Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28107
2026-08-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/688577 / FA RK 25-5380
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanhouding gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling in afwachting van mediation. Voorlopige omgangsregeling en kinderalimentatie beslist.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.211 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5380
Zaaknummer: C/09/688577
Datum beschikking: 25 augustus 2026 (bij vervroeging)
Gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 15 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de vrouw/de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sazoglu te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de man/de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 15 juli 2025;
het bericht van 11 augustus 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 8 september 2025;
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van vrouw, ingekomen op 3 oktober 2025;
het bericht van 6 oktober 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
de aanvulling op het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 15 juni 2026;
het bericht van 18 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het bericht van 22 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
het bericht van 23 juni 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
het bericht van 10 augustus 2026, met bijlage en videobeelden, van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft een brief met daarin haar mening aan de rechter gestuurd en de minderjarige [minderjarige 2] heeft tijdens een kindgesprek met de rechter haar mening kenbaar gemaakt.
Op 13 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- J. van der Sande, namens de Raad voor de Kinderbescherming (Raad).
De vrouw heeft na de zitting, op 17 augustus 2026, nog een bericht ingediend met bijlagen. Op grond van artikel 279, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is artikel 87, zesde lid, Rv van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures. Op grond van artikel 87, zesde lid, Rv worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daar niet tegen verzet. De rechtbank zal, zoals op 18 augustus 2026 aan partijen medegedeeld, de door de vrouw ingediende stukken buiten beschouwing laten, nu de goede procesorde zich hier tegen verzet.
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie gehad tot begin 2023.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats].
- De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt met ingang van de datum van het aanschrijven van de man, dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum, een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 1.741, - per kind per maand vast te stellen, een en ander kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:
- hem mede te belasten met het gezag over de kinderen;
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de man verblijven één dag per week van vrijdag na school (of als vrijdag geen schooldag is: vrijdag 9.00 uur) tot zaterdagmiddag uiterlijk 12.00 uur en de eerste tien dagen van de zomervakantie;
- te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per dag verschuldigd is voor iedere dag dat zij weigert de vast te stellen zorgregeling na te komen.
Beoordeling
Gezag en omgang
Door de man is verzocht om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ook heeft hij verzocht om een omgangs-/zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. De vrouw heeft verweer gevoerd.
Op de zitting is de huidige situatie uitgebreid besproken met ouders. Op dit moment kunnen zij niet elkaar communiceren. De vader praat zeer negatief over de moeder tegen de kinderen en weigert met de moeder te mailen of in gesprek te gaan. De moeder heeft op haar beurt besloten dat de kinderen, zolang de vader niet met haar in contact komt, de vader niet kunnen zien. In een opname van een telefoongesprek waar de vader, de moeder en de beide kinderen aan deelnamen is te horen dat de kinderen de vader wanhopig smeken om de moeder te mailen zodat zij hun vader weer kunnen zien. De vader wijst dit vervolgens af. Dit is, zoals gezegd, voor de moeder aanleiding geweest om het contact tussen de vader en de kinderen volledig stop te zeten. Dit alles heeft ertoe geleid dat de kinderen de vader sinds december 2025 niet meer gezien hebben. De kinderen lijden – vanzelfsprekend – enorm onder de situatie en moeten hun vader missen. Daarbij komt dat [minderjarige 1] meer dan gemiddeld behoefte heeft aan duidelijkheid en vaste regelmaat, ook in het contact met de vader. [minderjarige 2] ervaart zo veel spanningen dat het haar tijdens het kindgesprek met de rechter niet lukte om te praten, zij werd misselijk en wilde meteen weer weg.
Dit alles is tijdens de zitting benoemd. De beide ouders hebben op de zitting hun eigen verhaal verteld over hoe het zo ver gekomen is. Zij lijken het erover eens te zijn dat zij in de eerste fase na hun uiteengaan nog goed met elkaar overweg konden en alles rustig verliep. Vanaf enig moment is dat veranderd, het lijkt erop dat dat te maken heeft met nieuwe partner(s) die in hun leven kwam(en). De moeder lijkt meer dan de vader behoefte te hebben aan contact en overleg. De vader ervaart dit als te veel/dwang vanuit de moeder en trekt zich dan volledig terug uit het contact.
Op de zitting hebben de ouders, nadat dit alles besproken was, aangegeven dat zij hard willen gaan werken om hun onderlinge relatie als ouders te verbeteren. Er is met hen gesproken over de inzet van mediation. De ouders willen zich inzetten om door middel van mediation tot afspraken te komen. De rechtbank zal de ouders daarom naar de bij hen bekende mediator verwijzen. Partijen kunnen in de mediation in gesprek gaan over alles wat hen verdeeld houdt, hoe dat komt, wat (eventueel) de rol van hun nieuwe partners daarbij is, wat er nodig is om voortaan als ouders weer samen te kunnen werken, en welke (werk)afspraken zij daarover kunnen maken. Van daaruit kunnen zij dan eventueel afspraken maken over een definitieve omgangs-/zorgregeling en over de vraag of zij voortaan samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan uitoefenen. Als de ouders in de mediation tot (deel)afspraken kunnen komen dat geven zij hiermee ook aan de kinderen een krachtig signaal aan de kinderen dat zij voortaan als ouders weer samen optrekken, en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar dus niet meer tussen hoeven te zitten. Dat zal voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongetwijfeld veel stress, spanning en verdriet wegnemen.
De rechtbank zal de verzoeken van de man omtrent het gezag en de omgangs-/zorgregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de mediation. Met de ouders is afgesproken dat de zaak in principe op 26 november 2026 om 13:15 uur weer op de zitting van deze rechtbank behandeld zal worden. De rechtbank verzoekt de advocaten om de rechtbank minimaal twee weken vóór die datum, dus uiterlijk op 12 november 2026, in kennis te stellen of het mediationtraject al dan niet heeft geleid tot een positief resultaat. Indien de mediation tot een positief resultaat heeft geleid dan zal de zitting op 26 november 2026 niet door hoeven gaan.
Voorlopige omgangsregeling
Aangezien de rechtbank de beslissing over het gezag zal aanhouden, zal in het navolgende steeds worden gesproken over een omgangsregeling. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat de omgang zo snel mogelijk weer opgestart wordt. Partijen zijn er op de zitting in geslaagd om afspraken te maken over het opstarten van de omgangsregeling.
Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de kinderen bij de man zijn:
zondag 16 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur, zonder de aanwezigheid van de partner van de man;
zondag 30 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur. Vanaf dat moment kan de partner van de man eventueel aanwezig zijn bij de omgangsmomenten tussen de man en de kinderen;
zondag 6 september 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
vrijdag 11 september 2026 van 17:00 uur tot 21:00 uur;
waarbij de man de kinderen steeds haalt en brengt tot aan de voordeur bij de vrouw.
De vader zal de kinderen telkens stipt op tijd op te halen en weer terugbrengen bij de moeder, tot bij/voor de woning van de moeder (en niet, zoals voorheen, bij het tankstation [tankstation]). De moeder mag de omgang niet afhankelijk stellen van overleg tussen de ouders of andere voorwaarden stellen. Tot slot dienen de ouders zich te onthouden van negatieve uitlatingen over de andere ouder.
De rechtbank zal voor de periode na 11 september 2026 een nadere voorlopige omgangsregeling vastleggen, in afwachting van de uitkomsten van de mediation.
De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen de omgangsregeling na 11 september 2026 als volgt wordt uitgebreid. Vanaf 18 september 2026 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man iedere week van vrijdag na school (of als vrijdag geen schooldag is: vrijdag 17.00 uur) tot zaterdagmiddag uiterlijk 12.00 uur.
Het staat de ouders uiteraard vrij om tijdens de mediation tot een andere (voorlopige) regeling te komen. De rechtbank legt in afwachting van het verloop van de mediation nog geen vakantieregeling vast. Iedere verdere beslissing over de definitieve omgangs-/zorgregeling inclusief vakantieregeling en de door de man verzochte dwangsom, zal worden aangehouden tot de na te melden datum.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een kinderalimentatie van € 1.741, - per kind per maand vast te stellen. De man voert verweer.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 1 januari 2026, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat hij tot december 2025 kosten voor de kinderen heeft gedragen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. In geschil tussen partijen is van welk jaar uitgegaan moet worden bij het bepalen van de behoefte. Op de zitting hebben de beide partijen (uiteindelijk) aangegeven dat zij eind 2023 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over de vraag van welk NBI van de man moet worden uitgegaan. Zoals hiervoor aangegeven zijn partijen het er wel over eens dat zij eind 2023 uit elkaar zijn gegaan. Het inkomen van de man bestond (en bestaat) uit winst uit zijn onderneming. De vrouw heeft gesteld dat er daarnaast nog sprake zou zijn (geweest) van zwarte inkomsten. Zij verwijst daarvoor naar de waarde van zijn woning en de auto. De vrouw heeft hiermee haar stellingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt of onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat. Aangezien de winst uit een onderneming naar zijn aard fluctueert zal de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van de kinderen uitgaan van een gemiddelde van de winst zoals die blijkt uit de jaarstukken over 2022 en 2023, In 2022 bedroeg de winst uit onderneming € 94.731, -. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming € 118.479, -. De gemiddelde winst uit onderneming over deze jaren bedraagt (€ 94.731, - + € 118.479, - / 2 =) € 106.605, -.
Partijen zijn het ook niet eens over de vraag van welk NBI van de vrouw moet worden uitgegaan. Niet in geschil is dat de vrouw op het moment dat partijen de relatie hebben beëindigd een startende ondernemer was. Gesteld noch gebleken is dat, en zo ja, tot welk bedrag, zij op dat moment al inkomen genereerde. De rechtbank gaat daarom uit van een NBI van € 0,- per maand aan de zijde van de vrouw.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 5.454, - per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg dus € 5.454, - per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 16,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.317, - per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.558, - per maand.
Draagkracht man
De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het inkomen van de man over 2023, omdat definitieve stukken over 2025 ontbreken. De rechtbank ziet in het ontbreken van de stukken over 2025 geen reden om alleen van de winst uit onderneming over 2023 – het hoogste inkomen – uit te gaan. Wel ziet zij hierin aanleiding om te rekenen met het gemiddelde van de jaren waarover volledige jaarstukken zijn overgelegd. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dus uit van een gemiddelde winst uit onderneming in de periode 2023-2024 zoals deze blijkt uit de jaarstukken over 2023 en 2024. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming van de man € 118.479, - en in 2024 € 106.466, -. De gemiddelde winst uit onderneming over 2023 en 2024 bedraagt (€ 118.479, - + € 106.466, - /2 =) € 112.473, -.
De vrouw heeft – ook in dit verband – gesteld dat de man daarnaast nog zwarte inkomsten heeft. Hiervoor heeft de rechtbank reeds overwogen dat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 5.810, - per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200, - , zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365, -)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.891, - per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 64.061, - per jaar. De rechtbank gaat bij de vrouw uit van het gemiddelde van de jaarstukken over 2023, 2024 en 2025, aangezien de winst uit onderneming naar zijn aard fluctueert. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming van de vrouw € 65.937, -, in 2024 € 55.958, - en in 2025 € 70.287, -. De gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025 bedraagt (€ 65.937, - + € 55.958, - + € 70.287, - / 3 =) € 64.061, -.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 4.584, - per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200, -, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.291, - per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 3.182, - per maand (€ 1.891, - + € 1.291, -). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.891 / 3.182 x 1.558 = € 926,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.291 / 3.182 x 1.558 = € 632,-
samen € 1.558, -
Van de totale behoefte van € 1.558, - komt een gedeelte van € 926,- per maand, wat neerkomt op € 463,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 632,- per maand, wat neerkomt op € 316,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. De rechtbank zal gezien de door de man verzochte regeling uitgaan van een percentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 234,- per maand (15% van € 1.558, -).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. Het eigen aandeel van de man bedraagt dan € 692,- per maand (926 – 234), wat neerkomt op € 346,- per kind per maand.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man met ingang van de datum van 1 januari 2026 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal vaststellen op € 346,- per kind per maand.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats].
voorlopig omgang zullen hebben met de man:
zondag 16 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur, zonder de aanwezigheid van de partner van de man;
zondag 30 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur. Vanaf dat moment kan de partner van de man eventueel aanwezig zijn bij de omgangsmomenten tussen de man en de kinderen;
zondag 6 september 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
vrijdag 11 september 2026 van 17:00 uur tot 21:00 uur;
vanaf 18 september 2026 iedere week van vrijdag na school (of als vrijdag geen schooldag is: vrijdag 9.00 uur) tot zaterdagmiddag uiterlijk 12.00 uur
waarbij de man de kinderen steeds haalt en brengt tot bij/voor de woning van de vrouw;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026, een kinderalimentatie aan voldoet ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 692,- per maand, wat neerkomt op € 346,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze voorlopige omgangsregeling en kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;
*
verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten hun geschil ten aanzien tot het gezag en de zorg-/omgangsregeling door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
bepaalt dat de verzoeken inzake de gezagsvoorziening en de zorg-/omgangsregeling zullen worden behandeld op de zitting van donderdag 26 november 2026 om 13:15 uur;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 26 november 2026, in afwachting van de resultaten van de mediation;
uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde datum dienen partijen zich schriftelijk uit te laten over het resultaat van de mediation en de voortgang van deze procedure;
indien voor genoemde pro formadatum geen bericht is ontvangen zonder dat uitstel is gevraagd, zal de zaak op zitting in ieder geval doorgang vinden;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorg-/omgangsregeling en de dwangsom aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5380
Zaaknummer: C/09/688577
Datum beschikking: 25 augustus 2026 (bij vervroeging)
Gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 15 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de vrouw/de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sazoglu te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de man/de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 15 juli 2025;
het bericht van 11 augustus 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 8 september 2025;
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van vrouw, ingekomen op 3 oktober 2025;
het bericht van 6 oktober 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
de aanvulling op het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 15 juni 2026;
het bericht van 18 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het bericht van 22 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
het bericht van 23 juni 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
het bericht van 10 augustus 2026, met bijlage en videobeelden, van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft een brief met daarin haar mening aan de rechter gestuurd en de minderjarige [minderjarige 2] heeft tijdens een kindgesprek met de rechter haar mening kenbaar gemaakt.
Op 13 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- J. van der Sande, namens de Raad voor de Kinderbescherming (Raad).
De vrouw heeft na de zitting, op 17 augustus 2026, nog een bericht ingediend met bijlagen. Op grond van artikel 279, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is artikel 87, zesde lid, Rv van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures. Op grond van artikel 87, zesde lid, Rv worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daar niet tegen verzet. De rechtbank zal, zoals op 18 augustus 2026 aan partijen medegedeeld, de door de vrouw ingediende stukken buiten beschouwing laten, nu de goede procesorde zich hier tegen verzet.
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie gehad tot begin 2023.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats].
- De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt met ingang van de datum van het aanschrijven van de man, dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum, een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 1.741, - per kind per maand vast te stellen, een en ander kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:
- hem mede te belasten met het gezag over de kinderen;
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de man verblijven één dag per week van vrijdag na school (of als vrijdag geen schooldag is: vrijdag 9.00 uur) tot zaterdagmiddag uiterlijk 12.00 uur en de eerste tien dagen van de zomervakantie;
- te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per dag verschuldigd is voor iedere dag dat zij weigert de vast te stellen zorgregeling na te komen.
Beoordeling
Gezag en omgang
Door de man is verzocht om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ook heeft hij verzocht om een omgangs-/zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. De vrouw heeft verweer gevoerd.
Op de zitting is de huidige situatie uitgebreid besproken met ouders. Op dit moment kunnen zij niet elkaar communiceren. De vader praat zeer negatief over de moeder tegen de kinderen en weigert met de moeder te mailen of in gesprek te gaan. De moeder heeft op haar beurt besloten dat de kinderen, zolang de vader niet met haar in contact komt, de vader niet kunnen zien. In een opname van een telefoongesprek waar de vader, de moeder en de beide kinderen aan deelnamen is te horen dat de kinderen de vader wanhopig smeken om de moeder te mailen zodat zij hun vader weer kunnen zien. De vader wijst dit vervolgens af. Dit is, zoals gezegd, voor de moeder aanleiding geweest om het contact tussen de vader en de kinderen volledig stop te zeten. Dit alles heeft ertoe geleid dat de kinderen de vader sinds december 2025 niet meer gezien hebben. De kinderen lijden – vanzelfsprekend – enorm onder de situatie en moeten hun vader missen. Daarbij komt dat [minderjarige 1] meer dan gemiddeld behoefte heeft aan duidelijkheid en vaste regelmaat, ook in het contact met de vader. [minderjarige 2] ervaart zo veel spanningen dat het haar tijdens het kindgesprek met de rechter niet lukte om te praten, zij werd misselijk en wilde meteen weer weg.
Dit alles is tijdens de zitting benoemd. De beide ouders hebben op de zitting hun eigen verhaal verteld over hoe het zo ver gekomen is. Zij lijken het erover eens te zijn dat zij in de eerste fase na hun uiteengaan nog goed met elkaar overweg konden en alles rustig verliep. Vanaf enig moment is dat veranderd, het lijkt erop dat dat te maken heeft met nieuwe partner(s) die in hun leven kwam(en). De moeder lijkt meer dan de vader behoefte te hebben aan contact en overleg. De vader ervaart dit als te veel/dwang vanuit de moeder en trekt zich dan volledig terug uit het contact.
Op de zitting hebben de ouders, nadat dit alles besproken was, aangegeven dat zij hard willen gaan werken om hun onderlinge relatie als ouders te verbeteren. Er is met hen gesproken over de inzet van mediation. De ouders willen zich inzetten om door middel van mediation tot afspraken te komen. De rechtbank zal de ouders daarom naar de bij hen bekende mediator verwijzen. Partijen kunnen in de mediation in gesprek gaan over alles wat hen verdeeld houdt, hoe dat komt, wat (eventueel) de rol van hun nieuwe partners daarbij is, wat er nodig is om voortaan als ouders weer samen te kunnen werken, en welke (werk)afspraken zij daarover kunnen maken. Van daaruit kunnen zij dan eventueel afspraken maken over een definitieve omgangs-/zorgregeling en over de vraag of zij voortaan samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan uitoefenen. Als de ouders in de mediation tot (deel)afspraken kunnen komen dat geven zij hiermee ook aan de kinderen een krachtig signaal aan de kinderen dat zij voortaan als ouders weer samen optrekken, en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar dus niet meer tussen hoeven te zitten. Dat zal voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongetwijfeld veel stress, spanning en verdriet wegnemen.
De rechtbank zal de verzoeken van de man omtrent het gezag en de omgangs-/zorgregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de mediation. Met de ouders is afgesproken dat de zaak in principe op 26 november 2026 om 13:15 uur weer op de zitting van deze rechtbank behandeld zal worden. De rechtbank verzoekt de advocaten om de rechtbank minimaal twee weken vóór die datum, dus uiterlijk op 12 november 2026, in kennis te stellen of het mediationtraject al dan niet heeft geleid tot een positief resultaat. Indien de mediation tot een positief resultaat heeft geleid dan zal de zitting op 26 november 2026 niet door hoeven gaan.
Voorlopige omgangsregeling
Aangezien de rechtbank de beslissing over het gezag zal aanhouden, zal in het navolgende steeds worden gesproken over een omgangsregeling. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat de omgang zo snel mogelijk weer opgestart wordt. Partijen zijn er op de zitting in geslaagd om afspraken te maken over het opstarten van de omgangsregeling.
Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de kinderen bij de man zijn:
zondag 16 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur, zonder de aanwezigheid van de partner van de man;
zondag 30 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur. Vanaf dat moment kan de partner van de man eventueel aanwezig zijn bij de omgangsmomenten tussen de man en de kinderen;
zondag 6 september 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
vrijdag 11 september 2026 van 17:00 uur tot 21:00 uur;
waarbij de man de kinderen steeds haalt en brengt tot aan de voordeur bij de vrouw.
De vader zal de kinderen telkens stipt op tijd op te halen en weer terugbrengen bij de moeder, tot bij/voor de woning van de moeder (en niet, zoals voorheen, bij het tankstation [tankstation]). De moeder mag de omgang niet afhankelijk stellen van overleg tussen de ouders of andere voorwaarden stellen. Tot slot dienen de ouders zich te onthouden van negatieve uitlatingen over de andere ouder.
De rechtbank zal voor de periode na 11 september 2026 een nadere voorlopige omgangsregeling vastleggen, in afwachting van de uitkomsten van de mediation.
De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen de omgangsregeling na 11 september 2026 als volgt wordt uitgebreid. Vanaf 18 september 2026 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man iedere week van vrijdag na school (of als vrijdag geen schooldag is: vrijdag 17.00 uur) tot zaterdagmiddag uiterlijk 12.00 uur.
Het staat de ouders uiteraard vrij om tijdens de mediation tot een andere (voorlopige) regeling te komen. De rechtbank legt in afwachting van het verloop van de mediation nog geen vakantieregeling vast. Iedere verdere beslissing over de definitieve omgangs-/zorgregeling inclusief vakantieregeling en de door de man verzochte dwangsom, zal worden aangehouden tot de na te melden datum.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een kinderalimentatie van € 1.741, - per kind per maand vast te stellen. De man voert verweer.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 1 januari 2026, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat hij tot december 2025 kosten voor de kinderen heeft gedragen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. In geschil tussen partijen is van welk jaar uitgegaan moet worden bij het bepalen van de behoefte. Op de zitting hebben de beide partijen (uiteindelijk) aangegeven dat zij eind 2023 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over de vraag van welk NBI van de man moet worden uitgegaan. Zoals hiervoor aangegeven zijn partijen het er wel over eens dat zij eind 2023 uit elkaar zijn gegaan. Het inkomen van de man bestond (en bestaat) uit winst uit zijn onderneming. De vrouw heeft gesteld dat er daarnaast nog sprake zou zijn (geweest) van zwarte inkomsten. Zij verwijst daarvoor naar de waarde van zijn woning en de auto. De vrouw heeft hiermee haar stellingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt of onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat. Aangezien de winst uit een onderneming naar zijn aard fluctueert zal de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van de kinderen uitgaan van een gemiddelde van de winst zoals die blijkt uit de jaarstukken over 2022 en 2023, In 2022 bedroeg de winst uit onderneming € 94.731, -. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming € 118.479, -. De gemiddelde winst uit onderneming over deze jaren bedraagt (€ 94.731, - + € 118.479, - / 2 =) € 106.605, -.
Partijen zijn het ook niet eens over de vraag van welk NBI van de vrouw moet worden uitgegaan. Niet in geschil is dat de vrouw op het moment dat partijen de relatie hebben beëindigd een startende ondernemer was. Gesteld noch gebleken is dat, en zo ja, tot welk bedrag, zij op dat moment al inkomen genereerde. De rechtbank gaat daarom uit van een NBI van € 0,- per maand aan de zijde van de vrouw.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 5.454, - per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg dus € 5.454, - per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 16,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.317, - per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.558, - per maand.
Draagkracht man
De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het inkomen van de man over 2023, omdat definitieve stukken over 2025 ontbreken. De rechtbank ziet in het ontbreken van de stukken over 2025 geen reden om alleen van de winst uit onderneming over 2023 – het hoogste inkomen – uit te gaan. Wel ziet zij hierin aanleiding om te rekenen met het gemiddelde van de jaren waarover volledige jaarstukken zijn overgelegd. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dus uit van een gemiddelde winst uit onderneming in de periode 2023-2024 zoals deze blijkt uit de jaarstukken over 2023 en 2024. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming van de man € 118.479, - en in 2024 € 106.466, -. De gemiddelde winst uit onderneming over 2023 en 2024 bedraagt (€ 118.479, - + € 106.466, - /2 =) € 112.473, -.
De vrouw heeft – ook in dit verband – gesteld dat de man daarnaast nog zwarte inkomsten heeft. Hiervoor heeft de rechtbank reeds overwogen dat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 5.810, - per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200, - , zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365, -)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.891, - per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 64.061, - per jaar. De rechtbank gaat bij de vrouw uit van het gemiddelde van de jaarstukken over 2023, 2024 en 2025, aangezien de winst uit onderneming naar zijn aard fluctueert. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming van de vrouw € 65.937, -, in 2024 € 55.958, - en in 2025 € 70.287, -. De gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025 bedraagt (€ 65.937, - + € 55.958, - + € 70.287, - / 3 =) € 64.061, -.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 4.584, - per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200, -, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.291, - per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 3.182, - per maand (€ 1.891, - + € 1.291, -). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.891 / 3.182 x 1.558 = € 926,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.291 / 3.182 x 1.558 = € 632,-
samen € 1.558, -
Van de totale behoefte van € 1.558, - komt een gedeelte van € 926,- per maand, wat neerkomt op € 463,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 632,- per maand, wat neerkomt op € 316,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. De rechtbank zal gezien de door de man verzochte regeling uitgaan van een percentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 234,- per maand (15% van € 1.558, -).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. Het eigen aandeel van de man bedraagt dan € 692,- per maand (926 – 234), wat neerkomt op € 346,- per kind per maand.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man met ingang van de datum van 1 januari 2026 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal vaststellen op € 346,- per kind per maand.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats].
voorlopig omgang zullen hebben met de man:
zondag 16 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur, zonder de aanwezigheid van de partner van de man;
zondag 30 augustus 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur. Vanaf dat moment kan de partner van de man eventueel aanwezig zijn bij de omgangsmomenten tussen de man en de kinderen;
zondag 6 september 2026 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
vrijdag 11 september 2026 van 17:00 uur tot 21:00 uur;
vanaf 18 september 2026 iedere week van vrijdag na school (of als vrijdag geen schooldag is: vrijdag 9.00 uur) tot zaterdagmiddag uiterlijk 12.00 uur
waarbij de man de kinderen steeds haalt en brengt tot bij/voor de woning van de vrouw;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026, een kinderalimentatie aan voldoet ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 692,- per maand, wat neerkomt op € 346,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze voorlopige omgangsregeling en kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;
*
verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten hun geschil ten aanzien tot het gezag en de zorg-/omgangsregeling door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
bepaalt dat de verzoeken inzake de gezagsvoorziening en de zorg-/omgangsregeling zullen worden behandeld op de zitting van donderdag 26 november 2026 om 13:15 uur;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 26 november 2026, in afwachting van de resultaten van de mediation;
uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde datum dienen partijen zich schriftelijk uit te laten over het resultaat van de mediation en de voortgang van deze procedure;
indien voor genoemde pro formadatum geen bericht is ontvangen zonder dat uitstel is gevraagd, zal de zaak op zitting in ieder geval doorgang vinden;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorg-/omgangsregeling en de dwangsom aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.