Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28123
2026-08-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/707864 / KG ZA 26-716
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding. Medehuurderschap, uitsluitend gebruik van de woning en voorlopige birdnesting-regeling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.759 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707864 / KG ZA 26-716
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 25 augustus 2026
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats],
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer,
tegen:
[de vader] te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk, griffier.
Tevens zijn aanwezig beide partijen vergezeld van hun advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad en zijn in dat kader op [datum] 2024 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. De vader is in 2019 bij de moeder ingetrokken en staat sinds 1 mei 2019 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van de huurwoning aan de [adres] te [plaats] (verder: de woning), waarvan de moeder voordien al de huurster was.
1.2
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats]. Uit de aantekening in het gezagsregister van 21 februari 2020 volgt dat de ouders het gezamenlijk gezag uitoefenen over [minderjarige].
1.3
De moeder heeft twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie. De vader heeft ook een minderjarige zoon uit een eerdere relatie.
1.4
De moeder vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat het uitsluitend gebruik van de woning, met inbegrip van de inboedel, aan haar en haar kinderen wordt toegekend en dat wordt bepaald dat de vader de woning moet verlaten en niet meer mag betreden en dat hij zich uitschrijft uit de BRP. Daarbij vordert zij tevens de vader te veroordelen in de proceskosten. De vader voert verweer tegen het gevorderde.
1.5
De vader vordert in reconventie, zakelijk weergegeven, de moeder op straffe van een dwangsom te verplichten haar medewerking te verlenen aan de verkrijging van het medehuurderschap van de woning door de vader, dan wel dat het vonnis van de voorzieningenrechter bij gebreke daarvan in de plaats treedt van de medewerking van de moeder. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, vordert de vader daarnaast voorlopig een birdnesting-regeling te bepalen waarbij ieder van de ouders het uitsluitend gebruik van de woning toekomt op de momenten dat zij conform de voorlopige zorgregeling de zorg voor [minderjarige] dragen. Tot slot vordert de vader de veroordeling van de moeder in de proceskosten. De moeder voert verweer tegen het in reconventie gevorderde.
Medehuurderschap
1.6
Op grond van artikel 7:267 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, medehuurder van die woonruimte worden door met de huurder een gezamenlijk verzoek daartoe te doen bij de verhuurder. De vader kan het medehuurderschap dan ook alleen verkrijgen met medewerking van de moeder. Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij haar medewerking hieraan niet zal verlenen. Zij stelt dat zij daartoe ook niet meer gehouden is op grond van artikel 5.2 van het samenlevingscontract, omdat de relatie tussen de ouders in ieder geval sinds februari 2026 is beëindigd. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter een beslissing nemen over de verzoeken ten aanzien van het meewerken aan het verkrijgen van medehuurderschap.
1.7
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader voldoet aan de eisen die artikel 7:267 lid 1 BW stelt voor een aanvraag voor medehuurderschap. Niet ter discussie staat dat de vader sinds 2019 zijn hoofdverblijf heeft in de woning van partijen, dat hij ook op het adres daarvan staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen en dat de ouders duurzaam een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Dat de vader vanwege zijn werk bij Defensie normaliter van maandagochtend tot donderdagmiddag op de kazerne moet verblijven, doet hieraan niet af. De ouders verblijven overigens ook nu nog gezamenlijk in de woning op de momenten dat de vader niet op de kazerne verblijft. Het enkele feit dat de affectieve relatie inmiddels is beëindigd is evenmin een geldige reden voor de moeder om haar medewerking aan een aanvraag te weigeren.
1.8
De vader heeft ook voldoende belang bij zijn vordering, omdat hij door de verkrijging van het medehuurderschap een meer gelijkwaardige positie krijgt ten opzichte van de moeder als het gaat om de vraag wie uiteindelijk het definitieve huurrecht van de woning dient te krijgen, hetgeen (tenzij partijen daar op korte termijn overeenstemming over bereiken) in een zo spoedig mogelijk te starten bodemprocedure dient te worden bepaald.
1.9
Dat betekent dat de moeder dient mee te werken aan een gezamenlijk verzoek van de ouders aan de verhuurder tot medehuurderschap van de vader. De voorzieningenrechter zal daarom de moeder veroordelen op eerste verzoek haar medewerking te verlenen aan het indienen van een gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap van de vader, bij gebreke waarvan dit proces-verbaal van mondelinge uitspraak in de plaats treedt van de medewerking van de moeder. In dat laatste geval kan de vader het verzoek tot verkrijging van het medehuurderschap dus zelf bij de verhuurder indienen, onder overlegging van dit proces-verbaal.
1.10
Omdat dit proces-verbaal van mondelinge uitspraak zo nodig in de plaats zal treden van de medewerking van de moeder aan een aanvraag, heeft de vader geen belang bij zijn vordering om een dwangsom te verbinden aan de medewerking van de moeder. Daarom wordt de vordering van de vader ten aanzien van de dwangsom afgewezen.
Uitsluitend gebruik van de woning
1.11
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vader ten aanzien van het om en om uitsluitend gebruik van de woning, in lijn met een birdnesting-regeling toewijzen en wijst daarmee het verzoek tot geheel uitsluitend gebruik van de moeder af. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
1.12
De voorzieningenrechter stelt voorop dat beide ouders op dit moment in beginsel gerechtigd zijn tot het gebruik van de woning, omdat zij daar allebei wonen. Ook [minderjarige] verblijft in de woning, alsmede de andere kinderen van de moeder op de momenten dat zij volgens de voor hen geldende zorgregeling met de ex-partner bij de moeder zijn. De voorzieningenrechter acht het van belang dat [minderjarige] in deze roerige periode in zijn leven contact kan blijven hebben met zijn vader in een voor hem vertrouwde omgeving. Gesteld noch gebleken is dat de moeder bezwaren heeft tegen een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader zoals door hem is voorgesteld. Met de door de vader voorgestelde birdnesting-regeling, waarbij het uitsluitend gebruik van de woning gekoppeld is aan de momenten waarop ieder van de ouders de zorg voor [minderjarige] draagt, worden de lusten van het gebruik van de voormalige gezamenlijke woning en de lasten van het regelen van een andere verblijfplek op redelijke wijze tussen de ouders verdeeld. Ook kan [minderjarige] op deze manier voorlopig in zijn vertrouwde woonomgeving blijven en wordt er geen voorschot genomen op de beslissing ten aanzien van de toedeling van het huurrecht. De voorzieningenrechter heeft overigens wel begrip voor het feit dat de moeder nu in beginsel ook de twee kinderen van haar ex-partner voor een deel van de tijd elders zal moeten onderbrengen, maar weegt daarbij mee dat die kinderen al standaard tijd bij de ex-partner doorbrengen. Het is aan de moeder om zo nodig met haar ex-partner te bespreken of er (tijdelijk) aanpassingen in die zorgverdeling kunnen of moeten worden aangebracht, die de gevolgen van het birdnesten voor deze twee kinderen kunnen verzachten. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat de vader ter zitting te kennen heeft gegeven dat ook deze kinderen voorlopig, indien zij dat wensen, in de woning mogen verblijven op de momenten dat hij met [minderjarige] in de woning verblijft.
1.13
De voorlopige birdnesting-regeling en het daaraan gekoppelde afwisselende uitsluitend gebruik van de woning zal ingaan per 10 september 2026. De vader zal dan van donderdag 10 september 2026 tot en met zondagavond 13 september 2026 in de woning verblijven en de zorg dragen voor [minderjarige]. De daaropvolgende week zal de vader van donderdagmiddag 17 september 2026 tot vrijdagavond 18.00 uur op 18 september 2026 in de woning verblijven en de zorg dragen voor [minderjarige]. Op de overige momenten draagt de moeder de zorg voor [minderjarige] en verblijft zij in de woning. Dit tweeweekse schema zal vervolgens steeds worden herhaald.
1.14
In aanvulling op de door de vader voorgestelde regeling zal de voorzieningenrechter bepalen dat de moeder ook gerechtigd is de woning te gebruiken wanneer de vader in verband met zijn werk op (reis)missie is en/of anderszins niet in de woning verblijft op de momenten waarop hij normaliter de zorg voor [minderjarige] zal dragen. De vader heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. Daarbij wordt aangetekend dat het aan de vader is tijdig aan de moeder door te geven wanneer hij geen gebruik zal maken van de woning.
Proceskosten
1.15
In de familierechtelijke aard van de procedure wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
2De beslissing
De voorzieningenrechter:
2.1
veroordeelt de moeder om op eerste verzoek van de vader haar medewerking te verlenen aan het gezamenlijk aanvragen van medehuurderschap in de zin van artikel 7:267 BW voor de vader met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats], en bepaalt daarbij dat bij gebreke van die medewerking dit proces-verbaal in de plaats treedt van de door de moeder te verrichten (rechts)handelingen met betrekking tot de aanvraag van medehuurderschap;
2.2
bepaalt dat ieder van de ouders bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] op het moment dat die ouder volgens de hierna te bepalen voorlopige zorgregeling de zorg heeft voor [minderjarige], waarbij geldt dat de moeder ook op de zorgmomenten van de vader in de woning mag verblijven wanneer de vader vanwege zijn werkzaamheden niet in de woning aanwezig is;
2.3
stelt de volgende voorlopige zorgregeling vast, waarbij [minderjarige] steeds:
de ene week van donderdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij de vader is;
de andere week van donderdagmiddag uit school tot vrijdag 18.00 uur bij de vader is;
voor het overige bij de moeder is;
2.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.5
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
De griffier is buiten staat te tekenen mr. S.J. Hoekstra-van Vliet
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707864 / KG ZA 26-716
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 25 augustus 2026
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats],
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer,
tegen:
[de vader] te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk, griffier.
Tevens zijn aanwezig beide partijen vergezeld van hun advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad en zijn in dat kader op [datum] 2024 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. De vader is in 2019 bij de moeder ingetrokken en staat sinds 1 mei 2019 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van de huurwoning aan de [adres] te [plaats] (verder: de woning), waarvan de moeder voordien al de huurster was.
1.2
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats]. Uit de aantekening in het gezagsregister van 21 februari 2020 volgt dat de ouders het gezamenlijk gezag uitoefenen over [minderjarige].
1.3
De moeder heeft twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie. De vader heeft ook een minderjarige zoon uit een eerdere relatie.
1.4
De moeder vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat het uitsluitend gebruik van de woning, met inbegrip van de inboedel, aan haar en haar kinderen wordt toegekend en dat wordt bepaald dat de vader de woning moet verlaten en niet meer mag betreden en dat hij zich uitschrijft uit de BRP. Daarbij vordert zij tevens de vader te veroordelen in de proceskosten. De vader voert verweer tegen het gevorderde.
1.5
De vader vordert in reconventie, zakelijk weergegeven, de moeder op straffe van een dwangsom te verplichten haar medewerking te verlenen aan de verkrijging van het medehuurderschap van de woning door de vader, dan wel dat het vonnis van de voorzieningenrechter bij gebreke daarvan in de plaats treedt van de medewerking van de moeder. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, vordert de vader daarnaast voorlopig een birdnesting-regeling te bepalen waarbij ieder van de ouders het uitsluitend gebruik van de woning toekomt op de momenten dat zij conform de voorlopige zorgregeling de zorg voor [minderjarige] dragen. Tot slot vordert de vader de veroordeling van de moeder in de proceskosten. De moeder voert verweer tegen het in reconventie gevorderde.
Medehuurderschap
1.6
Op grond van artikel 7:267 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, medehuurder van die woonruimte worden door met de huurder een gezamenlijk verzoek daartoe te doen bij de verhuurder. De vader kan het medehuurderschap dan ook alleen verkrijgen met medewerking van de moeder. Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij haar medewerking hieraan niet zal verlenen. Zij stelt dat zij daartoe ook niet meer gehouden is op grond van artikel 5.2 van het samenlevingscontract, omdat de relatie tussen de ouders in ieder geval sinds februari 2026 is beëindigd. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter een beslissing nemen over de verzoeken ten aanzien van het meewerken aan het verkrijgen van medehuurderschap.
1.7
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader voldoet aan de eisen die artikel 7:267 lid 1 BW stelt voor een aanvraag voor medehuurderschap. Niet ter discussie staat dat de vader sinds 2019 zijn hoofdverblijf heeft in de woning van partijen, dat hij ook op het adres daarvan staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen en dat de ouders duurzaam een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Dat de vader vanwege zijn werk bij Defensie normaliter van maandagochtend tot donderdagmiddag op de kazerne moet verblijven, doet hieraan niet af. De ouders verblijven overigens ook nu nog gezamenlijk in de woning op de momenten dat de vader niet op de kazerne verblijft. Het enkele feit dat de affectieve relatie inmiddels is beëindigd is evenmin een geldige reden voor de moeder om haar medewerking aan een aanvraag te weigeren.
1.8
De vader heeft ook voldoende belang bij zijn vordering, omdat hij door de verkrijging van het medehuurderschap een meer gelijkwaardige positie krijgt ten opzichte van de moeder als het gaat om de vraag wie uiteindelijk het definitieve huurrecht van de woning dient te krijgen, hetgeen (tenzij partijen daar op korte termijn overeenstemming over bereiken) in een zo spoedig mogelijk te starten bodemprocedure dient te worden bepaald.
1.9
Dat betekent dat de moeder dient mee te werken aan een gezamenlijk verzoek van de ouders aan de verhuurder tot medehuurderschap van de vader. De voorzieningenrechter zal daarom de moeder veroordelen op eerste verzoek haar medewerking te verlenen aan het indienen van een gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap van de vader, bij gebreke waarvan dit proces-verbaal van mondelinge uitspraak in de plaats treedt van de medewerking van de moeder. In dat laatste geval kan de vader het verzoek tot verkrijging van het medehuurderschap dus zelf bij de verhuurder indienen, onder overlegging van dit proces-verbaal.
1.10
Omdat dit proces-verbaal van mondelinge uitspraak zo nodig in de plaats zal treden van de medewerking van de moeder aan een aanvraag, heeft de vader geen belang bij zijn vordering om een dwangsom te verbinden aan de medewerking van de moeder. Daarom wordt de vordering van de vader ten aanzien van de dwangsom afgewezen.
Uitsluitend gebruik van de woning
1.11
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vader ten aanzien van het om en om uitsluitend gebruik van de woning, in lijn met een birdnesting-regeling toewijzen en wijst daarmee het verzoek tot geheel uitsluitend gebruik van de moeder af. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
1.12
De voorzieningenrechter stelt voorop dat beide ouders op dit moment in beginsel gerechtigd zijn tot het gebruik van de woning, omdat zij daar allebei wonen. Ook [minderjarige] verblijft in de woning, alsmede de andere kinderen van de moeder op de momenten dat zij volgens de voor hen geldende zorgregeling met de ex-partner bij de moeder zijn. De voorzieningenrechter acht het van belang dat [minderjarige] in deze roerige periode in zijn leven contact kan blijven hebben met zijn vader in een voor hem vertrouwde omgeving. Gesteld noch gebleken is dat de moeder bezwaren heeft tegen een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader zoals door hem is voorgesteld. Met de door de vader voorgestelde birdnesting-regeling, waarbij het uitsluitend gebruik van de woning gekoppeld is aan de momenten waarop ieder van de ouders de zorg voor [minderjarige] draagt, worden de lusten van het gebruik van de voormalige gezamenlijke woning en de lasten van het regelen van een andere verblijfplek op redelijke wijze tussen de ouders verdeeld. Ook kan [minderjarige] op deze manier voorlopig in zijn vertrouwde woonomgeving blijven en wordt er geen voorschot genomen op de beslissing ten aanzien van de toedeling van het huurrecht. De voorzieningenrechter heeft overigens wel begrip voor het feit dat de moeder nu in beginsel ook de twee kinderen van haar ex-partner voor een deel van de tijd elders zal moeten onderbrengen, maar weegt daarbij mee dat die kinderen al standaard tijd bij de ex-partner doorbrengen. Het is aan de moeder om zo nodig met haar ex-partner te bespreken of er (tijdelijk) aanpassingen in die zorgverdeling kunnen of moeten worden aangebracht, die de gevolgen van het birdnesten voor deze twee kinderen kunnen verzachten. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat de vader ter zitting te kennen heeft gegeven dat ook deze kinderen voorlopig, indien zij dat wensen, in de woning mogen verblijven op de momenten dat hij met [minderjarige] in de woning verblijft.
1.13
De voorlopige birdnesting-regeling en het daaraan gekoppelde afwisselende uitsluitend gebruik van de woning zal ingaan per 10 september 2026. De vader zal dan van donderdag 10 september 2026 tot en met zondagavond 13 september 2026 in de woning verblijven en de zorg dragen voor [minderjarige]. De daaropvolgende week zal de vader van donderdagmiddag 17 september 2026 tot vrijdagavond 18.00 uur op 18 september 2026 in de woning verblijven en de zorg dragen voor [minderjarige]. Op de overige momenten draagt de moeder de zorg voor [minderjarige] en verblijft zij in de woning. Dit tweeweekse schema zal vervolgens steeds worden herhaald.
1.14
In aanvulling op de door de vader voorgestelde regeling zal de voorzieningenrechter bepalen dat de moeder ook gerechtigd is de woning te gebruiken wanneer de vader in verband met zijn werk op (reis)missie is en/of anderszins niet in de woning verblijft op de momenten waarop hij normaliter de zorg voor [minderjarige] zal dragen. De vader heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. Daarbij wordt aangetekend dat het aan de vader is tijdig aan de moeder door te geven wanneer hij geen gebruik zal maken van de woning.
Proceskosten
1.15
In de familierechtelijke aard van de procedure wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
2De beslissing
De voorzieningenrechter:
2.1
veroordeelt de moeder om op eerste verzoek van de vader haar medewerking te verlenen aan het gezamenlijk aanvragen van medehuurderschap in de zin van artikel 7:267 BW voor de vader met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats], en bepaalt daarbij dat bij gebreke van die medewerking dit proces-verbaal in de plaats treedt van de door de moeder te verrichten (rechts)handelingen met betrekking tot de aanvraag van medehuurderschap;
2.2
bepaalt dat ieder van de ouders bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] op het moment dat die ouder volgens de hierna te bepalen voorlopige zorgregeling de zorg heeft voor [minderjarige], waarbij geldt dat de moeder ook op de zorgmomenten van de vader in de woning mag verblijven wanneer de vader vanwege zijn werkzaamheden niet in de woning aanwezig is;
2.3
stelt de volgende voorlopige zorgregeling vast, waarbij [minderjarige] steeds:
de ene week van donderdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij de vader is;
de andere week van donderdagmiddag uit school tot vrijdag 18.00 uur bij de vader is;
voor het overige bij de moeder is;
2.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.5
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
De griffier is buiten staat te tekenen mr. S.J. Hoekstra-van Vliet