen sprake is van een verbroken gezinsband.
Evenredigheid
11. De rechtbank merkt tot slot nog op dat ook al zou uit de Gezinsherenigingrichtlijn volgen dat er, zoals door de minister gesteld, sprake moet zijn van een biologische band én dat een andere juridische band dan adoptie niet volstaat, dan zou in een situatie als deze de uitkomst hiervan onevenredig te noemen zijn. De minister heeft immers te maken met een vader die tot aan het DNA-onderzoek in de veronderstelling heeft geleefd dat hij de biologische vader van het kind was, een kind dat nog steeds niet beter weet dan dat zijn vader niet zijn biologische vader is en, zo begrijpt de rechtbank het dossier, de moeder misschien altijd heeft gehoopt dat referent de biologische vader was. Deze situatie is zo op één lijn te stellen met de basisgedachte van een kerngezin zoals omschreven in de Gezinsherenigingsrichtlijn dat de gevolgen van het bestreden besluit om die reden Unierechtelijk niet evenredig te noemen zouden zijn.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor, gelet op de langde duur van de procedure, vier weken.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
NL23.15648
Nederlands Forensisch Instituut.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging van de Europese Commissie, COM (2014) 210, van 3 april 2014.
Richtlijn 2003/86/EG.
United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East.
Zie voetnoot 4.
Zie paragraaf 3.2. Bijgaande bewijsstukken.
Zie paragraaf 6.1.2. Ontbreken van officiële bewijsstukken.
United Nations High Commissioner for Refugees.
UNHCR Note on DNA Testing to Establish Family Relationships in the Refugee Context.
Zie onder nummer 13.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 9 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3231) en van 19 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2357).
Zie paragraaf C5/1.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie considerans 2 en 6 bij de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Zie considerans 9 bij de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM.
Zie pagina 8.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.38291
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2006, van Palestijnse afkomst, staatloos, eiser
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als familie- of gezinslid”.
1.2.
Eiser beoogt verblijf bij [referent] (referent), geboren op [geboortedatum 2] 1977, van Palestijnse afkomst en staatloos. Referent is de juridische vader van eiser en is vanaf 13 maart 2021 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.3.
De minister heeft met zijn besluit van 7 november 2022 (het primaire besluit) de aanvraag afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit is met besluit van 2 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend. Dit beroep is op 22 februari 2024 door deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, gegrond verklaard omdat de minister niet tot de conclusie kon komen dat termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
1.4.
Op 4 september 2024 heeft de minister opnieuw op het bezwaar besloten en dit bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
1.5.
Eiser heeft tegen dit besluit op 1 oktober 2024 beroep ingesteld.
1.6.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, A. Abdullah als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister op goede gronden de mvv-aanvraag in het kader van nareis heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Referent is van Palestijnse afkomst en komt uit Syrië. In Syrië is hij getrouwd geweest met de moeder van eiser. Tijdens dit huwelijk is eiser geboren. Referent is in 2012 gescheiden van de moeder van eiser en naar Thailand vertrokken. Hier heeft hij zijn huidige echtgenote ontmoet. Referent heeft ten behoeve van zijn echtgenote, van Russische nationaliteit, en eiser op 12 april 2021 een aanvraag voor een mvv in het kader van nareis ingediend. De echtgenote van referent is niet de moeder van eiser. De aanvraag voor de echtgenote van referent is ingewilligd. De aanvraag voor eiser, zijn zoon, is afgewezen.
3.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond. Referent heeft verklaard dat eiser zijn biologisch kind is. Om dit te onderbouwen heeft referent een uittreksel van het geboorte- en familieregister voor Palestijnen overgelegd. Deze documenten zijn volgens de minister geen officiële door de Syrische autoriteiten afgegeven documenten en daarom onvoldoende om de gestelde familierelatie aan te tonen. De minister heeft vervolgens een DNA-onderzoek opgestart. Uit het rapport van het NFI blijkt dat eiser niet het biologisch kind is van referent. De minister heeft referent vervolgens gehoord. Referent heeft hierbij aangegeven geen verklaring te kunnen geven voor de uitslag van het DNA-onderzoek. Ook heeft referent benadrukt dat hij eiser blijft zien als zijn zoon. De minister stelt echter dat deze verklaringen niet kunnen afdoen aan de uitslag van het DNA-onderzoek, omdat het rapport van het NFI een deskundigenrapport is. Daarom concludeert de minister dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond.
3.2.
In het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft doorgetoetst aan het pleegouder-pleegkind beleid, maar referent niet aangemerkt als pleegouder. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat er afgeweken moet worden van de beleidsregels. Vervolgens is doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM. Er is sprake van familieleven in de zin van dat artikel, omdat de minister aanneemt dat er hechte persoonlijke banden zijn tussen eiser en referent. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat er onvoldoende aanleiding was voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek en dat de resultaten hiervan buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Eiser wijst onder andere op de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn waaruit volgt dat DNA-onderzoek een laatste redmiddel dient te zijn. Vervolgens stelt eiser dat nu er wel sprake is van juridisch ouderschap hij onder de werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt en dat daaruit niet volgt dat enkel biologische ouders of adoptieouders hieronder zouden moeten vallen. Als dat niet het geval zou zijn, zou de uitkomst in deze zaak onevenredig zijn. Daarnaast stelt eiser dat het pleegouder-pleegkind beleid contra legem is, en als dat niet zo is dat hij aan de voorwaarden voldoet voor dit beleid. Tot slot stelt eiser dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet zorgvuldig is geweest.
Standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat het besluit rechtens juist is. De minister kan eiser niet volgen in de stelling dat het DNA-onderzoek ten onrechte is verricht en dat de resultaten buiten beschouwing gelaten moeten worden. Het feit dat eiser documenten heeft overgelegd om dit te onderbouwen betekent niet dat de minister gehouden is de familierechtelijke relatie zonder meer aan te nemen. De door eiser overgelegde documenten worden aangemerkt als een begin van bewijs van de gestelde familierechtelijke relatie, maar deze documenten waren onvoldoende om de gestelde gezinsband aannemelijk te achten. Daarbij is van belang dat geen enkel document persoonsnummers bevat die te herleiden zijn en, met uitzondering van het uittreksel uit het geboorteregister en de voogdij akte, de documenten niet door de Syrische autoriteiten zijn afgegeven. Bovendien heeft eiser zelf aan het DNA-onderzoek meegewerkt. Ook valt eiser niet onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit artikel 4 en 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn blijkt niet dat kinderen van juridische ouders hieronder vallen. Verder volgt de minister eiser niet in zijn standpunt dat het pleegouder-pleegkindbeleid contra legem is en stelt dat de minister dat eiser niet voor toepassing van dit beleid in aanmerking komt. Tenslotte is de minister van oordeel dat er wel een zorgvuldige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden.
DNA-onderzoek
6. De rechtbank ziet aanleiding om de vraag of er voldoende twijfel was voor het uitvoeren van het DNA-onderzoek door de minister als eerste te beantwoorden. Eiser heeft de volgende documenten ingebracht om de familieband te onderbouwen:
een gelegaliseerde geboorteakte van eiser, afgegeven door de burgerlijke stand in Damascus waar de naam van referent wordt genoemd als vader;
een gelegaliseerd voogdijbewijs afgegeven door de rechtbank in Damascus, waaruit blijkt dat referent de voogdij over eiser heeft, het volledig gezag krijgt en hij als vader van eiser wordt genoemd;
de verklaring van de huwelijksinschrijving van referent en de moeder van eiser, waaruit blijkt dat zij in 1999 zijn getrouwd;
een gelegaliseerde scheidingsakte van de burgerlijke stand in Damascus waaruit blijkt dat referent en de moeder van eiser in 2012, dus na de geboorte van eiser, zijn gescheiden;
een UNWRA Family Registration Card waarin eiser staat aangemerkt als ‘son’ en referent als ‘husband’;
een uittreksel uit het geboorteregister voor Palestijnen; en,
en een uittreksel uit het familieregister voor Palestijnen.
Verder heeft eiser bij de aanvraag een instemmingsverklaring van zijn moeder overgelegd waaruit blijkt dat eiser mocht vertrekken. Verder zijn er documenten ingebracht waaruit de identiteit van de moeder van eiser, referent en eiser blijkt.
6.1.
Voor de beantwoording van de vraag of een DNA-onderzoek mocht plaatsvinden, zijn de door eiser aangehaalde richtsnoeren van de Europese Commissie van belang. De Europese Commissie heeft bepaald dat enkel kan worden overgegaan tot een DNA-onderzoek indien er sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de overgelegde documenten en informatie. Dit blijkt onder andere uit de volgende passages:
“De lidstaten hebben een zekere beoordelingsmarge bij de beslissing of het wenselijk en noodzakelijk is om het bewijs van de gezinsband te verifiëren door middel van gesprekken en andere vormen van onderzoek, zoals DNA-tests. De criteria van wenselijkheid en noodzakelijkheid impliceren dat dergelijk onderzoek niet is toegestaan wanneer er andere passende en minder beperkende manieren zijn om een gezinsband aan te tonen.”
“De Commissie meent dat indien er gerede twijfels bestaan nadat andere soorten bewijs zijn onderzocht, of er duidelijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van fraude, als laatste middel DNA-tests kunnen worden gebruikt. De Commissie is van mening dat de lidstaten in voorkomend geval de UNHCR-beginselen inzake DNA-tests in acht moeten nemen.”
6.2.
In de UNHCR beginselen inzake DNA-tests staat vervolgens het volgende:
“13. In line with the above, UNHCR considers that DNA testing to verify family relationships may be resorted to only where serious doubts remain after all other types of proof have been examined, or, where there are strong indications of fraudulent intent and DNA testing is considered as the only reliable recourse to prove or disprove fraud.”
6.3.
Uit bovenstaande bronnen blijkt dus dat enkel kan worden overgegaan tot DNA-onderzoek als laatste middel wanneer er gerede twijfel bestaat over de juistheid van de overgelegde documenten en informatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit de verkeerde maatstaf gehanteerd door enkel te spreken over twijfel. Het bestreden besluit kan reeds daarom niet in stand blijven.
6.4.
In het verweerschrift heeft de minister voorts wel aangegeven dat er sprake was van gerede [cursivering door de rechtbank] twijfel. Dat hiervan sprake is, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Gelet op al de documenten, die grotendeels al bij de aanvraag zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de minister geen gerede twijfel had kunnen hebben over de vraag of referent de biologische vader was van eiser en daardoor over kon gaan tot een DNA-onderzoek.
6.5.
Dat, zoals de minister heeft betoogd, niet ook het familieboekje was overgelegd, maakt dit niet anders. De minister heeft namelijk niet gemotiveerd waarom dit familieboekje een dermate belangrijk document is dat aan alle andere documenten onvoldoende bewijswaarde toekomt. Uit die documenten blijkt namelijk in ieder geval al dat eiser is geboren tijdens het huwelijk van referent en de moeder van eiser en dat referent het gezag heeft over eiser. Bovendien staat referent ook in meerdere documenten benoemd als de vader van eiser.
Dat, zoals de minister in het besluit eveneens heeft aangegeven, op de documenten niet een identificerend nummer is te vinden, maakt het voorgaande evenmin anders. Wat daar verder ook van zij, het ontbreken van identificerende nummers neemt niet weg dat de overgelegde documenten sowieso al te herleiden zijn tot eiser en referent. Dit heeft de minister ter zitting ook niet betwist.
Tot slot heeft de minister op zitting nog aangegeven dat het voogdijbewijs vragen oproept nu eiser stelt de biologische vader te zijn. De minister heeft desgevraagd echter niet kunnen onderbouwen dat voogdij en het biologisch ouder zijn volgens het Syrische familierecht elkaar uitsluitende grootheden zijn.
6.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij over kon gaan tot een DNA-onderzoek in deze zaak. Dit maakt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
7. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat gedaan moet worden met de uitkomst van het DNA-onderzoek en of dit nog meegenomen mag worden in de besluitvorming. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt namelijk dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in een bestuursrechtelijk geding alleen dan niet is toegestaan als het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het DNA-onderzoek niet ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Een DNA-onderzoek is een forse inbreuk op iemands privé- en familieleven. Het is niet voor niets enkel toegestaan in geval van gerede twijfel. De minister heeft niet kunnen onderbouwen waarom er objectief gezien reden was voor twijfel aan de vele overgelegde en elkaar ondersteunende documenten, laat staan dat er reden was voor gerede twijfel. Gelet op de te lichtvaardige wijze waarop door de minister is overgegaan tot een forse inbreuk op eisers en referents recht op privé- en familieleven is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie als onder r.o. 7. omschreven.
Een andere uitkomst zou ook betekenen dat de minister in de toekomst bij enkel twijfel wederom zou kunnen overgaan tot een DNA-test, zonder dat hier consequenties aan te verbinden zijn. Daarvoor is de inbreuk op een grondrecht in de ogen van de rechtbank te groot.
Dat referent met de DNA-test heeft ingestemd maakt het voorgaande overigens niet anders. Referent wist ten tijde van de toestemming niet beter dan dat hij de biologische vader van eiser was.
7.2.
De resultaten van dit onderzoek moeten dus buiten beschouwing worden gelaten. Vanwege de rechtsbescherming had de minister de aanvraag moeten oppakken als ware referent de biologische vader.
8. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Ten overvloede en in het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank nog wel enkele andere gronden bespreken.
Gezinsherenigingsrichtlijn
9. Ook als de resultaten van het DNA-onderzoek wel meegenomen hadden mogen worden in de besluitvorming, is de rechtbank van oordeel dat het besluit geen stand kan houden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de juridische band tussen eiser en referent wel onder het toepassingsbereik valt van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De eis die de minister stelt dat er tussen eiser en referent sprake moet zijn van een biologische band dan wel enkel adoptie, blijkt niet uit de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister wijst daarbij op artikel 4 en artikel 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en stelt dat de Nederlandse wetgever [de rechtbank begrijpt: de minister zelf] ervoor heeft gekozen om biologische kinderen, en in geval van niet-biologische kinderen, adoptie- of pleegkinderen in aanmerking te laten komen voor nareis. De rechtbank kan deze uitleg echter niet volgen nu deze noch uit de bewoordingen noch uit het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan worden afgeleid.
In artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn staat onder meer het volgende:
“1. De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden:
(…)
b) de minderjarige kinderen van de gezinshereniger en diens echtgenoot, met inbegrip van kinderen die zijn geadopteerd overeenkomstig een beslissing van de bevoegde autoriteit in de betrokken lidstaat, dan wel overeenkomstig een beslissing die van rechtswege uitvoerbaar is uit hoofde van internationale verplichtingen van die lidstaat of die in overeenstemming met internationale verplichtingen moet worden erkend;
c) de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;
d) de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de echtgenoot, indien de echtgenoot het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;
(…)”
9.1.
Dat er tussen eiser en referent dus sprake moet zijn van een biologische band blijkt niet uit deze richtlijn. Er wordt nergens gesproken van een biologisch minderjarig kind. Sterker noch, in de richtlijn wordt onder het begrip minderjarig kind ook verstaan geadopteerde kinderen. Dat een (anderszins) juridisch kind dan niet onder de Gezinsherenigingsrichtlijn zou vallen kan de rechtbank dan ook niet volgen. De Gezinsherenigingsrichtlijn is juist bedoeld om de eenheid van het gezin te beschermen en de mogelijkheid te bieden het gezinsleven in een lidstaat voort te zetten. De leden van het kerngezin – de echtgenoot en de minderjarige kinderen - hebben daarbij steeds recht op gezinshereniging.
9.2.
Dat de minister hier een andere uitleg aan heeft gegeven, maakt dit niet anders. De minister dient immers te handelen naar de letter en de geest van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister heeft zijn standpunt dat indien er een niet-biologisch kind is én er geen sprake is van adoptie, dit kind niet onder de Gezinsherenigingsrichtlijn valt, ook niet nader onderbouwd met jurisprudentie of andere Europese regelgeving.
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank vallen dus ook juridische kinderen – en daarmee de situatie van referent en eiser - onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
10. Vervolgens moet worden beoordeeld of de situatie van referent en eiser ook aan de overige voorwaarden van, in dit geval, artikel 4, eerste lid sub c van de Gezinsherenigingsrichtlijn voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval nu referent het gezag over eiser heeft en niet in geschil is dat eiser financieel ten laste komt van referent.
10.1.
De minister heeft op de zitting nog gesteld dat als eiser en referent onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn zouden moeten vallen, de gezinsband verbroken is, omdat er al lang geen fysiek contact meer is geweest tussen eiser en referent. Hierdoor komen zij toch niet op grond van deze richtlijn voor gezinshereniging in aanmerking.
10.2.
Dit standpunt kan de rechtbank echter niet volgen. De rechtbank stelt vast dat eiser is geboren staande het huwelijk tussen referent en eisers moeder en dat zij als gezin hebben samengewoond tot aan de echtscheiding in 2012. Niet is in geschil dat referent, nadat hij Syrië heeft verlaten in 2012, nog steeds dagelijks contact heeft onderhouden met eiser. Waarbij zij de dag doorspreken, maar ook de voor eiser bij zijn leeftijd passende, meer levensomvattende vragen bespreken, waar referent dan vaderlijk advies over geeft. Ook is niet in geschil dat voor belangrijke beslissingen als schoolkeuze de moeder van eiser en referent dit onderling bepalen en dat referent zowel tijdens de samenwoning als daarna financieel verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de opvoeding en verzorging van eiser. Voorts heeft referent tot aan de uitslag van de DNA-test in de veronderstelling geleefd dat hij de biologische vader van eiser was. Referent en de moeder hebben eiser hier nog niet van op de hoogte gebracht en zijn, zo begrijpt de rechtbank referent, ook niet van plan dit te doen. Naar de rechtbank uit het gehoor van de moeder begrijpt, is eiser geboren uit het voor de moeder eenmalig en gedwongen ondergaan van seks met een ander, waar zij referent en eiser nooit over heeft verteld.
10.3.
Van de buitenkant bezien is er dus sprake van een gezin waarbij de ouders op enig moment zijn gescheiden en de moeder en de vader beiden op hun manier hun gezinsband met het kind hebben voortgezet. Ondanks de uitslag van de DNA-test beschouwt referent eiser nog steeds als zijn zoon. Dat eiser als gevolg van een gebroken gezinsband niet onder artikel 4, sub c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt, heeft de minister dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dit klemt overigens temeer nu de minister wel heeft aangenomen dat er sprake is van hechte persoonlijk banden tussen eiser en referent, en dus gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft de minister op de zitting ook erkend dat volgens WI 2020/16 er in deze situatie waar vader dagelijks contact heeft onderhouden met zijn zoon geen sprake is van een verbroken gezinsband.
Evenredigheid
11. De rechtbank merkt tot slot nog op dat ook al zou uit de Gezinsherenigingrichtlijn volgen dat er, zoals door de minister gesteld, sprake moet zijn van een biologische band én dat een andere juridische band dan adoptie niet volstaat, dan zou in een situatie als deze de uitkomst hiervan onevenredig te noemen zijn. De minister heeft immers te maken met een vader die tot aan het DNA-onderzoek in de veronderstelling heeft geleefd dat hij de biologische vader van het kind was, een kind dat nog steeds niet beter weet dan dat zijn vader niet zijn biologische vader is en, zo begrijpt de rechtbank het dossier, de moeder misschien altijd heeft gehoopt dat referent de biologische vader was. Deze situatie is zo op één lijn te stellen met de basisgedachte van een kerngezin zoals omschreven in de Gezinsherenigingsrichtlijn dat de gevolgen van het bestreden besluit om die reden Unierechtelijk niet evenredig te noemen zouden zijn.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor, gelet op de langde duur van de procedure, vier weken.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
NL23.15648
Nederlands Forensisch Instituut.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging van de Europese Commissie, COM (2014) 210, van 3 april 2014.
Richtlijn 2003/86/EG.
United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East.
Zie voetnoot 4.
Zie paragraaf 3.2. Bijgaande bewijsstukken.
Zie paragraaf 6.1.2. Ontbreken van officiële bewijsstukken.
United Nations High Commissioner for Refugees.
UNHCR Note on DNA Testing to Establish Family Relationships in the Refugee Context.
Zie onder nummer 13.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 9 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3231) en van 19 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2357).
Zie paragraaf C5/1.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie considerans 2 en 6 bij de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Zie considerans 9 bij de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM.
Zie pagina 8.