Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28227

2026-09-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.30032 en NL26.30033
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.30032 en NL26.30033
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Bulgarije. Afghaanse nationaliteit. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. AIDA-rapport van mei 2026. Toegang tot rechtsbijstand. Medische situatie. Beroep ongegrond.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.659 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.30032 (beroep) en NL26.30033 (voorlopige voorziening)


V-nummer: [V nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. C. Chen),


en




de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. F. Gieskes).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.1.
Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.



1.3.
De rechtbank en voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Alizadeh-Afshar als tolk in de taal Dari en de gemachtigde van de minister.




Overwegingen


2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Besluitvorming




3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 8 maart 2026 asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.




3.1.
De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Bulgarije, waarop nog niet is beslist. Volgens artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening is Bulgarije daarom verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. De minister heeft daarom op 7 april 2026 Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen. Op 8 april 2026 is Bulgarije hiermee akkoord gegaan.



Standpunten en beoordeling door de rechtbank





Interstatelijk vertrouwensbeginsel




4. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser onderbouwt dit door een beroep te doen op het recente AIDA-rapport over Bulgarije van mei 2026. Dit rapport geeft volgens eiser een verslechtering weer van de situatie voor asielzoekers in Bulgarije, waaronder de omstandigheid dat het praktisch onmogelijk is geworden voor asielzoekers om rechtsbijstand te krijgen in Bulgarije. Dit is een nieuwe conclusie en volgde volgens eiser niet uit eerdere AIDA-rapporten. Eiser stelt dat deze informatie niet is meegenomen in de meest recente rechtspraak van de Afdeling. De minister kan volgens eiser daarom niet meer verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025. De verwijzing van de minister naar de meest recente uitspraak van de Afdeling van 20 april 2026, waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije wordt bevestigd, gaat ook niet meer op, nu hierin ook niet de informatie van het AIDA-rapport van 2026 is meegenomen.




4.1.
Eiser stelt verder dat uit het AIDA-rapport van 2026 volgt dat sprake is van gebrekkige opvang in Bulgarije. Eiser verwijst naar informatie uit het rapport waaruit volgt dat in diverse lidstaten door rechters is beslist dat niet aan Bulgarije kan worden overgedragen vanwege de opvangfaciliteiten daar. Dit komt volgens eiser overeen met wat hij heeft verklaard over zijn ervaringen met de opvangfaciliteiten in Bulgarije.


5. De minister stelt zich op het standpunt dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2026. De minister stelt dat het AIDA-rapport van 2026 waar eiser naar verwijst weliswaar niet in de rechtspraak van de Afdeling is betrokken, maar dat dit rapport geen aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen wat betreft het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Hoewel uit het rapport inderdaad volgt dat sinds de eerdere AIDA-rapporten de beschikbaarheid van rechtsbijstand beperkter is geworden door het wegvallen van ngo Bulgarian Helsinki Committee, stelt de minister dat er ook nog andere ngo’s actief zijn die vreemdelingen rechtsbijstand kunnen verlenen. De minister onderbouwt dit door te verwijzen naar de website van het UNHCR, waaruit volgt dat het verkrijgen van rechtsbijstand nog steeds mogelijk is, ook al is het rechtsbijstandsproject van Bulgarian Helsinki Committee sinds 1 januari 2026 geëindigd. Volgens de minister volgt uit verdere informatie op de website van het UNHCR welke specifieke ngo’s nog altijd rechtsbijstand verlenen. Bovendien kan Bulgarian Helsinki Committee volgens de minister nog altijd worden gevraagd om rechtshulp in specifieke zaken, gezien de informatie op hun website en kan online rechtsbijstand worden verleend via een website die de organisatie heeft opgericht, waar ook wordt verwezen naar andere ngo’s die rechtsbijstand verlenen. Daarmee wordt volgens de minister het probleem van de te grote afstand, zoals in het AIDA-rapport van 2026 is vermeld, ondervangen. De minister verwijst ook naar de website van Bulgarian Red Cross, waarop melding wordt gemaakt van een aantal inloopspreekuren voor rechtsbijstand. De minister stelt in dit kader tot slot dat eiser zich, anders dan het AIDA-rapport van 2026 vermeldt, kan wenden tot National Legal Aid Bureau en de verschillende ‘regional counseling centers’ verdeeld over heel Bulgarije en verwijst daarbij naar hun website.




5.1.
Wat betreft de gestelde opvanggebreken stelt de minister zich op het standpunt dat de enkele verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport van 2026 en het feit dat in diverse lidstaten door rechters is beslist dat niet aan Bulgarije kan worden overgedragen, niet maakt dat sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. De minister verwijst in dit kader naar recente uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 26 juni 2026 en van zittingsplaats Groningen van 6 juli 2026. Ook verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, waaruit volgt dat niet is gebleken dat het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering van opvang niet effectief is. Wat betreft eisers ervaringen in de opvang in Bulgarije stelt de minister zich op het standpunt dat hij zal terugkeren als Dublinclaimant en dat niet is gebleken dat klagen bij de Bulgaarse autoriteiten niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.


6. De rechtbank overweegt dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo.




6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is recentelijk bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 20 april 2026. Dat de conclusies uit het AIDA-rapport van 2026, waaronder die over de beperkingen in de toegang tot rechtsbijstand, niet zijn betrokken in de rechtspraak van de Afdeling, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. De rechtbank volgt de minister namelijk in zijn standpunt dat, hoewel uit het AIDA-rapport van 2026 volgt dat de beschikbaarheid van rechtsbijstand in Bulgarije is afgenomen, nog steeds sprake is van ngo's die rechtsbijstand aan vreemdelingen verlenen. Zo blijkt uit de websites waarnaar de minister verwijst dat rechtsbijstand voor vreemdelingen nog altijd toegankelijk is. Het standpunt van eiser op de zitting dat het verkrijgen van rechtsbijstand in de praktijk onmogelijk zal zijn vanwege de beperkte bereikbaarheid en beschikbaarheid van de ngo's waarnaar de minister heeft verwezen, volgt de rechtbank niet. Dat de toegang tot rechtsbijstand in Bulgarije niet optimaal is, betekent niet dat deze voor eiser feitelijk of praktisch onmogelijk is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zich kan wenden tot verschillende ngo's die rechtsbijstand verlenen en daarnaast gebruik kan maken van online rechtsbijstand. Niet is gebleken dat eiser van deze mogelijkheid geen gebruik zou kunnen maken. Zodoende is de rechtbank van oordeel dat, wat betreft de toegang tot rechtsbijstand, geen sprake is van een wezenlijk ander beeld vergeleken met het beeld dat wordt geschetst in de eerdere AIDA-rapporten. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van dusdanige structurele tekortkomingen in het systeem waardoor de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt, zoals bedoeld in het arrest Jawo.



6.2.
Ook ten aanzien van de gestelde opvanggebreken is eiser er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt in dit kader eveneens het standpunt van de minister, namelijk dat de enkele verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport van 2026 en het feit dat in diverse lidstaten door rechters is beslist dat niet aan Bulgarije kan worden overgedragen, niet maakt dat sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Daarbij betrekt de rechtbank de verwezen uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 26 juni 2026 en van zittingsplaats Groningen van 6 juli 2026, waaruit volgt dat de passages uit het AIDA-rapport van 2026, over de opvangfaciliteiten voor Dublinclaimanten in Bulgarije, ook staan in de eerdere AIDA-rapporten. Uit deze uitspraken volgt verder dat, wat betreft die eerdere AIDA-rapporten, naar het oordeel van de Afdeling niet is gebleken dat de situatie dusdanig ernstig is dat Dublinclaimanten bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico lopen om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Wat betreft eisers gestelde ervaringen in de opvang wenst de rechtbank te benadrukken dat hij als Dublinclaimant aan Bulgarije zal worden overgedragen. Als eiser in Bulgarije wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Bulgaarse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.



6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.



Medische situatie



7. Eiser stelt vervolgens dat hij PTSS met stemmingsproblemen heeft. Dit volgt uit het overgelegde GZA-dossier. Uit het dossier volgt onder meer dat eiser hiervoor is doorverwezen naar de GGZ en eiser dus behoefte heeft aan specialistische hulp. Eiser betoogt dat de minister de nadere medische onderbouwing had moeten afwachten dan wel advies aan het BMA had moeten vragen, in het kader van het arrest C.K. Eiser betoogt ook dat de behandeling bij de GGZ moet worden afgewacht en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen en dat de verdere behandeling van het beroep wordt aangehouden. Eiser wijst verder op het AIDA-rapport over Bulgarije van 2025, waaruit volgt dat er in de praktijk geen specialistische hulpverlening beschikbaar is voor onder andere getraumatiseerde asielzoekers. Eiser stelt ook dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel, waardoor de minister Bulgarije om individuele garanties had moeten vragen.

8. De rechtbank overweegt dat uit het arrest C.K. volgt dat overdracht aan de aangezochte lidstaat niet mogelijk is als deze overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van de vreemdeling. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand onderbouwt, en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden aannemelijk maakt, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. De minister kan dan, zoals gesteld in Werkinstructie 2021/03, een BMA-onderzoek laten opstarten, waarin het BMA naar aanleiding van de medische gezondheidssituatie van de vreemdeling een advies opstelt en beziet of de vreemdeling kan reizen en zo ja, welke (eventuele) reisvoorwaarden daaraan verbonden zijn. Uit WI 2021/03 volgt dat in ieder geval geen BMA-onderzoek wordt opgestart als de vreemdeling niet onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Het overleggen van bewijs van een toekomstige afspraak bij een medisch specialist is daarbij ook onvoldoende.



8.1.
Uit het arrest Tarakhel volgt dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht de aangezochte lidstaat om aanvullende garanties moet vragen. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij bijzonder kwetsbaar is en dat hij zonder aanvullende garanties geen toereikende zorgvoorzieningen zal krijgen



8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eiser op de arresten C.K. en Tarakhel niet. Hoewel eiser het GZA-dossier heeft overgelegd, waaruit onder meer volgt dat hij psychische klachten heeft en dat PTSS met stemmingsproblemen wordt vermoed, volgt daaruit niet dat eiser is gediagnosticeerd of dat zijn psychische klachten maken dat overdracht aan Bulgarije tot een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zal leiden of dat hij moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Eiser is voor zijn psychische problematiek doorverwezen naar de GGZ. Niet is gebleken dat eiser op dit moment onder behandeling staat van een medisch specialist. De minister hoefde daarom, gelet op hetgeen volgt uit WI 2021/03, geen aanleiding te zien voor het laten verrichten van een BMA-onderzoek. De enkele omstandigheid dat eiser een toekomstige afspraak heeft bij de GGZ vanwege vermoedens van PTSS, is daarvoor onvoldoende. Het enkel hebben van PTSS is op zichzelf immers ook onvoldoende. Daaruit volgt namelijk niet de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van de eiser.



8.3.
Omdat niet is vastgesteld dat eiser op dit moment specialistische hulp nodig heeft vanwege zijn psychische klachten, slaagt zijn verwijzing naar het AIDA-rapport van 2025 niet. In het verlengde hiervan slaagt ook het standpunt van eiser niet dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen en de verdere behandeling van het beroep moet worden aangehouden in afwachting van de behandeling bij de GGZ. Daarbij betrekt de rechtbank dat, als uit de behandeling bij de GGZ blijkt dat eiser specialistische hulp nodig heeft, eiser deze gewijzigde omstandigheden aan de minister kan voorleggen, waarna de minister zijn situatie opnieuw kan beoordelen.



8.4.
De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop is er ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank, in zaaknummer NL26.30032:


- verklaart het beroep ongegrond.


De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.30033:


- wijst het verzoek af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Vreemdelingenwet 2000.


Verordening (EU) nr. 604/2013.


Asylum Information Database.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2025:1080.


ECLI:NL:RVS:2026:2133.


Niet-gouvernmentele organisatie.


Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (Engels: United Nations High Commissioner for Refugees).


https://help.unhcr.org/bulgaria/2026/01/13/legal-assistance/.


https://help.unhcr.org/bulgaria/assistance-and-services/legal-awareness/.


https://bghelsinki.org/en/legal-aid/.


https://asylum.bg/online_legal_aid#no-b ack.


https://refugeelight.bg/en/service-providers/bulgarian-red-cross.


https://www.humanrightsguide.bg/en/themes/organisations-that-can-help-you/state-institutions/national-legal-aid-bureau.


ECLI:NL:RBDHA:2026:17792.


ECLI:NL:RBDHA:2026:18584.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.


Zie rechtsoverweging 5 van deze uitspraak.


Zie rechtsoverweging 5.3-5.6 van deze uitspraak.


Zie ten aanzien van de AIDA-rapporten over Bulgarije van 2022 en 2023 de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, en zie ten aanzien van het AIDA-rapport over Bulgarije van 2025 de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5536.


Posttraumatische stressstoornis.


Gezondheidszorg Asielzoekers.


Geestelijke gezondheidszorg.


Bureau Medische Advisering.


Arrest van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.


Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712