Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28096
2026-08-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/677259 / FA RK 24-8950
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen: benoeming bijzondere curator en vaststelling informatieregeling. Afspraken ten aanzien van de kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap. Zorgregeling aangehouden in afwachting rapport bijzondere curator.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.041 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8950 (echtscheiding) en FA RK 26-2791 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677259 (echtscheiding) en C/09/701816 (verdeling)
Datum beschikking: 25 augustus 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 13 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A. Kazzaz-de Hoog in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L. Oudshoorn in Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het bericht met bijlage van 3 januari 2025 van de vrouw;
het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
het bericht van 15 april 2025 van de man;
de brief van 15 september 2025 van de vrouw;
het bericht van 1 januari 2026 van de vrouw;
het aanvullend verzoekschrift van 23 februari 2026 van de vrouw;
het aanvullend verweerschrift en aanvullende zelfstandige verzoeken van de man;
de brief van 14 juli 2026 van de vrouw;
het bericht met bijlage van 18 juli 2026 van de vrouw.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 21 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2022 in [plaats 1].
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats].
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats].
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De kinderen verblijven bij de man.
Deze rechtbank heeft op 26 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
de vrouw voorlopig gerechtigd is om [minderjarige 2] bij zich te hebben:
met ingang van heden: om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en elke woensdag uit school tot 19:00 uur,
vanaf maandag 6 januari 2025: om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en iedere dinsdag van 19:00 uur tot woensdag 19:00 uur;
verstaat dat partijen zijn overeengekomen dat:
zij zich gaan inspannen dat [minderjarige 1] en de vrouw elkaar zo snel mogelijk ontmoeten op een informele en veilige manier onder begeleiding van de zus van de vrouw (plan A) en indien plan A niet lukt, partijen zich wenden tot een hulpverleningsinstantie om te kijken op welke wijze het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] kan worden hersteld en hoe verdere contactmomenten vlot kunnen worden getrokken;
de Kerstvakantie in onderling overleg zal worden verdeeld;
dat de man de echtelijke koopwoning voorlopig kan blijven gebruiken en dat de vrouw de eigenaarslasten van die woning zal betalen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat [minderjarige 2] om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en iedere dinsdag van 19:00 uur tot woensdag 19:00 uur bij de vrouw zal verblijven, alsmede tijdens de helft van de schoolvakanties en feestdagen, en dat partijen zich gaan inspannen dat [minderjarige 1] en de vrouw hun contacten verder gaan uitbouwen op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat de man niet meewerkt aan de vast te leggen zorgregeling;
vaststelling van, naar de rechtbank begrijpt, een informatieregeling waarbij partijen elkaar tijdig en volledig zullen informeren over alle ontwikkelingen omstandigheden met betrekking tot de kinderen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft haar verzoek om te bepalen dat beide ouders het gezamenlijk gezag over de minderjarigen behouden, ter zitting ingetrokken.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;
vaststelling van kinderalimentatie door de vrouw aan de man te betalen van € 50,- per maand, te weten € 25,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
veroordeling van de vrouw om aan de man te betalen, primair € 69.600,- en subsidiair € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 25 februari 2026;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Er is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide ouders niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de ouders het niet eens zijn over de zorgregeling. Hierdoor is het niet mogelijk voor hen om een ouderschapsplan in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv, en de ouders ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Beide ouders verzoeken de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal bepalen omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie en het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw verzoekt de zorgregeling zoals vastgelegd als voorlopige voorziening in de beschikking van 26 november 2024 vast te leggen. Omdat onvoldoende uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling, verzoekt zij een dwangsom te verbinden aan de nakoming ervan. De vrouw betreurt het dat het contactherstel met [minderjarige 1] nog niet is gelukt en dat zij [minderjarige 2] inmiddels ook niet meer ziet.
De man voert verweer. Na de procedure die heeft geleid tot de voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw is deze uitgebreid. Het contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] verliep volgens de man erg moeizaam. Zo kwam de vrouw meermaals te laat [minderjarige 2] van school halen en ging het niet goed met de hygiëne van [minderjarige 2] als hij bij de vrouw was. Bovendien reageert de vrouw niet op e-mails van de man en is van enig overleg of samenwerking geen sprake. In het contact met [minderjarige 1] neemt de vrouw ook geen initiatief waardoor zij elkaar niet zien. Sinds april 2025 wil ook [minderjarige 2] niet meer naar de vrouw toe. Er heeft toen, volgens de man, een incident plaatsgevonden waarbij de vrouw ruzie had met haar partner en zij haar nieuwe partner heeft geslagen in het bijzijn van [minderjarige 2]. Hij kwam vervolgens overstuur bij de man thuis waardoor er contact is geweest met Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft laten weten dat het belangrijk is dat de vrouw en [minderjarige 2] met elkaar in gesprek gaan om het vertrouwen van [minderjarige 2] terug te winnen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 3 mei 2025 maar heeft weinig overgeleverd. Bovendien ontkent de vrouw dat zij haar partner heeft geslagen. De man betwist verder dat hij niet zou meewerken aan de zorgregeling. Het is juist de vrouw die geen initiatief onderneemt en niets van zich laat horen. De man vindt het belangrijk dat met hulpverlening wordt gewerkt aan contactherstel tussen de vrouw en de kinderen.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is duidelijk geworden dat het contact tussen de vrouw en de kinderen al geruime tijd uiterst moeizaam is. Waar tot voor enige tijd geleden met [minderjarige 2] nog een zorgregeling bestond en hij contact met zijn moeder had, is ook dat inmiddels niet meer het geval. Van regelmatig contact tussen de vrouw en de kinderen is momenteel dan ook geen sprake. De rechtbank kan niet vaststellen wat er precies is voorgevallen bijvoorbeeld rond het incident in de woning van de vrouw. Vaststaat dat beide kinderen, volgens de man, momenteel aangeven geen contact te willen met de vrouw. De rechtbank kan op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet achterhalen waar de weerstand van de kinderen ten aanzien van het contact met de vrouw vandaan komt.
De rechtbank wil enerzijds de wensen van de kinderen respecteren. Anderzijds is de rechtbank er niet van overtuigd dat deze situatie in het belang van de kinderen is en gunt de rechtbank het de kinderen dat zij goed contact hebben met beide ouders. Bij de huidige stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat zij nog geen beslissing kan nemen ten aanzien van een zorgregeling. Op de zitting is met de ouders de mogelijkheid besproken om een bijzondere curator te benoemen. De ouders hebben aangegeven hiermee in te kunnen stemmen. De rechtbank zal hiertoe dan ook overgaan.
Bijzondere curator
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank ambtshalve een bijzondere curator over de kinderen benoemen, te weten de heer mr. I.J. Pieters, die zich bereid heeft verklaard deze taak op zich te nemen. De bijzondere curator wordt benoemd over twee kinderen die mogelijk een andere positie hebben ten opzichte van hun ouders. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] spelen mogelijk verschillende (rechts)belangen, waarmee de bijzondere curator rekening dient te houden. Het is daarom belangrijk dat de bijzondere curator waar nodig de afzonderlijke belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in kaart brengt.
Concreet verzoekt de rechtbank dat de bijzondere curator de volgende vragen in zijn onderzoek zal betrekken:
Is het op dit moment in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om contact te hebben met hun moeder? Zo nee, waar is de weerstand van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen het contact(herstel) met de vrouw in gelegen en hoe kan deze weerstand weggenomen worden?
Bestaan er mogelijkheden tot contactherstel tussen [minderjarige 1] en de vrouw? Indien ja, op welke wijze zou dat mogelijk zijn?
Is een zorgregeling op dit moment in het van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]? Zo ja, hoe dient de zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw eruit te zien?
De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders hun volledige medewerking zullen verlenen aan het onderzoek door de bijzondere curator en op zijn eerste verzoek de gevraagde informatie zullen verstrekken en zullen reageren op uitnodigingen om met hem in gesprek te gaan.
De rechtbank verzoekt de ouders hun telefoonnummers en hun e-mailadres zo spoedig mogelijk en ieder geval binnen een week naar de bijzondere curator te sturen (naar het in het dictum opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator hen kan uitnodigen voor een eerste gesprek. Van zijn bevindingen dient de bijzondere curator schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank en de belanghebbenden, waarop de ouders binnen twee weken kunnen reageren. De rechtbank zal in afwachting van dit verslag en de eventuele reacties daarop een verdere beslissing op het verzoek omtrent de zorgregeling aanhouden voor een periode van 4 maanden. Indien de bijzondere curator meer tijd nodig heeft voor zijn onderzoek, dan kan hij hiertoe een verzoek tot uitstel doen. De rechtbank zal na ontvangst van het schriftelijke verslag van de bijzondere curator een mondeling behandeling plannen, waarvoor belanghebbenden en de bijzondere curator zullen worden opgeroepen.
Ouderschapsbemiddeling
Op de zitting is verder de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen de ouders besproken, alsmede de mogelijkheden om dit te verbeteren. Gebleken is dat zij eerder een Ouderschapsbemiddelingstraject zouden gaan volgen, maar dat dit niet van de grond is gekomen. Op de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om alsnog deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
bestaan er mogelijkheden tot contactherstel tussen de vrouw en de kinderen? Zo ja, op welke manier?
is (nadere) hulpverlening voor de ouders en en/of de kinderen noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Informatieregeling
De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, een informatieregeling vast te leggen. Zij voert aan dat zij weinig tot geen informatie ontvangt over de kinderen. De man voert verweer. Volgens hem is de vrouw wel op de hoogte van hoe het met de kinderen gaat. Bovendien heeft [minderjarige 2] iedere woensdag contact met oma (moederszijde) waar de vrouw ook woont en zijn de kinderen in mei nog met de zus van de vrouw op vakantie geweest.
De rechtbank stelt voorop dat de ouders samen belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen. Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen, waaronder de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bepalen dat de man de vrouw iedere twee maanden per e-mail moet informeren over gewichtige aangelegenheden zoals school, sportactiviteiten en medische zaken. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de vrouw op dit moment vrijwel geen contact met de kinderen heeft. Dat brengt mee dat zij een nog groter belang heeft om door de man met regelmaat op de hoogte te worden gehouden over belangrijke zaken in het leven van de kinderen. Dat zij mogelijk via oma of een tante informatie over de kinderen krijgt, doet aan de verantwoordelijkheid die de man hierin heeft niet af. Indien het contact in de toekomst hersteld wordt, is het bovendien belang dat de vrouw goed op de hoogte is van wat er in het leven van de kinderen speelt en zo goed kan aansluiten bij het leven van de kinderen.
Kinderalimentatie
De ouders hebben op de zitting overeenstemming bereikt ten aanzien van de kinderalimentatie. Zij hebben daarbij afgesproken dat de vrouw € 75,- per maand als kinderalimentatie zal voldoen aan de man, met ingang van de datum van deze beschikking.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap en vergoedingsrecht echtelijke woning
De ouders zijn het erover eens dat zij niets meer te vorderen hebben van elkaar. Zij hebben afgesproken tegen finale kwijting, over en weer hun vorderingen en vergoedingsrechten in te trekken en vast te laten leggen dat zij in dat verband niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, met elkaar gehuwd op [datum] 2022 in [plaats 1];
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats].
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats].
hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
*
bepaalt als informatieregeling dat de man iedere twee maanden de vrouw per e-mail moet informeren over gewichtige aangelegenheden over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waaronder in ieder geval begrepen informatie over school, sport en medische aangelegenheden;
*
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarigen, [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in ’[geboorteplaats]:
de heer mr. I.J. Pieters, kantoorhoudende te [plaats 2] aan de [adres 1], telefoonnummer: [telefoonnummer], e-mailadres: [e-mailadres];
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk 1 januari 2027 schriftelijk verslag doet aan de rechtbank en de belanghebbenden;
bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop, als zij dat willen, schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere ouder te worden toegezonden;
bepaalt dat de behandeling ter zitting, na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de bijzondere curator;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:[de vrouw] (de vrouw),
wonende op een geheim adres,
en
[de man] (de man),
wonende op de [adres 2] in [plaats 1],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt de door de vrouw, met ingang van heden, te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 75,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat de ouders, in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogen en de voormalig echtelijke woning, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat zij elkaar finale kwijting verlenen;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 15 januari 2027 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 augustus 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8950 (echtscheiding) en FA RK 26-2791 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677259 (echtscheiding) en C/09/701816 (verdeling)
Datum beschikking: 25 augustus 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 13 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A. Kazzaz-de Hoog in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L. Oudshoorn in Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het bericht met bijlage van 3 januari 2025 van de vrouw;
het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
het bericht van 15 april 2025 van de man;
de brief van 15 september 2025 van de vrouw;
het bericht van 1 januari 2026 van de vrouw;
het aanvullend verzoekschrift van 23 februari 2026 van de vrouw;
het aanvullend verweerschrift en aanvullende zelfstandige verzoeken van de man;
de brief van 14 juli 2026 van de vrouw;
het bericht met bijlage van 18 juli 2026 van de vrouw.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 21 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2022 in [plaats 1].
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats].
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats].
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De kinderen verblijven bij de man.
Deze rechtbank heeft op 26 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
de vrouw voorlopig gerechtigd is om [minderjarige 2] bij zich te hebben:
met ingang van heden: om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en elke woensdag uit school tot 19:00 uur,
vanaf maandag 6 januari 2025: om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en iedere dinsdag van 19:00 uur tot woensdag 19:00 uur;
verstaat dat partijen zijn overeengekomen dat:
zij zich gaan inspannen dat [minderjarige 1] en de vrouw elkaar zo snel mogelijk ontmoeten op een informele en veilige manier onder begeleiding van de zus van de vrouw (plan A) en indien plan A niet lukt, partijen zich wenden tot een hulpverleningsinstantie om te kijken op welke wijze het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] kan worden hersteld en hoe verdere contactmomenten vlot kunnen worden getrokken;
de Kerstvakantie in onderling overleg zal worden verdeeld;
dat de man de echtelijke koopwoning voorlopig kan blijven gebruiken en dat de vrouw de eigenaarslasten van die woning zal betalen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat [minderjarige 2] om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en iedere dinsdag van 19:00 uur tot woensdag 19:00 uur bij de vrouw zal verblijven, alsmede tijdens de helft van de schoolvakanties en feestdagen, en dat partijen zich gaan inspannen dat [minderjarige 1] en de vrouw hun contacten verder gaan uitbouwen op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat de man niet meewerkt aan de vast te leggen zorgregeling;
vaststelling van, naar de rechtbank begrijpt, een informatieregeling waarbij partijen elkaar tijdig en volledig zullen informeren over alle ontwikkelingen omstandigheden met betrekking tot de kinderen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft haar verzoek om te bepalen dat beide ouders het gezamenlijk gezag over de minderjarigen behouden, ter zitting ingetrokken.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;
vaststelling van kinderalimentatie door de vrouw aan de man te betalen van € 50,- per maand, te weten € 25,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
veroordeling van de vrouw om aan de man te betalen, primair € 69.600,- en subsidiair € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 25 februari 2026;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Er is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide ouders niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de ouders het niet eens zijn over de zorgregeling. Hierdoor is het niet mogelijk voor hen om een ouderschapsplan in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv, en de ouders ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Beide ouders verzoeken de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal bepalen omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie en het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw verzoekt de zorgregeling zoals vastgelegd als voorlopige voorziening in de beschikking van 26 november 2024 vast te leggen. Omdat onvoldoende uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling, verzoekt zij een dwangsom te verbinden aan de nakoming ervan. De vrouw betreurt het dat het contactherstel met [minderjarige 1] nog niet is gelukt en dat zij [minderjarige 2] inmiddels ook niet meer ziet.
De man voert verweer. Na de procedure die heeft geleid tot de voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw is deze uitgebreid. Het contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] verliep volgens de man erg moeizaam. Zo kwam de vrouw meermaals te laat [minderjarige 2] van school halen en ging het niet goed met de hygiëne van [minderjarige 2] als hij bij de vrouw was. Bovendien reageert de vrouw niet op e-mails van de man en is van enig overleg of samenwerking geen sprake. In het contact met [minderjarige 1] neemt de vrouw ook geen initiatief waardoor zij elkaar niet zien. Sinds april 2025 wil ook [minderjarige 2] niet meer naar de vrouw toe. Er heeft toen, volgens de man, een incident plaatsgevonden waarbij de vrouw ruzie had met haar partner en zij haar nieuwe partner heeft geslagen in het bijzijn van [minderjarige 2]. Hij kwam vervolgens overstuur bij de man thuis waardoor er contact is geweest met Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft laten weten dat het belangrijk is dat de vrouw en [minderjarige 2] met elkaar in gesprek gaan om het vertrouwen van [minderjarige 2] terug te winnen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 3 mei 2025 maar heeft weinig overgeleverd. Bovendien ontkent de vrouw dat zij haar partner heeft geslagen. De man betwist verder dat hij niet zou meewerken aan de zorgregeling. Het is juist de vrouw die geen initiatief onderneemt en niets van zich laat horen. De man vindt het belangrijk dat met hulpverlening wordt gewerkt aan contactherstel tussen de vrouw en de kinderen.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is duidelijk geworden dat het contact tussen de vrouw en de kinderen al geruime tijd uiterst moeizaam is. Waar tot voor enige tijd geleden met [minderjarige 2] nog een zorgregeling bestond en hij contact met zijn moeder had, is ook dat inmiddels niet meer het geval. Van regelmatig contact tussen de vrouw en de kinderen is momenteel dan ook geen sprake. De rechtbank kan niet vaststellen wat er precies is voorgevallen bijvoorbeeld rond het incident in de woning van de vrouw. Vaststaat dat beide kinderen, volgens de man, momenteel aangeven geen contact te willen met de vrouw. De rechtbank kan op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet achterhalen waar de weerstand van de kinderen ten aanzien van het contact met de vrouw vandaan komt.
De rechtbank wil enerzijds de wensen van de kinderen respecteren. Anderzijds is de rechtbank er niet van overtuigd dat deze situatie in het belang van de kinderen is en gunt de rechtbank het de kinderen dat zij goed contact hebben met beide ouders. Bij de huidige stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat zij nog geen beslissing kan nemen ten aanzien van een zorgregeling. Op de zitting is met de ouders de mogelijkheid besproken om een bijzondere curator te benoemen. De ouders hebben aangegeven hiermee in te kunnen stemmen. De rechtbank zal hiertoe dan ook overgaan.
Bijzondere curator
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank ambtshalve een bijzondere curator over de kinderen benoemen, te weten de heer mr. I.J. Pieters, die zich bereid heeft verklaard deze taak op zich te nemen. De bijzondere curator wordt benoemd over twee kinderen die mogelijk een andere positie hebben ten opzichte van hun ouders. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] spelen mogelijk verschillende (rechts)belangen, waarmee de bijzondere curator rekening dient te houden. Het is daarom belangrijk dat de bijzondere curator waar nodig de afzonderlijke belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in kaart brengt.
Concreet verzoekt de rechtbank dat de bijzondere curator de volgende vragen in zijn onderzoek zal betrekken:
Is het op dit moment in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om contact te hebben met hun moeder? Zo nee, waar is de weerstand van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen het contact(herstel) met de vrouw in gelegen en hoe kan deze weerstand weggenomen worden?
Bestaan er mogelijkheden tot contactherstel tussen [minderjarige 1] en de vrouw? Indien ja, op welke wijze zou dat mogelijk zijn?
Is een zorgregeling op dit moment in het van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]? Zo ja, hoe dient de zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw eruit te zien?
De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders hun volledige medewerking zullen verlenen aan het onderzoek door de bijzondere curator en op zijn eerste verzoek de gevraagde informatie zullen verstrekken en zullen reageren op uitnodigingen om met hem in gesprek te gaan.
De rechtbank verzoekt de ouders hun telefoonnummers en hun e-mailadres zo spoedig mogelijk en ieder geval binnen een week naar de bijzondere curator te sturen (naar het in het dictum opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator hen kan uitnodigen voor een eerste gesprek. Van zijn bevindingen dient de bijzondere curator schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank en de belanghebbenden, waarop de ouders binnen twee weken kunnen reageren. De rechtbank zal in afwachting van dit verslag en de eventuele reacties daarop een verdere beslissing op het verzoek omtrent de zorgregeling aanhouden voor een periode van 4 maanden. Indien de bijzondere curator meer tijd nodig heeft voor zijn onderzoek, dan kan hij hiertoe een verzoek tot uitstel doen. De rechtbank zal na ontvangst van het schriftelijke verslag van de bijzondere curator een mondeling behandeling plannen, waarvoor belanghebbenden en de bijzondere curator zullen worden opgeroepen.
Ouderschapsbemiddeling
Op de zitting is verder de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen de ouders besproken, alsmede de mogelijkheden om dit te verbeteren. Gebleken is dat zij eerder een Ouderschapsbemiddelingstraject zouden gaan volgen, maar dat dit niet van de grond is gekomen. Op de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om alsnog deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
bestaan er mogelijkheden tot contactherstel tussen de vrouw en de kinderen? Zo ja, op welke manier?
is (nadere) hulpverlening voor de ouders en en/of de kinderen noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Informatieregeling
De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, een informatieregeling vast te leggen. Zij voert aan dat zij weinig tot geen informatie ontvangt over de kinderen. De man voert verweer. Volgens hem is de vrouw wel op de hoogte van hoe het met de kinderen gaat. Bovendien heeft [minderjarige 2] iedere woensdag contact met oma (moederszijde) waar de vrouw ook woont en zijn de kinderen in mei nog met de zus van de vrouw op vakantie geweest.
De rechtbank stelt voorop dat de ouders samen belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen. Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen, waaronder de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bepalen dat de man de vrouw iedere twee maanden per e-mail moet informeren over gewichtige aangelegenheden zoals school, sportactiviteiten en medische zaken. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de vrouw op dit moment vrijwel geen contact met de kinderen heeft. Dat brengt mee dat zij een nog groter belang heeft om door de man met regelmaat op de hoogte te worden gehouden over belangrijke zaken in het leven van de kinderen. Dat zij mogelijk via oma of een tante informatie over de kinderen krijgt, doet aan de verantwoordelijkheid die de man hierin heeft niet af. Indien het contact in de toekomst hersteld wordt, is het bovendien belang dat de vrouw goed op de hoogte is van wat er in het leven van de kinderen speelt en zo goed kan aansluiten bij het leven van de kinderen.
Kinderalimentatie
De ouders hebben op de zitting overeenstemming bereikt ten aanzien van de kinderalimentatie. Zij hebben daarbij afgesproken dat de vrouw € 75,- per maand als kinderalimentatie zal voldoen aan de man, met ingang van de datum van deze beschikking.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap en vergoedingsrecht echtelijke woning
De ouders zijn het erover eens dat zij niets meer te vorderen hebben van elkaar. Zij hebben afgesproken tegen finale kwijting, over en weer hun vorderingen en vergoedingsrechten in te trekken en vast te laten leggen dat zij in dat verband niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, met elkaar gehuwd op [datum] 2022 in [plaats 1];
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats].
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats].
hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
*
bepaalt als informatieregeling dat de man iedere twee maanden de vrouw per e-mail moet informeren over gewichtige aangelegenheden over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waaronder in ieder geval begrepen informatie over school, sport en medische aangelegenheden;
*
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarigen, [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in ’[geboorteplaats]:
de heer mr. I.J. Pieters, kantoorhoudende te [plaats 2] aan de [adres 1], telefoonnummer: [telefoonnummer], e-mailadres: [e-mailadres];
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk 1 januari 2027 schriftelijk verslag doet aan de rechtbank en de belanghebbenden;
bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop, als zij dat willen, schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere ouder te worden toegezonden;
bepaalt dat de behandeling ter zitting, na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de bijzondere curator;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:[de vrouw] (de vrouw),
wonende op een geheim adres,
en
[de man] (de man),
wonende op de [adres 2] in [plaats 1],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt de door de vrouw, met ingang van heden, te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 75,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat de ouders, in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogen en de voormalig echtelijke woning, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat zij elkaar finale kwijting verlenen;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 15 januari 2027 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 augustus 2026.