Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28098
2026-08-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/696452 / FA RK 25-9648
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming erkenning. Vaststelling opbouwende omgangsregeling. Afsplitsing kinderalimentatie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.530 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9648
Zaaknummer: C/09/696452
Datum beschikking: 25 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling
Beschikking op het op 25 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Bekkering te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft,
en
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. L.A. Middelkoop,
advocaat te Rotterdam.
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verslag van de bijzondere curator;
het verweerschrift tevens verzoekschrift.
Op 11 augustus 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de bijzondere curator;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [minderjarige] kan erkennen;
een omgangsregeling te bepalen tussen hem en [minderjarige], waarbij er wekelijks omgang plaatsvindt op zaterdag op een tijdstip tussen 13.00 uur en 17.00 uur, althans een door de rechtbank te bepalen regeling die in het belang van [minderjarige] is,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige], toe te wijzen.
Feiten
Uit de moeder is geboren het minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1].
[minderjarige] is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige].
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025 is mr. L.A.
Middelkoop voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige]
ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
- Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2025 is de zaak in de stand waarin die zich bevond, verwezen naar deze rechtbank.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige].
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Uit het verslag van de bijzondere curator volgt dat tussen partijen vaststaat dat de man de verwekker is van [minderjarige] en dat er geen twijfel bestaat over de afstamming. De weerstand die de moeder heeft geuit in het gesprek met de bijzondere curator richt zich niet op de afstamming zelf, maar op de overtuiging dat de man geen verantwoordelijkheid neemt. De bijzondere curator geeft aan dat de erkenning in het belang is van [minderjarige], omdat daarmee haar afstamming juridisch wordt vastgelegd.
De moeder heeft zich gerefereerd aan de beslissing van de rechtbank over het verzoek van de man om vervangende toestemming te krijgen voor de erkenning van [minderjarige]. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgangsregeling
De man heeft verzocht een omgangsregeling te bepalen tussen hem en [minderjarige] op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur. Op de zitting hebben partijen hier gedeeltelijk overeenstemming over bereikt. Zij zijn het erover eens dat de omgang tussen de man en [minderjarige] eerst onder begeleiding zal plaatsvinden en moet worden opgebouwd. De eerste stap is bij de moeder thuis, in ieder geval onder begeleiding van oma moederszijde. Waar partijen het niet over eens zijn is op welke dag de omgang moet plaatsvinden en wie de man in de eerste stap van de opbouwfase meeneemt naar de woning van de moeder. De rechtbank zal een beslissing hierover nemen en overweegt als volgt.
De rechtbank zal een opbouwregeling bepalen en stelt conform de gedeeltelijke overeenkomst van partijen vast dat de man eerst zes keer omgang met [minderjarige] zal hebben in de woning van de moeder. Dit zal eenmaal in de twee weken op zaterdag zijn, de eerste vier keer van 9.00 uur tot 11.00 uur en de twee keer erna van 8.00 uur tot 12.00 uur. Het eerste omgangsmoment zal aanvangen de eerste zaterdag na deze beschikking. De moeder heeft aangegeven voorkeur te hebben voor de zondag, omdat zij de hele week werkt en op zaterdag tijd wil doorbrengen met [minderjarige] en haar familie. Hier gaat de rechtbank aan voorbij omdat de man heeft aangegeven op zondag vrijwilligerswerk te doen. Dit heeft de moeder niet betwist. Op zondag is de man niet beschikbaar en de moeder is dit op zaterdag in principe wel.
Bij deze omgangsmomenten zullen aanwezig zijn de oma moederszijde en iemand van de familie van de man. De man heeft vanuit zijn familie tante [naam 2] voorgesteld, maar de moeder heeft aangegeven dat zij het contact met tante [naam 2] verbroken heeft. Haar voorkeur heeft de zus van de man, [naam 3]. De man heeft dit echter nog niet besproken met zijn zus en wel met tante [naam 2]. De man heeft aangegeven dit met zijn zus te bespreken. Ingeval [naam 3] niet mee kan, gaat de rechtbank ervanuit dat de moeder voor deze zes omgangsmomenten toe zal staan dat tante [naam 2] hierbij aanwezig is. De moeder zelf zal de woning verlaten gedurende het omgangsmoment.
Vervolgens zullen er zes omgangsmomenten bij de man plaatsvinden. Hij woont bij zijn oma en daar wonen ook andere familieleden. Het is daarom van belang dat de eerste omgangsmomenten doordeweeks plaatsvinden als er rust is in de woning en alleen de man en zijn oma thuis zijn. Partijen kunnen in onderling overleg bepalen welke dag dit doordeweeks zal zijn. Om zeker te zijn dat de omgang wel zal plaatsvinden, bepaalt de rechtbank dat de omgang op dinsdag zal zijn als partijen er onderling niet uitkomen. De omgang zal vier keer om de week van 8.00 uur tot 10.00 uur zijn en daarna nog twee keer om de week van 8.00 uur tot 11.00 uur, rekening houdend met het werk van de man bij de basisschool doordeweeks van 12.00 uur tot 13.00 uur. Op deze dagen brengt de man [minderjarige] na afloop naar de kinderopvang. Voor het brengen van [minderjarige] van de moeder naar de man zullen partijen dit om en om verdelen. De eerste keer haalt de man [minderjarige] op bij de moeder om 8.00 uur, en de keer erna brengt de moeder [minderjarige] om 8.00 uur bij de man, enzovoorts. Ingeval dit voor de moeder niet haalbaar is in verband met haar opleiding kan zij iemand in haar netwerk vragen haar te ondersteunen door [minderjarige] om 8.00 uur bij de man te brengen.
Aansluitend zal de door de man verzochte omgangsregeling aanvangen van iedere zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij hem thuis. Tegen deze uiteindelijke omgangsregeling heeft de moeder geen verweer gevoerd. De moeder zal [minderjarige] naar de man brengen om 13.00 uur en de man zal [minderjarige] om 17.00 uur terugbrengen bij de moeder. Dit contact vindt onbegeleid plaats. De voorgaand uiteengezette opbouwregeling omvat twaalf omgangsmomenten om de week. Dit betekent dat de omgangsregeling in vierentwintig weken na datum van deze beschikking wordt opgebouwd. Derhalve zal de definitieve regeling aanvangen met ingang van 14 februari 2027. Dit geldt ook als in de opbouwfase om wat voor reden dan ook de omgang één of meerdere keren niet plaatsvindt.
Kinderalimentatie
De moeder heeft in haar verweerschrift met zelfstandig verzoek van 6 augustus 2026 een verzoek tot vaststelling kinderalimentatie ingediend.
Zoals besproken op de zitting zal de rechtbank dit verzoek afsplitsten onder een nieuw zaaknummer met kenmerk C/09/710990 FA RK 26-8411. Aan de man wordt in deze procedure een schriftelijke verweertermijn verleend van vier weken. In deze procedure wordt verder beslist over het verdere verloop van dit verzoek.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 2004 te [geboorteplaats 2], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 3], [geboorteland], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat [minderjarige] omgang met de man heeft volgens de volgende opbouwregeling:
met ingang van de eerste zaterdag na deze beschikking: voor vier keer om de week op zaterdag van 9.00 uur tot 11.00 en voor twee keer om de week op zaterdag van 8.00 uur tot 12.00 uur, in de woning van de moeder in het bijzijn van oma moederszijde en de zus van de man ([naam 3]), dan wel de tante van de man ([naam 2]);
daarna zes omgangsmomenten om de week op een in onderling te bepalen dag doordeweeks in de woning van de man, in het bijzijn van zijn oma, waarvan vier keer van 8.00 uur tot 10.00 uur en twee keer van 8.00 uur tot 11.00 uur, waarbij de man de eerste keer [minderjarige] bij de moeder ophaalt om 8.00 uur bij de moeder en de moeder de keer erna [minderjarige] naar de man brengt om 8.00 uur, enzovoorts, en de man na afloop van de omgang [minderjarige] iedere keer naar de opvang brengt;
met ingang van zaterdag 14 februari 2027 vangt de definitieve omgangsregeling aan, inhoudende dat [minderjarige] iedere zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur onbegeleid omgang met de man heeft, waarbij de moeder [minderjarige] om 13.00 uur bij de man brengt en de man [minderjarige] om 17.00 uur terugbrengt naar de moeder;
*
bepaalt dat het zelfstandige verzoek van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie wordt afgesplitst en verder wordt behandeld onder zaak- en rekestnummer C/09/710990 FA RK 26-8411;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9648
Zaaknummer: C/09/696452
Datum beschikking: 25 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling
Beschikking op het op 25 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Bekkering te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft,
en
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. L.A. Middelkoop,
advocaat te Rotterdam.
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verslag van de bijzondere curator;
het verweerschrift tevens verzoekschrift.
Op 11 augustus 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de bijzondere curator;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [minderjarige] kan erkennen;
een omgangsregeling te bepalen tussen hem en [minderjarige], waarbij er wekelijks omgang plaatsvindt op zaterdag op een tijdstip tussen 13.00 uur en 17.00 uur, althans een door de rechtbank te bepalen regeling die in het belang van [minderjarige] is,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige], toe te wijzen.
Feiten
Uit de moeder is geboren het minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1].
[minderjarige] is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige].
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025 is mr. L.A.
Middelkoop voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige]
ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
- Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2025 is de zaak in de stand waarin die zich bevond, verwezen naar deze rechtbank.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige].
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Uit het verslag van de bijzondere curator volgt dat tussen partijen vaststaat dat de man de verwekker is van [minderjarige] en dat er geen twijfel bestaat over de afstamming. De weerstand die de moeder heeft geuit in het gesprek met de bijzondere curator richt zich niet op de afstamming zelf, maar op de overtuiging dat de man geen verantwoordelijkheid neemt. De bijzondere curator geeft aan dat de erkenning in het belang is van [minderjarige], omdat daarmee haar afstamming juridisch wordt vastgelegd.
De moeder heeft zich gerefereerd aan de beslissing van de rechtbank over het verzoek van de man om vervangende toestemming te krijgen voor de erkenning van [minderjarige]. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgangsregeling
De man heeft verzocht een omgangsregeling te bepalen tussen hem en [minderjarige] op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur. Op de zitting hebben partijen hier gedeeltelijk overeenstemming over bereikt. Zij zijn het erover eens dat de omgang tussen de man en [minderjarige] eerst onder begeleiding zal plaatsvinden en moet worden opgebouwd. De eerste stap is bij de moeder thuis, in ieder geval onder begeleiding van oma moederszijde. Waar partijen het niet over eens zijn is op welke dag de omgang moet plaatsvinden en wie de man in de eerste stap van de opbouwfase meeneemt naar de woning van de moeder. De rechtbank zal een beslissing hierover nemen en overweegt als volgt.
De rechtbank zal een opbouwregeling bepalen en stelt conform de gedeeltelijke overeenkomst van partijen vast dat de man eerst zes keer omgang met [minderjarige] zal hebben in de woning van de moeder. Dit zal eenmaal in de twee weken op zaterdag zijn, de eerste vier keer van 9.00 uur tot 11.00 uur en de twee keer erna van 8.00 uur tot 12.00 uur. Het eerste omgangsmoment zal aanvangen de eerste zaterdag na deze beschikking. De moeder heeft aangegeven voorkeur te hebben voor de zondag, omdat zij de hele week werkt en op zaterdag tijd wil doorbrengen met [minderjarige] en haar familie. Hier gaat de rechtbank aan voorbij omdat de man heeft aangegeven op zondag vrijwilligerswerk te doen. Dit heeft de moeder niet betwist. Op zondag is de man niet beschikbaar en de moeder is dit op zaterdag in principe wel.
Bij deze omgangsmomenten zullen aanwezig zijn de oma moederszijde en iemand van de familie van de man. De man heeft vanuit zijn familie tante [naam 2] voorgesteld, maar de moeder heeft aangegeven dat zij het contact met tante [naam 2] verbroken heeft. Haar voorkeur heeft de zus van de man, [naam 3]. De man heeft dit echter nog niet besproken met zijn zus en wel met tante [naam 2]. De man heeft aangegeven dit met zijn zus te bespreken. Ingeval [naam 3] niet mee kan, gaat de rechtbank ervanuit dat de moeder voor deze zes omgangsmomenten toe zal staan dat tante [naam 2] hierbij aanwezig is. De moeder zelf zal de woning verlaten gedurende het omgangsmoment.
Vervolgens zullen er zes omgangsmomenten bij de man plaatsvinden. Hij woont bij zijn oma en daar wonen ook andere familieleden. Het is daarom van belang dat de eerste omgangsmomenten doordeweeks plaatsvinden als er rust is in de woning en alleen de man en zijn oma thuis zijn. Partijen kunnen in onderling overleg bepalen welke dag dit doordeweeks zal zijn. Om zeker te zijn dat de omgang wel zal plaatsvinden, bepaalt de rechtbank dat de omgang op dinsdag zal zijn als partijen er onderling niet uitkomen. De omgang zal vier keer om de week van 8.00 uur tot 10.00 uur zijn en daarna nog twee keer om de week van 8.00 uur tot 11.00 uur, rekening houdend met het werk van de man bij de basisschool doordeweeks van 12.00 uur tot 13.00 uur. Op deze dagen brengt de man [minderjarige] na afloop naar de kinderopvang. Voor het brengen van [minderjarige] van de moeder naar de man zullen partijen dit om en om verdelen. De eerste keer haalt de man [minderjarige] op bij de moeder om 8.00 uur, en de keer erna brengt de moeder [minderjarige] om 8.00 uur bij de man, enzovoorts. Ingeval dit voor de moeder niet haalbaar is in verband met haar opleiding kan zij iemand in haar netwerk vragen haar te ondersteunen door [minderjarige] om 8.00 uur bij de man te brengen.
Aansluitend zal de door de man verzochte omgangsregeling aanvangen van iedere zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij hem thuis. Tegen deze uiteindelijke omgangsregeling heeft de moeder geen verweer gevoerd. De moeder zal [minderjarige] naar de man brengen om 13.00 uur en de man zal [minderjarige] om 17.00 uur terugbrengen bij de moeder. Dit contact vindt onbegeleid plaats. De voorgaand uiteengezette opbouwregeling omvat twaalf omgangsmomenten om de week. Dit betekent dat de omgangsregeling in vierentwintig weken na datum van deze beschikking wordt opgebouwd. Derhalve zal de definitieve regeling aanvangen met ingang van 14 februari 2027. Dit geldt ook als in de opbouwfase om wat voor reden dan ook de omgang één of meerdere keren niet plaatsvindt.
Kinderalimentatie
De moeder heeft in haar verweerschrift met zelfstandig verzoek van 6 augustus 2026 een verzoek tot vaststelling kinderalimentatie ingediend.
Zoals besproken op de zitting zal de rechtbank dit verzoek afsplitsten onder een nieuw zaaknummer met kenmerk C/09/710990 FA RK 26-8411. Aan de man wordt in deze procedure een schriftelijke verweertermijn verleend van vier weken. In deze procedure wordt verder beslist over het verdere verloop van dit verzoek.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 2004 te [geboorteplaats 2], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 3], [geboorteland], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat [minderjarige] omgang met de man heeft volgens de volgende opbouwregeling:
met ingang van de eerste zaterdag na deze beschikking: voor vier keer om de week op zaterdag van 9.00 uur tot 11.00 en voor twee keer om de week op zaterdag van 8.00 uur tot 12.00 uur, in de woning van de moeder in het bijzijn van oma moederszijde en de zus van de man ([naam 3]), dan wel de tante van de man ([naam 2]);
daarna zes omgangsmomenten om de week op een in onderling te bepalen dag doordeweeks in de woning van de man, in het bijzijn van zijn oma, waarvan vier keer van 8.00 uur tot 10.00 uur en twee keer van 8.00 uur tot 11.00 uur, waarbij de man de eerste keer [minderjarige] bij de moeder ophaalt om 8.00 uur bij de moeder en de moeder de keer erna [minderjarige] naar de man brengt om 8.00 uur, enzovoorts, en de man na afloop van de omgang [minderjarige] iedere keer naar de opvang brengt;
met ingang van zaterdag 14 februari 2027 vangt de definitieve omgangsregeling aan, inhoudende dat [minderjarige] iedere zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur onbegeleid omgang met de man heeft, waarbij de moeder [minderjarige] om 13.00 uur bij de man brengt en de man [minderjarige] om 17.00 uur terugbrengt naar de moeder;
*
bepaalt dat het zelfstandige verzoek van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie wordt afgesplitst en verder wordt behandeld onder zaak- en rekestnummer C/09/710990 FA RK 26-8411;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.